Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2184

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-09-2021
Datum publicatie
29-09-2021
Zaaknummer
202002507/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2020 heeft de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten het bestemmingsplan "Lieshoutseweg 6, Nuenen" gewijzigd vastgesteld. Het plan voorziet binnen de bestaande bebouwing in de realisatie van "Het Boshuys" aan de Lieshoutseweg 6 te Nuenen. De voorgenomen functiewijziging betreft de realisatie van een restaurant in het woonhuis, een multifunctionele horecaruimte in de bestaande schuur, een Bed & Breakfast (B&B) in de bestaande garage, een klim-, speel- en educatiebos met avonturenpad en parkeren aansluitend aan de bestaande bebouwing. Het Boshuys vormt volgens paragraaf 2.2 van de plantoelichting een recreatieve poort tot het natuurgebied Geeneindse heide en heeft samen met het klim- en educatiebos tevens een belangrijke en educatieve functie (erfgoededucatie). De Lieshoutseweg betreft de provinciale weg N615 tussen Gerwen en Lieshout. [appellanten] vrezen allen dat hun woon- en leefklimaat en de natuur worden aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002507/1/R2.

Datum uitspraak: 29 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

2.       [appellanten sub 2] en anderen, wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (hierna: tezamen: [appellant sub 2] en anderen),

3.       [appellant sub 3], wonend te Nuenen, gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten (hierna: tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Lieshoutseweg 6, Nuenen" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij], initiatiefnemer, heeft een schriftelijke uiteenzetting en nadere stukken ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 3] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2021, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde 1], en bijgestaan door ing. M.T. van Kelegom, verkeersdeskundige, [appellant sub 2] en anderen, bij monde van [gemachtigde 2], [appellant sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde 3], en de raad, vertegenwoordigd door C.M.G. Schoof, bijgestaan door ing. A.A.M. van den Nieuwenhof, geluidsdeskundige in dienst van de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, en M.J.A. Ras, projectleider, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij] gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan voorziet binnen de bestaande bebouwing in de realisatie van "Het Boshuys" aan de Lieshoutseweg 6 te Nuenen. De voorgenomen functiewijziging betreft de realisatie van een restaurant in het woonhuis, een multifunctionele horecaruimte in de bestaande schuur, een Bed & Breakfast (B&B) in de bestaande garage, een klim-, speel- en educatiebos met avonturenpad en parkeren aansluitend aan de bestaande bebouwing. Het Boshuys vormt volgens paragraaf 2.2 van de plantoelichting een recreatieve poort tot het natuurgebied Geeneindse heide en heeft samen met het klim- en educatiebos tevens een belangrijke en educatieve functie (erfgoededucatie). De Lieshoutseweg betreft de provinciale weg N615 tussen Gerwen en Lieshout. Het plangebied is gelegen tussen de Lieshoutseweg en de Moorven in het buitengebied van de gemeente Nuenen. [appellant sub 3] woont naast het plangebied aan de [locatie 1] te Nuenen. [appellant sub 2] en anderen wonen aan de [locatie 2] te Nuenen ([appellant sub 2]), de [locatie 3] te Nuenen en de [locatie 5] te Nuenen. [appellant sub 1] woont ten oosten van het plangebied aan de [locatie 4] te Nuenen. Zij vrezen allen dat hun woon- en leefklimaat en de natuur worden aangetast doordat het plan zal leiden tot geluidsoverlast, verkeersoverlast, parkeeroverlast en een verkeersonveilige situatie. [partij] is de initiatiefnemer van het plan.

Ontvankelijkheid

2.       [partij] stelt in zijn schriftelijke uiteenzetting dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij het besluit tot vaststelling van het plan. Zij woont op een afstand van ongeveer 400 m van het plangebied. Gelet op de afstand is het niet aannemelijk dat zij gevolgen van enige betekenis ondervindt op het gebied van geur, zicht, licht of geluid. [partij] stelt dat er ook geen belang is door de verkeersituatie op de kruising Moorven/Lieshoutseweg omdat het perceel van [appellant sub 1] wordt ontsloten via het zuidelijke deel van de Moorven en dat zij dus geen gebruik maakt van de betreffende kruising. Om de noordelijke ontsluiting te kunnen gebruiken moet [appellant sub 1] een bospad in het bosperceel gebruiken.

2.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

Artikel 8:1 van de Awb luidt:

"Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, geldt als uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" dat is vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:737, dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt.

2.3.    [appellant sub 1] woont aan de [locatie 4] op een afstand van ongeveer 400 m van het plangebied. Zij heeft geen zicht op het plangebied. Het autoverkeer van en naar het plangebied wordt afgewikkeld via de noordelijke ontsluiting van de Moorven op de Lieshoutseweg en maakt gebruik van de kruising Moorven/Lieshoutseweg. Anders dan [partij] heeft gesteld, is ter zitting gebleken dat [appellant sub 1] uitsluitend gebruik maakt van de noordelijke ontsluiting. De zuidelijke ontsluiting loopt deels over particulier terrein en is niet toegankelijk. Op voorhand is niet uitgesloten dat de toename van het verkeer door het plan op de kruising Moorven/Lieshoutseweg zal leiden tot langere wachttijden en een verkeersonveilige situatie voor [appellant sub 1]. Gelet hierop zijn naar het oordeel van de Afdeling haar belangen rechtstreeks betrokken bij het besluit tot vaststelling van het plan en is zij belanghebbende bij het voorliggende besluit.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

3.1.    De relevante planregels zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Formele bezwaren

4.       [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat de procedure niet transparant is gevoerd. Zij stellen dat het plan omvangrijker is dan in eerste instantie - medio 2017 - door [partij] aan omwonenden in een schrijven kenbaar is gemaakt.

4.1.    Het plan zoals onder 1 beschreven heeft de procedure van artikel 3.8 van de Wet op de ruimtelijke ordening doorlopen, die is aangevangen met het ter inzage leggen van het ontwerpbestemmingsplan. Het kan zijn dat [partij] voordat het ontwerp-bestemmingplan ter inzage is gelegd, een ander, kleinschaliger plan, heeft gepresenteerd maar nu ligt het uiteindelijk vastgestelde bestemmingsplan, zoals onder 1 beschreven, voor. Het betoog faalt.

Kleinschaligheid/aantal bezoekers

5.       [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 1] betogen dat de kleinschaligheid van het klim-, speel-, educatiebos met avonturenpad niet is geborgd in het plan. [appellant sub 3] betoogt dat de artikelen 3.1, aanhef en onder e, en 4.1.1, aanhef en onder c, van de planregels rechtsonzeker zijn omdat onduidelijk is wat onder het maximaal daggemiddelde van personen in beide artikelen moet worden verstaan. Met deze planregels is beoogd de kleinschaligheid te borgen, maar daarin is de raad volgens hen niet geslaagd, omdat niet duidelijk is geregeld hoeveel bezoekers maximaal per dag het klim-, speel-, educatiebos gedurende de openingstijden kunnen bezoeken en hoeveel bezoekers daar op piekmomenten tegelijk mogen verblijven. [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 1] stellen verder dat het plan voor wat betreft de gevolgen voor het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid niet zorgvuldig is voorbereid omdat de rapporten die de raad aan de vaststelling van het plan ten grondslag heeft gelegd, zodanige onjuistheden en gebreken in kennis bevatten dat de raad deze rapporten niet ten grondslag mocht leggen aan het plan. Daarbij wijzen zij er op dat de onduidelijkheid omtrent bezoekersaantallen in de planregels doorwerkt in de onderzoeken. Zolang niet vast staat hoeveel bezoekers het klim-, speel-, educatiebos gedurende de openingstijden maximaal per dag kunnen bezoeken en hoeveel bezoekers er op piekmomenten tegelijk in het park mogen verblijven, is ook niet duidelijk waar in de onderzoeken vanuit moet worden gegaan. De onderzoeken geven op dit punt geen eenduidig beeld en gaan van verschillende aantallen uit, aldus [appellant sub 2] en anderen, [appellant sub 3] en [appellant sub 1].

5.1.    De raad stelt dat met het klim- speel- en educatiebos is beoogd tot een kleinschalige ontwikkeling te komen met drie klimparcoursen waarvan één een tokkelbaan heeft. Om de kleinschaligheid tot uitdrukking te brengen en te borgen is in de planregels een maximaal daggemiddelde van 50 bezoekers opgenomen. Het klim- speel- en educatiebos zal door een wisselend aantal bezoekers op verschillende momenten van de openingstijden worden bezocht. Er mogen 50 bezoekers tegelijk verblijven.

5.2.    In het plan zijn aan de gronden ter plaatse het klim- speel- en educatiebos de bestemmingen "Natuur" en "Horeca" toegekend. De raad heeft met dit plan willen voorzien in een kleinschalige ontwikkeling, waarbij hij het aantal bezoekers heeft willen maximeren. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de artikelen 4.1.1, onder c, en 3.1, onder e, van de planregels ten aanzien van die maximalisatie echter onduidelijk en rechtsonzeker. In de beide planregels ontbreekt een maatstaf om te bepalen wat onder een daggemiddelde moet worden verstaan. Evenmin staat op grond van de planregels vast of het vermelde daggemiddelde voor de gronden met de bestemming "Horeca" en "Natuur" bij elkaar moeten worden opgeteld. Daarmee is niet duidelijk geregeld hoeveel bezoekers er maximaal tegelijk binnen de bestemmingsvlakken "Horeca" en "Natuur" mogen verblijven. Mede als gevolg daarvan is eveneens niet duidelijk hoeveel bezoekers er gedurende de openingstijden van het klim-, speel- en educatiebos per dag in totaal ten hoogste mogen verblijven. Anders dan de raad stelt, is als gevolg van deze leemten de kleinschaligheid niet geborgd in de artikelen 4.1.1, onder c, en 3.1, onder e, van de planregels, noch elders in het plan, bijvoorbeeld in de definities. Het betoog slaagt.

5.3.    De hiervoor gesignaleerde onduidelijkheid in de planregels over de bezoekersaantallen heeft ook gevolgen voor de onderzoeksrapporten die betrekking hebben op het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid die aan het plan ten grondslag zijn gelegd. Die onderzoeksrapporten geven op het punt van de bezoekersaantallen evenmin een eenduidig beeld. Om inzichtelijk te maken wat de gevolgen zijn van de voorgenomen functies voor het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid dient vast te staan om welke bezoekersaantallen het ten hoogste gaat. De raad dient met inachtneming van hetgeen onder 5.2 overwogen inzichtelijk te maken dat het beoogde gebruik van de gronden dat met het plan mogelijk wordt gemaakt in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid.

5.4.    Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de artikelen 3.1, onder e en 4.1.1, onder c, van de planregels, in strijd is met de rechtszekerheid. Tevens berust het bestreden besluit voor zover daaraan de onderzoeksrapporten naar het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid ten grondslag zijn gelegd, en de raad het standpunt heeft ingenomen dat het plan voor wat betreft het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, niet op een deugdelijke motivering en is het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De betogen slagen.

Soortenbescherming

6.       [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] vrezen dat door het toekomstige gebruik van het bos als klim- en educatiebos de daar aanwezige flora en fauna aangetast zullen worden. Zij verwijzen naar een rapport "Natuurwaarden Stiphout-zuid" van Starro uit 2010 van de gemeente Helmond, waaruit zou blijken dat op het betreffende perceel beschermde diersoorten leven die op de rode lijst staan.

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1386), komen de vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling, dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

6.2.    Laatstgenoemde omstandigheid doet zich hier naar het oordeel van de Afdeling niet voor. Ten behoeve van de planvorming is een quickscan flora en fauna van het gebied uitgevoerd door Tritium, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 31 augustus 2016, dat als bijlage 6 bij de plantoelichting is gevoegd en dat aan het besluit ten grondslag is gelegd.

In het plangebied zijn geen beschermde soorten dieren en planten waargenomen tijdens het veldbezoek. Sporenonderzoek naar de aanwezigheid van vraat-, loop- en veegsporen, nesten, holen, uitwerpselen, prooiresten en haren heeft evenmin aanleiding gegeven om de aanwezigheid van beschermde soorten dieren en planten aanwezig te achten.

6.3.    Het rapport "Natuurwaarden Stiphout-zuid" heeft betrekking op een onderzoeksgebied dat ver van het plangebied ligt. Het ligt in een ander deel van het bosgebied Kamerven. Daarnaast dateert het rapport uit 2010, dus lang voordat de quickscan met veld- en sporenonderzoek is uitgevoerd. Onder deze omstandigheden geeft het in beroep aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

Natuur Netwerk Brabant

7.       [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] wijzen erop dat de natuurbestemming in het plangebied deel uitmaakt van het Natuur Netwerk Brabant (hierna: NNB) en dat daarvoor de bijbehorende ecologische waarden en kenmerken gelden. Zij betogen dat de komst van het klim- en educatiebos met avonturenpad zich niet verdraagt met de uitgangspunten die gelden voor het NNB. Intensieve recreatie is niet mogelijk op de gronden. Omdat de kleinschaligheid niet is geborgd ligt niet vast dat sprake zal zijn van een kleinschalige ontwikkeling. [appellant sub 2] en anderen stellen dat voor het klimparcours met tokkelbaan 30% van het bos is gekapt en dat dit ten onrechte zonder vergunning is verricht. Tevens vrezen zij dat door het toekomstige gebruik van het bos als klim- en educatiebos de in het bos aanwezige ecologische waarden aangetast zullen worden.

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat in het plan zorgvuldig is omgegaan met de ecologische waarden en kenmerken van het gedeelte van het plangebied dat deel uitmaakt van het NNB. De provincie Noord-Brabant is ter plaatse voor de kap van de bomen het bevoegd gezag. Voor de realisatie van het klim- en educatiebos met avonturenpad worden geen bomen gekapt en de bosbodem wordt in stand gelaten. Het avonturenpad wordt gerealiseerd op bestaande paden en het klimbos wordt aangelegd in de reeds aanwezige bomen. Om het klimmen mogelijk te maken worden in die bomen touwen, kabels en ankers aangebracht, die eenvoudig en zonder schade aan de bomen weer kunnen worden verwijderd. Daarnaast worden, afhankelijk van de hoogte, platforms in de bomen bevestigd om het gezekerd klimmen mogelijk te maken. Het feit dat het bos is gelegen in het NNB, maakt niet dat in het bos niets meer is toegestaan.

7.2.    Bij besluit van 8 december 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ten behoeve van het plan de grenzen van het NNB aangepast. Als gevolg van deze aanpassing bevinden het voorziene restaurant met een multifunctionele horecaruimte, B&B met bijbehorende parkeervoorziening en het speelbos zich niet langer binnen het NNB. Daarmee liggen alleen het klimbos en educatiebos met avonturenpad nog binnen het NNB. Het beroep richt zich niet tegen het besluit van 8 december 2020.

7.3.    Op de kaart bij de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant (hierna: IOV) is aan een groot deel van de gronden in het plangebied waar het klim- en educatiebos met avonturenpad is voorzien de aanduiding "NNB" toegekend.

7.4.    Artikel 3.15 van de IOV ‘Bescherming Natuur Netwerk Brabant’ luidt:

1. Een bestemmingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant:

a. strekt tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken;

b. bevat regels gericht op de bescherming van de ecologische waarden en kenmerken en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken;

c. staat, zolang het Natuur Netwerk Brabant niet is gerealiseerd, bestaande bebouwing en bestaande planologische gebruiksactiviteiten toe.

2. Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.

Voor het NNB ter plaatse geldt het natuurbeheertype en de ambitie 'droog bos met productie' (N16.03). Uit de omschrijving van dit type (zie bijlage 1) komt naar voren dat dit type bestaat uit verschillende veelal van oorsprong aangeplante, bosopstanden van den, (winter)eik, beuk, Douglas, lariks of fijnspar. Het betreft een omvangrijk (algemeen) bostype waarin de diversiteit (nog) relatief laag is door o.a. de uniforme aanleg en beheer in het verleden, door de jonge leeftijd van de bossen en onvoldoende abiotische kwaliteit als gevolg van verzuring en vermesting. De betekenis van de diversiteit van dit beheertype bestaat vooral uit paddenstoelen, korst- en bladmossen, enkele vaatplanten, insecten en broedvogels. Er wordt gestreefd naar het behoud dan wel ontwikkeling van bos met algemene natuurwaarden, waarin menselijk beheer vaak nodig is om dynamiek, variatie en vestigingsmilieus te bevorderen.

7.5.    In het plan is aan de gronden die zijn gesitueerd in het NNB de bestemming "Natuur" toegekend. Twee klimparcoursen en een klein deel van het derde klimparcours met tokkelbaan zijn gesitueerd op gronden met de bestemming "Natuur" en in het NBB. De twee klimparcoursen zijn op de verbeelding voorzien in bomen in het educatiebos met avonturenpad.

7.6.    Volgens de notitie "Gemeente Nuenen-advies Lieshoutseweg 6" van de Bosgroep Zuid Nederland van 30 augustus 2018 en de quickscan flora en fauna van 31 augustus 2016, die is uitgevoerd door Tritium, die de raad aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd en die als bijlage 2 en 6 bij de plantoelichting zijn gevoegd, zijn de effecten op het NNB van deze onderdelen van het planvoornemen beperkt.

In de quickscan staat dat reeds sprake is van verstoring ten gevolge van zowel de drukke Lieshoutseweg als van het huidige parkeren en recreëren in de directe omgeving. Verder staat in de quickscan dat door de aard en de relatief beperkte omvang van de ingreep ook in vergelijking met het huidig gebruik geen negatief effect is te verwachten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNB. In de notitie is vermeld dat door de aanwezige beplanting (waaronder de oeverbegroeiing) te respecteren en door het klim- en educatiebos met avonturenpad zoveel mogelijk te integreren in die beplanting, de verstoring van de natuurwaarden tot een minimum wordt beperkt.

De realisatie van het klim- en educatiebos met daaronder het avonturenpad is voorzien in het bos, aansluitend aan de open plek en in de nabijheid van de bebouwing ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - klim- speel- en educatiebos met avonturenpad". De voorziene tokkelbaan kan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - tokkelbaan" worden opgericht. Voor het betreden van het bos zelf, waaronder het klim- en educatiebos, wordt gebruik gemaakt van de bestaande paden. Ook het tracé van het avonturenpad volgt de reeds aanwezige paden in het bos. De bosbodem wordt intact gelaten. In de quickscan staat dat er alleen een dode appelboom zal worden gekapt. In de quickscan en de notitie van de Bosgroep staat verder dat er voor het realiseren van het klim- en educatiebos met avonturenpad geen bomen worden gekapt en dat de bosbodem behouden blijft. In het akoestisch onderzoek van Tritium van 10 oktober 2019, dat als bijlage 3 bij de plantoelichting is gevoegd, is vastgesteld dat door de aangrenzende provinciale weg het plangebied reeds verstoord is en dat door de realisatie van het klim- en educatiebos met het avonturenpad geen verdere verstoring of verslechtering van het NNB zal plaatsvinden.

In de verschillende onderzoeken is geconcludeerd dat het functioneren van het NNB niet extra wordt belemmerd door de nieuwe ontwikkeling.

Ten slotte is vermeld dat er een landschappelijk inpassing van de ontwikkeling zal plaatsvinden waarmee het planvoornemen wordt geïntegreerd binnen de bestaande natuur, aldus de rapporten.

7.7.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat er voor het realiseren van het klim- en educatiebos met avonturenpad geen bomen worden gekapt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is verder gebleken dat ter plaatse van het educatiebos de letterzetter (een kever) is aangetroffen en dat de provincie Noord-Brabant mogelijk in verband daarmee heeft besloten om bomen te kappen. Op grond van artikel 4.5.3, is het kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting, als bedoeld in artikel 4.5.1, toelaatbaar, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige natuur- en landschapswaarden. De planregels bieden naar het oordeel van de Afdeling voldoende waarborgen tegen onnodige bomenkap. In de hiervoor besproken rapporten is ook in aanmerking genomen dat het een plan betreft met een beperkte omvang. Daarbij is geen aandacht geschonken aan de bezoekersaantallen. Nu in de bovengenoemde rapporten de beperkte omvang van de ontwikkeling van belang is geacht, is ook voor het antwoord op de vraag of het gebruik als klim- en educatiebos zich verdraagt met artikel 3.15 van het IOV van belang dat in de planregels is geborgd dat er een kleinschalige ontwikkeling met een regeling voor bezoekersaantallen komt, zoals hiervoor onder 5 is overwogen. Intensieve recreatie is immers niet mogelijk binnen het NNB. Nu in de rapporten wordt geconcludeerd dat de omvang zich verdraagt met artikel 3.15 van het IOV, berust het bestreden besluit, voor zover daar de onderzoeksrapporten naar het NNB aan ten grondslag zijn gelegd en de raad op basis daarvan tot het standpunt is gekomen dat het plan in overeenstemming is met artikel 3.15 van het IOV, niet op een deugdelijke motivering en is het niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. De betogen slagen.

Verlichting

8.       [appellant sub 2] en anderen betogen dat verlichting binnen de bestemming "Natuur" op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan maar dat de raad zou hebben besloten dat in het stuk natuur wel verlichting mag worden aangebracht. Zij verwijzen hiervoor naar een brief van de gemeente met kenmerk 2020.032422 van 4 maart 2020.

8.1.    In artikel 4.4 van de planregels, waarin specifieke gebruiksregels voor gronden met de bestemming "Natuur" zijn opgenomen, staat dat het aanbrengen van verlichting niet is toegestaan. De planregels zijn bindend. Overigens heeft de raad toegelicht dat de brief waarop [appellant sub 2] en anderen wijzen een verschrijving bevat op het punt van de verlichting. Het betoog faalt.

Kelder

9.       [appellant sub 1] stelt dat het mogelijk maken van een kelder onder de multifunctionele horecaruimte in artikel 7.4 van de planregels zal leiden tot aantasting van archeologische waarden, zoals die zijn beschreven in hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.1. en de archeologische beleidskaart in de plantoelichting.

9.1.    Bij de vaststelling van het bestemmingsplan diende de raad artikel 38a van de Monumentenwet 1988, dat gelet op artikel 9.1 van de Erfgoedwet ten tijde van de vaststelling van het plan van toepassing was, in acht te nemen.

9.2.    Artikel 38a van de Monumentenwet 1988 luidt:

"De gemeenteraad houdt bij de vaststelling van een bestemmingsplan (…) en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten."

Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

9.3.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

9.4.    Artikel 38a van de Monumentenwet 1988 strekt met name tot het behoud van monumenten van archeologie. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:309, volgt dat het behoud van archeologische waarden een algemeen belang is. Artikel 38a van de Monumentenwet 1988 strekt niet tot bescherming van het belang van een appellant, wanneer het belang waarvoor hij bescherming zoekt is gelegen in het belang om gevrijwaard te blijven van de ruimtelijke invloed van het plan voor zijn woon- en leefklimaat of voor zijn bedrijfsvoering.

9.5.    [appellant sub 1] wenst gevrijwaard te blijven van de komst van "Het Boshuys" en de nadelige effecten op haar woonomgeving. De normen uit de Monumentenwet 1988 waarop zij zich beroept, strekken niet tot bescherming van de belangen waarvoor zij in deze procedure bescherming zoekt en derhalve kan haar betoog niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Afdeling ziet gelet hierop af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

Natura-2000 gebieden

10.     [appellant sub 3] betoogt dat de raad niet of ontoereikend heeft onderzocht of de ontwikkelingen in het plangebied zullen leiden tot een toename van stikstof en of dit gevolgen heeft voor de Natura-2000 gebieden "Strabrechtse Heide & Beuven" en "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux".

10.1.  [appellant sub 3] beroept zich op de normen die zijn neergelegd in bepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb). De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van onder meer plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 3]. Uit de uitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.49 en 10.53, volgt dat deze bepalingen strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden, terwijl het voor [appellant sub 3] gaat om onder meer het belang dat hij gevrijwaard blijft van nadelige gevolgen van het plan voor zijn won- en leefomgeving. Uit de overzichtsuitspraak, onder 10.51, volgt daarnaast dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De afstand tussen de gronden van [appellant sub 3] en de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is ongeveer 8,5 en 9,5 kilometer van de meest nabij gelegen Natura-2000 gebieden "Strabrechtse Heide & Beuven" en "Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux", zodat deze gebieden geen onderdeel van zijn woon- en leefomgeving vormen. De Afdeling ziet, gelet hierop af van een inhoudelijke bespreking.

Aantasting woon- en leefklimaat voor het overige.

11.     [appellant sub 3] betoogt dat uit de door hem ingebrachte contra-expertise "Zichtlijnen" van 12 mei 2020 van De Roever Omgevingsadvies blijkt dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat wat betreft inkijk en privacy. In de contra-expertise staat dat het plan niet ziet op het voorkomen van vrij zicht vanuit de verschillende onderdelen van het te realiseren natuur-, klim-, speel- en educatiebos richting de tuin bij zijn woning. Uit het fotoverslag blijkt dat de aanwezige bomen tot op grote hoogte vrij zijn van takken en bladeren en dat er vanuit zijn tuin vrij zicht is richting het te realiseren klim-, speel- en educatiebos met avonturenpad.

Hij stelt dat omdat er op grond van de planregels voorzieningen tot een hoogte van 12 m mogen worden gerealiseerd, de bestemmingsplanregels niet zien op het voorkomen van vrij zicht richting zijn tuin bij de woning door personen die op een plateau van 12 m hoog staan. Daarnaast ziet artikel 4.2.2, onder a, van de planregels alleen op de plateaus maar niet op (zip)lijnen in combinatie met objecten c.q. hindernissen, klimparcoursen, een tokkelbaan en voorzieningen voor de bereikbaarheid van de plateaus vanaf de grond, die mogelijk zijn gemaakt in artikel 4.2.2, lid b, c en d van de planregels. Verder moet op grond van artikel 4.2.2, lid e, van de planregels de minimale afstand van de klimparcoursen tot de zijdelingse perceelsgrens van de nabijgelegen woningen minstens 10 m bedragen. In dit artikel worden alleen de klimparcoursen genoemd en niet de overige onderdelen, zoals de plateaus, (zip)lijnen in combinatie met objecten c.q. hindernissen, een tokkelbaan en voorzieningen voor de bereikbaarheid van de plateaus vanaf de grond. Uit het fotoverslag in de bijlage bij deze adviesmemo blijkt dat een afstand van 10 m niet voldoende is om vrij zicht richting de tuinen van woningen te voorkomen.

Ten slotte heeft [appellant sub 3] betoogt dat een naastgelegen bosperceel voor 100% is aangetast door de letterzetter en dus gerooid moet worden, wat zal leiden tot meer open zichtlijnen richting zijn perceel. Ook op zijn gronden aan de [locatie 1] en bij nrs. 4a en 6 moeten bomen worden verwijderd door de letterzetter met hetzelfde zichteffect.

11.1.  De kortste afstand van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - tokkelbaan" tot de tuin van [appellant sub 3] bedraagt ongeveer 49 m. De kortste afstand van de gronden met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - klim- speel- en educatiebos met avonturenpad" tot die tuin bedraagt ongeveer 26 m. Op grond van artikel 4.2.2, aanhef en onder e, moeten de klimparcoursen op de gronden met de bestemming "Natuur" en de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - klim- speel- en educatiebos met avonturenpad" een minimale afstand van 10 m hebben tot de zijdelingse perceelsgrens van de nabijgelegen woningen. Daarmee bedraagt zoals de raad in productie 6 bij het verweer heeft geïllustreerd de afstand van de gronden met de bestemming "Natuur" waar de klimparcoursen kunnen komen en de tuin van [appellant sub 3] ongeveer 36 m.

11.2.  De Afdeling overweegt dat niet is uitgesloten dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 3], wat betreft de aspecten inkijk en privacy, door het plan nadelig zal worden beïnvloed. Gelet op de hoogten en afstanden die hiervoor zijn genoemd, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 3] niet zodanig zal worden aangetast dat hieraan een doorslaggevend belang moet worden toegekend.

Voor de bestemming "Natuur" zijn in artikel 4.2.2, de regels voor het mogen bouwen van het klimparcours vastgelegd. Op grond van artikel 4.2.2, aanhef en onder a, van de planregels is [partij] verplicht een vrij uitzicht van de plateaus naar de tuinen te voorkomen. Dat kan, aldus de raad, worden gerealiseerd door bijvoorbeeld het ophangen van een camouflagenet of doek aan de zijkant van de plateaus of elders om de woning aan het zicht te onttrekken. Anders dan [appellant sub 3] heeft betoogd, ziet artikel 4.2.2, onder b, van de planregels op (zip)lijnen in combinatie met objecten c.q. hindernissen noodzakelijk in de vorm van het klimparcours en niet op het bevestigen van een camouflagenet of doek. De in dit artikelonderdeel vermelde hoogte van 12 m heeft dan ook geen betrekking op het bevestigen van een camouflagenet of doek. Anders dan [appellant sub 3] heeft betoogd staat het plan er derhalve niet aan in de weg om dergelijke maatregelen te treffen.

Gelijk [appellant sub 3] betoogt, ziet artikel 4.2.2, onder a, van de planregels alleen op de plateaus en niet op de overige onderdelen van het klimpark. De raad heeft echter in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat het opnemen van de andere onderdelen voor het beschermen van de privacy en het voorkomen van inkijk niet noodzakelijk was. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad hierbij in aanmerking kunnen nemen dat de plateaus de hoogste punten zijn van het klimpark en plaatsen betreffen waar doorgaans wat langer wordt verbleven. Vanaf de ziplijnen en tokkelbaan zal het, ook gelet op de situering van de klimparcoursen, de activiteiten die daar plaatsvinden en de snelheid waarmee de activiteiten plaatsvinden, doorgaans lastig worden om tijdens de activiteiten vrij zicht op de tuinen en terrassen in de omgeving te hebben.

Uit de stukken is verder gebleken dat bepaalde delen van de tuin van [appellant sub 3] vanaf het klimpark zijn te zien. De door [appellant sub 3] overgelegde foto’s, noch hetgeen is aangevoerd omtrent de letterzetter brengen de Afdeling tot het oordeel dat het plan door de inbreuk op de privacy en inkijk onaanvaardbaar is. De betogen falen.

Halfverharding Moorven

12.     [appellant sub 3] en [appellant sub 1] betogen dat het plan niet uitvoerbaar is voor wat betreft het aanbrengen van de halfverharding op een deel van de Moorven, zoals is opgenomen in artikel 10.3.3, van de planregels. Zij stellen dat de Moorven in het op 1 november 2018 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Nuenen" ligt. Ingevolge dit plan geldt voor deze openbare weg de bestemming "Verkeer-onverhard" en die maakt, aldus [appellant sub 3] en [appellant sub 1], geen halfverharde wegen mogelijk. Verder stellen zij dat het onduidelijk is of een halfverharde weg in overeenstemming is met het NNB. [appellant sub 1] betoogt dat kabels, leidingen en de riolering die naar haar woning lopen onder de halfverharding komen te liggen en daarom niet meer bereikbaar zijn in geval van storingen.

12.1.  De raad stelt dat de halfverharding uitvoerbaar en mogelijk is op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

12.2.  Het plangebied zal worden ontsloten via de Moorven. De Moorven ontsluit zelf weer op de Lieshoutseweg. Op grond van artikel 10.3.3, van de planregels zal op de Moorven, tussen de aansluiting op de Lieshoutseweg en de ontsluiting van het plangebied bij de ingang van het parkeerterrein, een halfverharding moeten worden aangelegd. Nu is dat nog een zandpad. Vast staat dat het desbetreffende deel van de Moorven geen deel uitmaakt van het NNB. De raad heeft naar voren gebracht dat ook indien er kabels, leidingen of riolering onder dit gedeelte van de Moorven zijn gelegen, deze na het aanbrengen van de halfverharding bij eventuele storingen bereikbaar zullen zijn. Het tegendeel is ook niet aannemelijk gemaakt. Het deel van de Moorven waar de halfverharding is voorzien ligt in het bestemmingsplan "Buitengebied Nuenen". Ingevolge dit bestemmingsplan rust op deze gronden de bestemming "Verkeer-onverhard". Niet staat vast dat op deze gronden halfverharde wegen mogelijk zijn. Maar zelfs indien het bestemmingsplan "Buitengebied Nuenen" op dit punt aanpassing zou behoeven laat dat onverlet dat voor het aanbrengen van de halfverharding een omgevingsvergunning voor afwijken als bedoeld in artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verleend. [appellant sub 3] en [appellant sub 1] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het plan op dit punt niet uitvoerbaar is omdat een dergelijke vergunning niet zal kunnen worden verleend. Het betoog faalt.

Financieel-economische uitvoerbaarheid

13.     [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad geen volledig inzicht heeft verschaft in de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan omdat hij niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze bij het beoordelen daarvan rekening is gehouden met mogelijke planschadeclaims. Er is ten onrechte geen risicoanalyse planschade gemaakt, althans niet is duidelijk of die is gemaakt.

13.1.  In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financiële uitvoerbaarheid, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd. De Afdeling meent dat zich dit hier niet voordoet. De gemeente en [partij] hebben een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. Mocht een eventueel verzoek om tegemoetkoming in planschade worden toegewezen, dan zal deze door [partij] moeten worden betaald. Niet is op voorhand gebleken dat het plan tot zodanige planschadevergoedingen zal leiden dat [partij] die niet zou kunnen vergoeden. Het betoog faalt.

Conclusie

14.     Gelet op hetgeen onder 5.2 is overwogen, is het bestreden besluit, voor zover het betreft de vaststelling van de artikelen en 3.1, onder e, en 4.1.1, onder c, van de planregels, in strijd met de rechtszekerheid. Dat betekent tevens dat zoals onder 5.3 is overwogen het bestreden besluit, voor zover daaraan de onderzoeksrapporten met betrekking tot het aantal verkeersbewegingen, de verkeersveiligheid, de benodigde parkeerbehoefte en het geluid ten grondslag zijn gelegd, onzorgvuldigheden bevat omdat in die rapporten geen rekening is gehouden met hogere bezoekersaantallen dan de bezoekersaantallen die in de beide planregels worden genoemd. In zoverre is het besluit in strijd met de artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb.

15.     De overige beroepsgronden die in het kader van het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid naar voren zijn gebracht en hierboven niet zijn behandeld, zullen mogelijk na het herstellen van de in deze uitspraak geconstateerde gebreken worden besproken.

16.     Gelet op hetgeen onder 7.7 is overwogen, is het bestreden besluit, voor zover daaraan onderzoek naar het NNB ten grondslag is gelegd en dit de raad tot het standpunt heeft gebracht dat het plan in overeenstemming is met artikel 3.15 van het IOV, in strijd met de artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb.

Lus

17.     De Afdeling ziet, in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het besluit tot vaststelling van het plan binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

18.     De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 5.2 in de artikelen 3.1, onder e, en 4.1.1, onder c, van de planregels of anderszins in het plan te borgen dat het daadwerkelijk om een kleinschalige ontwikkeling gaat. Daartoe dient de raad duidelijk te regelen hoeveel bezoekers er op enig moment maximaal tegelijk in het klim-, speel- en educatiebos kunnen verblijven op de gronden met de bestemmingen "Horeca" en "Natuur" en hoeveel bezoekers er gedurende de openingstijden maximaal per dag in het klim-, speel- en educatiebos kunnen verblijven. De raad zal het bestreden besluit in zoverre dienen te wijzigen door een passende planregeling voor dit onderdeel vast te stellen.

19.     De raad dient voorts met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 5.3 en onder 18 aan de hand van onderzoeksrapporten naar het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid inzichtelijk te maken en te motiveren of, en zo ja, waarom het plan voor wat betreft het verkeer, de verkeersveiligheid, het parkeren en het geluid in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

20.     De raad dient ten slotte met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 7.7 en onder 18 aan de hand van een onderzoek naar de gevolgen voor het NNB te motiveren dat het plan zich verdraagt met artikel 3.15 IOV.

21.     De raad behoeft geen toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Dit betekent dat niet eerst een nieuw ontwerpbestemmingsplan ter inzage hoeft te worden gelegd.

22.     De Afdeling zal in de einduitspraak beslissen over de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Nuenen, Gerwen en Nederwetten op om:

- binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 18, 19, 20 en 21 is overwogen de daar omschreven gebreken te herstellen, en - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst daarvan mee te delen en het gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2021

224.

 

Bijlage

 

Regels uit het bestemmingsplan "Lieshoutseweg 6, Nuenen"

Artikel 1.26

De definitie van een klim- speel- en educatiebos met avonturenpad is een bos waarin met behulp van touwen, kabels en houten platforms routes zijn uitgezet door de bomen in combinatie met de mogelijkheid om te spelen en te leren aan de hand van informatieborden.

Artikel 3.1

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. restaurant met bijbehorend terras, vallend onder lichte horeca (horecabedrijven uit categorie 1 a, b en c) zoals opgenomen in Bijlage 1 Staat van horeca-activiteiten;

b. multifunctionele horecaruimte, vallend onder lichte horeca (horecabedrijven uit categorie 1 a en b) zoals opgenomen in Bijlage 1 Staat van horeca-activiteiten, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - multifunctionele horecaruimte;

c. bed & breakfast tot maximaal 4 bedden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast’;

d. wonen in bedrijfswoning op de eerste verdieping ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', daaronder begrepen aan-huis-gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten;

alsmede voor:

e. klim-, speel en educatiebos met avonturenpad met een maximaal daggemiddelde van 50 bezoekers, bestaande uit maximaal twee klimparcoursen en één klimparcour in combinatie met een tokkelbaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - klim-, speel- en educatiebos met avonturenpad';

en:

f. parkeervoorzieningen met bijbehorende ontsluiting, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein’;

g. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, groen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Artikel 3.2.2, aanhef en onder i

Voor het bouwen van voorzieningen in de vorm van één tokkelbaan, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - klim-, speel- en educatiebos met avonturenpad' gelden de volgende regels:

er mag uitsluitend één tokkelbaan als onderdeel van een klimparcours ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - tokkelbaan worden gerealiseerd in samenhang met het bepaalde in 4.2.2.

Artikel 4.1.1 luidt:

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;

b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

c. klim- speel- en educatiebos met avonturenbos met een maximaal daggemiddelde van 50 bezoekers, bestaande uit maximaal twee klimparcoursen en één klimparcour in combinatie met een tokkelbaan, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - klim- speel- en educatiebos met avonturenpad',

alsmede voor:

d. extensief recreatief medegebruik;

en

e. paden en erftoegangswegen.

Artikel 4.2.2

Voor het bouwen van voorzieningen in de vorm van klimparcoursen, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - klim-, speel en educatiebos met avonturenpad' gelden de volgende regels:

a. in de bomen mogen plateaus met een maximum oppervlak van 3,0 m2 worden aangebracht, waarbij er geen vrij zicht mag zijn op tuinen bij woningen;

b. tussen de bomen mogen (zip)lijnen in combinatie met objecten c.q. hindernissen noodzakelijk in de vorm van het klimparcours worden aangebracht tot een maximum hoogte van 12 meter;

c. er mogen maximaal twee klimparcoursen worden gerealiseerd en maximaal één klimparcour in combinatie met tokkelbaan, waarbij de tokkelbaan uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - tokkelbaan' mag worden gerealiseerd;

d. het aanbrengen van voorzieningen voor de bereikbaarheid van de plateaus vanaf de grond;

e. De minimale afstand van de klimparcoursen tot de zijdelings perceelsgrens van de nabijgelegen woningen dient 10 meter te bedragen.

Artikel 4.2.3

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

a. afrasteringen met een maximale bebouwingshoogte van 2 m uitsluitend zijn toegestaan op een afstand van minimaal 10 m vanaf de bestemmingsgrens; de overige afrasteringen mogen niet hoger zijn dan 1 m.

Artikel 4.4

Met betrekking tot gebruik gelden de volgende regels:

a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. het aanbrengen van verlichting is niet toegestaan.

Artikel 4.5.1

Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Natuur' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden uit te voeren:

a. het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, egaliseren, ontginnen, ophogen en het diepploegen en diepwoelen van de bodem;

b. het aanleggen van bestratingen of andere oppervlakteverhardingen;

c. het aanleggen, veranderen of dempen van waterlopen, alsmede het verwijderen van oevervegetaties;

d. het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting.

Artikel 4.5.3

De werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 4.5.1 zijn toelaatbaar, mits:

geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de aanwezige natuur- en landschapswaarden.

Artikel 7.4

Tenzij anders bepaald in hoofdstuk 2, zijn kelders uitsluitend toegestaan onder de hoofdgebouwen van (bedrijfs)woningen, uitgezonderd ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van horeca-multifunctionele horecaruimte" waar een kelder is toegestaan gelijk aan het gebouw bovengronds tot een van maximum diepte van 2,5 meter ten behoeve van opslag en voorzieningen voor een regeninstallatie.

Artikel 10.3.3

Voorwaardelijke verplichting halfverharding

Gronden mogen niet worden gebruikt ten behoeve van de functies zoals bedoeld in artikel 3 en 4 als het aanbrengen van een halfverharding tussen de aansluiting van de Lieshoutseweg en de ingang van het parkeerterrein niet heeft plaatsgevonden.