Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2081

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
202100332/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een aanvraag van de maatschap om subsidie in het kader van de Subsidieregeling Plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020 afgewezen. De Subsidieregeling is onder andere bedoeld om jonge landbouwers te ondersteunen bij fysieke investeringen in de verduurzaming van hun landbouwbedrijf. De maatschap heeft op 4 februari 2019 een aanvraag om subsidie in het kader van de Subsidieregeling gedaan voor het aanleggen van een emissiearme roostervloer in een ligboxenstal en voor de aanschaf van een mestrobot. Bij de aanvraag heeft de maatschap vermeld dat de samenstelling van de maatschap zoals die op de bij de aanvraag overgelegde maatschapsakte van september 2014 staat, met terugwerkende kracht per 1 januari 2019 wordt aangepast. Die aanpassing houdt in dat de maatschap niet langer uit drie maten, te weten [maat 1] (1952), [maat 2] (1982) en [maat 3] (1981), bestaat, maar alleen nog uit deze laatste twee.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202100332/1/A2.

Datum uitspraak: 15 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] (hierna: de maatschap), gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 november 2020 in zaak nr. 19/3319 in het geding tussen:

de maatschap

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2019 heeft het college een aanvraag van de maatschap om subsidie in het kader van de Subsidieregeling Plattelandsontwikkelingsprogramma 3 Noord-Brabant 2014-2020 (hierna: de Subsidieregeling) afgewezen.

Bij besluit van 4 november 2019 heeft het college het door de maatschap daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 november 2020 heeft de rechtbank het door de maatschap daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de maatschap hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 22 juli 2021, waar de maatschap, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B] en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.C. Brekelmans-van Aert en ing. J.H.J. Sponselee, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       De Subsidieregeling is onder andere bedoeld om jonge landbouwers te ondersteunen bij fysieke investeringen in de verduurzaming van hun landbouwbedrijf. De maatschap heeft op 4 februari 2019 een aanvraag om subsidie in het kader van de Subsidieregeling gedaan voor het aanleggen van een emissiearme roostervloer in een ligboxenstal en voor de aanschaf van een mestrobot. Bij de aanvraag heeft de maatschap vermeld dat de samenstelling van de maatschap zoals die op de bij de aanvraag overgelegde maatschapsakte van september 2014 staat, met terugwerkende kracht per 1 januari 2019 wordt aangepast. Die aanpassing houdt in dat de maatschap niet langer uit drie maten, te weten [maat 1] (1952), [maat 2] (1982) en [maat 3] (1981), bestaat, maar alleen nog uit deze laatste twee. Op het moment van de aanvraag was deze wijziging nog niet in een akte vastgelegd, maar de maatschap heeft bij de aanvraag toegelicht dat eerstgenoemde maat al wel was uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (KvK) en geen bedrijfshoofd meer was.

Wettelijk kader

2.       Het relevante wettelijke kader, zoals dat toen luidde, wordt gevormd door de volgende artikelen van hoofdstuk 2, paragraaf 4 (Fysieke investeringen in verduurzaming van landbouwbedrijven van jonge landbouwers) van de Subsidieregeling:

Artikel 2.4.1 Doelgroep

Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden aangevraagd door jonge landbouwers.

Artikel 2.4.4 Subsidievereisten

1. Om als jonge landbouwer als bedoeld in artikel 2.4.1, te worden aangemerkt, voldoet de aanvrager aan de volgende vereisten:

[…]

d. aanvrager heeft alleen of gezamenlijk met andere landbouwers daadwerkelijke langdurige zeggenschap over het landbouwbedrijf als bedoeld onder c, met betrekking tot beslissingen op het gebied van:

1°. beheer;

2°. voordelen; en,

3°. financiële risico's.

[…]

6. Van daadwerkelijk langdurige zeggenschap als bedoeld in het eerste lid onder d, is sprake indien:

a. aanvrager tenminste een blokkerende zeggenschap heeft ter zake van ondernemingsbeslissingen met een financieel belang van meer dan € 25.000; b. aanvrager tenminste mede belast is met de dagelijks bedrijfsvoering.

7. De blokkerende zeggenschap als bedoeld in het voorgaande lid, blijkt, afhankelijk van de rechtsvorm van het landbouwbedrijf, uit:

a. statuten van de rechtspersoon; of,

b. een schriftelijke door alle partijen ondertekende overeenkomst;

8. Van blokkerende zeggenschap, als bedoeld in het zesde lid, is geen sprake indien:

a. de schriftelijke overeenkomst als bedoeld in het zesde lid, onder b, eenzijdig kan worden opgezegd door elk van de partijen;

b. aanvrager commanditaire vennoot is.

[…].

Artikel 2.4.7 Vereisten subsidieaanvraag

Subsidieaanvragen worden ingediend binnen de tenderperiode van 3 december 2018, vanaf 09.00 uur tot en met 8 februari 2019, tot 17.00 uur.

Artikel 2.4.9 Subsidiehoogte

[…]

2. De subsidie, bedoeld in het eerste lid, wordt, indien op het moment van aanvraag naast jonge landbouwers ook niet-jonge landbouwers bedrijfshoofd zijn, verlaagd met 20% per bedrijfshoofd dat niet-jonge landbouwer is, tot een verlaging van maximaal 80%.

[…]

6. Geen subsidie wordt verstrekt indien het subsidiebedrag lager is dan € 10.000.

Besluitvorming door het college

3.       Op basis van het goedgekeurde investeringsbedrag heeft het college een subsidiebedrag berekend van € 11.742,13. Op grond van artikel 2.4.9, tweede lid, van de Subsidieregeling wordt de subsidie echter, indien op het moment van aanvraag naast jonge landbouwers ook niet-jonge landbouwers bedrijfshoofd zijn, verlaagd met twintig procent per bedrijfshoofd dat niet als jonge landbouwer kan worden aangemerkt. Op grond van de door de maatschap overgelegde maatschapsakte komt het college tot de conclusie dat [maat 1] bedrijfshoofd is (in de zin van de Subsidieregeling) en gelet op zijn leeftijd, ouder dan 40 jaar, moet worden aangemerkt als ‘niet-jonge landbouwer’. Daarom is het subsidiebedrag verlaagd met 20%. Dit daalt daardoor tot onder de € 10.000,- zodat het drempelbedrag als bedoeld in artikel 2.4.9, zesde lid, van de Subsidieregeling niet wordt gehaald. Bij het besluit van 4 juni 2019 heeft het college de aanvraag van de maatschap daarom afgewezen. Het college heeft de afwijzing bij het besluit van 4 november 2019 gehandhaafd. Voor het college is de maatschapsakte die bij de aanvraag is overgelegd leidend bij de beoordeling van de aanvraag. Omdat het gaat om een tenderprocedure heeft het college de aanvullende informatie die de maatschap in de bezwaarprocedure heeft verstrekt, niet meegenomen bij de herbeoordeling. Het gaat daarbij om een notariële akte van 28 juni 2019 waarin is opgenomen dat [maat 1] per 1 januari 2019 uit de maatschap is getreden.

Geschil

4.       Niet in geschil is dat [maat 1] geen jonge landbouwer is als bedoeld in de Subsidieregeling. Ook is niet in geschil dat de maatschap geen recht heeft op subsidie als [maat 1] als bedrijfshoofd wordt aangemerkt en dat de subsidie wel aan de maatschap zou zijn verleend als [maat 1] niet als bedrijfshoofd wordt aangemerkt. In geschil is uitsluitend of het college op het moment van de aanvraag om subsidie van de maatschap [maat 1] terecht als bedrijfshoofd heeft aangemerkt en daarbij de maatschapsakte van september 2014 leidend heeft laten zijn.

Aangevallen uitspraak

5.       De rechtbank volgt het standpunt van het college dat het begrip ‘bedrijfshoofd’ nader wordt ingevuld door artikel 2.4.4, eerste lid, aanhef en onder d, en zesde lid van de Subsidieregeling. De rechtbank is van oordeel dat het al dan niet hebben van blokkerende zeggenschap als bedoeld in artikel 2.4.4, zesde lid, een essentieel onderdeel is bij de beantwoording van de vraag of iemand als bedrijfshoofd kan worden aangemerkt. In het zevende lid van artikel 2.4.4 is vermeld waaruit die blokkerende zeggenschap blijkt. Die blijkt, afhankelijk van de rechtsvorm van het landbouwbedrijf, uit de statuten van de rechtspersoon, of uit een schriftelijke door alle partijen ondertekende overeenkomst. In dit geval is die overeenkomst de maatschapsakte. De bij de maatschap betrokken partijen zijn daarin overeengekomen wie de maten zijn, wie als bedrijfshoofden moeten worden aangemerkt en of zij voldoende blokkerende zeggenschap hebben. Volgens de rechtbank heeft het college voor de vraag wie bedrijfshoofd is, terecht de maatschapsakte leidend laten zijn. Die akte is dus de juridische basis bij de beoordeling van de aanvraag, niet de KvK-gegevens en de door de maatschap verstrekte aanvullende informatie en toelichting. Een toelichting bij een aanvraag en de KvK-gegevens hebben niet dezelfde waarde als een maatschapsakte. Daar waar een maatschapsakte schriftelijk bewijs is waaruit volgt wie bedrijfshoofd is, kunnen gegevens van de KvK eenvoudig worden gewijzigd zonder ondersteunend bewijs. Aan de gewijzigde maatschapsakte van 28 juni 2019 kent het college volgens de rechtbank terecht geen betekenis toe. Vaste rechtspraak van de Afdeling is namelijk dat het meenemen van informatie van na de sluiting van de aanvraagtermijn zich in een tendersysteem niet verdraagt met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen (zie onder meer de uitspraak van 26 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX8283). De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep ongegrond is.

Hoger beroep

6.       De maatschap betoogt dat [maat 1] op het moment van de aanvraag, op basis van de door haar toen overgelegde informatie en gegevens, niet mocht worden aangemerkt als bedrijfshoofd. Volgens de maatschap is er een discrepantie tussen de feitelijke situatie ten tijde van de subsidieaanvraag (zoals volgt uit het uittreksel van de KvK en de bij de aanvraag verstrekte aanvullende informatie) en de overgelegde maatschapsakte. [maat 1] is bij de aanvraag niet als bedrijfshoofd opgegeven en is op 31 december 2018 uit de maatschap getreden, maar deze informatie was nog niet verwerkt in een nieuwe maatschapsakte. Uit alle informatie met uitzondering van de maatschapsakte kan worden opgemaakt dat [maat 1] op het moment van de aanvraag geen bedrijfshoofd was. Verder voert de maatschap aan dat het begrip ‘bedrijfshoofd’ in de Subsidieregeling niet nader is gedefinieerd. De rechtbank komt volgens de maatschap ten onrechte tot het oordeel dat het bij de beantwoording van de vraag of iemand als bedrijfshoofd kan worden aangemerkt van essentieel belang is dat diegene blokkerende zeggenschap heeft. Meer specifiek betoogt de maatschap dat pas aan de voorwaarden voor subsidie is voldaan als de jonge landbouwer niet alleen bedrijfshoofd is, maar ook voldoende blokkerende zeggenschap heeft. Iemand met blokkerende zeggenschap is volgens de maatschap niet per definitie bedrijfshoofd, zeker niet wanneer deze persoon volgens het handelsregister van de KvK geen maat meer is. Doordat de status van bedrijfshoofd en het hebben van blokkerende zeggenschap niet noodzakelijkerwijs samengaan, kan de maatschapsakte niet (uitsluitend) leidend zijn.

De maatschap betoogt verder dat het college in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft gehandeld. Het college heeft bij brief van 21 mei 2019 nadere informatie over de aanvraag gevraagd die vervolgens ook door de maatschap is verstrekt. Volgens de maatschap blijkt ook daaruit dat [maat 1], in afwijking van de bij de aanvraag overgelegde maatschapsakte, geen bedrijfshoofd meer was en heeft het college ten onrechte geen nader onderzoek gedaan naar de positie van [maat 1] en de vraag of hij als bedrijfshoofd zou moeten worden beschouwd.

Tendersysteem

7.       De aanvraag van de subsidie verliep volgens een zogenaamd tendersysteem. De Algemene subsidieverordening Noord-Brabant definieert in artikel 1 een tendersysteem als een "systeem waarbij alle subsidieaanvragen voor een bepaald tijdstip moeten worden ingediend, waarna op basis van kwalitatieve criteria een rangorde voor de verdeling van de subsidie wordt bepaald". De rechtbank heeft op zichzelf met juistheid gewezen op vaste rechtspraak van de Afdeling dat het meenemen van informatie die dateert van na de sluiting van de aanvraagtermijn zich niet verdraagt met de gelijktijdige onderlinge beoordeling en rangschikking van de ingediende aanvragen. Een dergelijke beoordeling staat in een tendersysteem immers centraal. Uit de aard van een tendersysteem vloeit voort dat vóór de sluiting van de aanvraagtermijn alle voor die beoordeling en rangschikking relevante gegevens moeten zijn overgelegd en dat daarna geen rekening kan worden gehouden met informatie die neerkomt op een wijziging of aanvulling van de aanvraag (zie bijvoorbeeld de door de rechtbank vermelde uitspraak en de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:408). In dit geval liep de tenderperiode ingevolge artikel 2.4.7 van de Subsidieregeling tot en met 8 februari 2019, tot 17.00 uur.

Beoordeling

8.       De Afdeling is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een wijziging of aanvulling van de aanvraag als hiervoor bedoeld. Het gaat op grond van artikel 2.4.9, tweede lid, van de Subsidieregeling om de vraag wie ten tijde van de aanvraag als bedrijfshoofd kan worden aangemerkt. Het begrip ‘bedrijfshoofd’ is in de Subsidieregeling niet gedefinieerd. Daarin is ook niet op een andere wijze bepaald wanneer sprake is van een bedrijfshoofd en ook niet hoe dat precies moet worden aangetoond. Het college sluit aan bij wat in de Subsidieregeling is opgenomen over daadwerkelijk langdurige zeggenschap. Zoals ook uit het aanvraagformulier blijkt is het verder vaste uitvoeringspraktijk van het college om bij de aanvraag een notariële akte of een door alle maten ondertekende maatschapsovereenkomst te eisen om aan te tonen wie bedrijfshoofd is. De maatschap heeft bij de aanvraag informatie verstrekt over de bedrijfshoofden. Op het aanvraagformulier is [maat 1] niet opgegeven als bedrijfshoofd. In een toelichting op de als bijlage overgelegde maatschapsakte van september 2014 is aangegeven dat de maatschap met terugwerkende kracht zal wijzigen en er nog een nieuw contract opgesteld moet worden omdat [maat 1] per 1 januari 2019 is uitgetreden. [maat 1] is volgens die toelichting uitgeschreven bij de KvK "en is dus geen bedrijfslid meer". In het besluit van 4 juni 2019 heeft het college opgenomen dat uit de aangeleverde toelichting en de gegevens van de KvK blijkt dat [maat 1] per 1 januari 2019 is uitgetreden uit de maatschap. Daaruit blijkt dat het college hiermee bekend was bij de besluitvorming op de aanvraag. De gegevens zoals deze blijken uit de later, bij het bezwaarschrift van 3 juli 2019, overgelegde maatschapsakte van 28 juni 2019 en die worden ondersteund door het KvK-uittreksel van 16 juli 2019 dat in het dossier zit, bevestigen dat [maat 1] ten tijde van de aanvraag (juridisch) geen bedrijfshoofd meer was. Daarbij gaat het niet om een materiële wijziging of aanvulling van de aanvraag, maar om een bevestiging van wat bij de aanvraag al was toegelicht over de maatschapssituatie. Het tendersysteem verzet zich er niet tegen dat daaraan betekenis toekomt. Dat de uittreding van [maat 1] met de bedrijfsoverdracht nog niet in een schriftelijke overeenkomst was vastgelegd op het moment van de aanvraag, maakt niet dat [maat 1] alleen om die reden nog steeds als bedrijfshoofd moest worden aangemerkt. Het college had, nu het aan de juistheid daarvan op zichzelf niet twijfelde, mogen uitgaan van de bij de aanvraag toegelichte situatie en bijvoorbeeld aan de subsidieverlening een voorwaarde kunnen verbinden over het alsnog overleggen van een akte waarin die situatie formeel wordt bevestigd. Het vorenstaande betekent dat het college in de specifieke situatie van dit geval [maat 1] ten onrechte als bedrijfshoofd op het moment van de aanvraag heeft aangemerkt. Het college heeft de subsidieaanvraag dan ook ten onrechte om die reden afgewezen.

Het betoog slaagt.

Conclusie

9.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het besluit van 4 november 2019 komt voor vernietiging in aanmerking. Het college moet een nieuw besluit op het bezwaar nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

10.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

11.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 27 november 2020 in zaak nr. 19/3319;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 4 november 2019, kenmerk 18065000089;

V.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.     veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij de maatschap in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.992,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan de maatschap het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 voor de behandeling van het beroep en € 541,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Dallinga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2021

18-921.