Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
202005365/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland ingestemd met het door de gemeente Haarlemmermeer ingediende deelsaneringsplan voor de locatie Zichtweg ter hoogte van 19-29 te Nieuw-Vennep. Op de locatie is vanaf medio jaren 1940 tot medio jaren 1960 een stortplaats van huisvuil gevestigd geweest. De bodem is verontreinigd geraakt met zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en bijmenging met stortmateriaal. In de huidige situatie bevinden zich daar een woonwijk en een openbare weg. De gemeente heeft het voornemen om de gronden ter plaatse van de weg te saneren in verband met het aanleggen van een drainageleiding in de rijbaan. [appellante] woont op het perceel [locatie] (hierna: perceel) dat zich in de directe omgeving van de locatie bevindt. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 maart 2020. Het college heeft het bezwaar bij besluit van 26 augustus 2020 ongegrond verklaard. [appellante] kan zich niet met dit besluit verenigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005365/1/R1.

Datum uitspraak: 15 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te [woonplaats], gemeente Haarlemmermeer,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2020 heeft het college ingestemd met het door de gemeente Haarlemmermeer ingediende deelsaneringsplan voor de locatie Zichtweg ter hoogte van 19-29 te Nieuw-Vennep (hierna: de locatie).

Bij besluit van 26 augustus 2020 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 augustus 2021, waar [appellante], vergezeld van mr. L.H.E. Drenthe, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. M. IJnsen en drs. F. de Graaf, zijn verschenen. Voorts is op de zitting de gemeente Haarlemmermeer, vertegenwoordigd door I. Grovenstein en S. Beerkens, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op de locatie is vanaf medio jaren 1940 tot medio jaren 1960 een stortplaats van huisvuil gevestigd geweest. De bodem is verontreinigd geraakt met zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en bijmenging met stortmateriaal. In de huidige situatie bevinden zich daar een woonwijk en een openbare weg. De gemeente heeft het voornemen om de gronden ter plaatse van de weg te saneren in verband met het aanleggen van een drainageleiding in de rijbaan. Verder is het voornemen het riool ter plaatse te vervangen. Ter zitting heeft de gemeente toegelicht dat ervoor is gekozen de stortlaag geheel te verwijderen om in de toekomst geen aan de verontreiniging gerelateerde beschermende maatregelen meer te hoeven nemen bij werkzaamheden in het openbare gebied.

Bij besluit van 11 maart 2020 heeft het college ingestemd met het door de gemeente ingediende deelsaneringsplan "Deelsanering Stortlaag t.h.v. Zichtweg 19 t/m 29 te Nieuw-Vennep" door Grondslag B.V. van 24 februari 2020 (hierna: deelsaneringsplan) als bedoeld in artikel 39, tweede lid, gelezen in verbinding met artikel 40 van de Wet bodembescherming. Met de sanering wordt circa 630 m2 van de totale oppervlakte van het geval dat circa 2.900 m2 bedraagt, gesaneerd.

2.       [appellante] woont op het perceel [locatie] (hierna: perceel) dat zich in de directe omgeving van de locatie bevindt. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 maart 2020. Het college heeft het bezwaar bij besluit van 26 augustus 2020 ongegrond verklaard. [appellante] kan zich niet met dit besluit verenigen, omdat volgens haar niet met een deelsanering mocht worden volstaan, althans niet zonder dat daarin ook haar eigen, in de nabijheid van de te saneren percelen gelegen, perceel wordt betrokken.

Beoordeling van het beroep

3.       [appellante] betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met de Wet bodembescherming en het door het college gevoerde beleid "Werkwijzer bodemsanering van de Provincie Noord-Holland" van oktober 2014 (hierna: de Werkwijzer bodemsanering). Daartoe voert zij aan dat de in het deelsaneringsplan opgenomen maatregelen te beperkt zijn. De sanering had zich in ieder geval ook tot haar perceel behoren uit te strekken. Volgens [appellante] heeft de deelsanering tot gevolg, althans bestaat daardoor de mogelijkheid, dat herverontreiniging van het gesaneerde gedeelte en verdere verontreiniging van de nog niet gesaneerde percelen zal plaatsvinden. Verder voert [appellante] in dit verband aan dat de onderzoeksresultaten in het rapport "Controle (bodem)onderzoek ter plaatse van de percelen Zichtweg 17-37 en 12-24 te Nieuw-Vennep", in opdracht van de provincie Noord-Holland, door HB Adviesbureau van 7 februari 2012 (hierna: bodemrapport van 7 februari 2012) zodanig zijn verouderd, dat deze niet meer representatief zijn voor de toestand van de bodem ter plaatse van het geval van verontreiniging, waaronder ook haar perceel, ten tijde van het besluit van 26 augustus 2020. Hiermee heeft het college volgens haar in strijd gehandeld met de Werkwijzer bodemsanering, waarin staat dat onderzoek in beginsel niet ouder mag zijn dan vijf jaar. Volgens [appellante] zijn de verrichte bodemonderzoeken uit 2017 en 2019 evenmin representatief, omdat deze ten onrechte alleen betrekking hebben op de gronden ter plaatse van de openbare weg.

Voorts voert [appellante] aan dat in het besluit van 26 augustus 2020 ten onrechte niet is betrokken dat zij haar perceel eveneens moet saneren. Zij wijst er in dit verband op dat de aanleg van het drainagesysteem in de openbare weg ertoe leidt dat op haar perceel een aansluiting op het gemeentelijk drainagestelsel dient te worden aangelegd. Ook stelt zij dat op haar perceel werkzaamheden in verband met het vervangen van de riolering moeten plaatsvinden.

3.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat kan worden volstaan met alleen de sanering van de verontreiniging van de gronden ter plaatse van de openbare weg in verband met de daar uit te voeren werkzaamheden. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen de Werkwijzer bodemsanering, met name paragraaf 6.2, waaruit volgt dat het van het specifieke geval afhangt of een deelsanering wordt toegestaan.

3.2.    Artikel 28 van de Wet bodembescherming luidt, voor zover van belang:

"1. Degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, doet van dat voornemen melding bij gedeputeerde staten van de betrokken provincie.

[…]"

Artikel 29 luidt, voor zover van belang:

"1. Gedeputeerde staten kunnen in een beschikking vaststellen of sprake is van een geval van ernstige verontreiniging:

1. naar aanleiding van een nader onderzoek of

b. naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 28, eerste lid.

2. Gedeputeerde staten nemen in ieder geval een beschikking:

a. op aanvraag van degene die het nader onderzoek heeft overgelegd of degene die de melding, bedoeld in artikel 28, eerste lid, heeft gedaan;

b. indien toepassing wordt gegeven aan artikel 39, eerste lid."

Artikel 39 luidt, voor zover van belang:

"1. Indien een geval van ernstige verontreiniging wordt vermoed gaat de melding, bedoeld in artikel 28, voor zover dit niet reeds ingevolge dat artikel is vereist, tevens vergezeld van de resultaten van het nader onderzoek alsmede, indien het voornemen bestaat de bodem te saneren, van de resultaten van het saneringsonderzoek en van een saneringsplan,

[…]

2. Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. […]."

Artikel 40 luidt, voor zover van belang:

"1. Indien het belang van de bescherming van de bodem zich daartegen niet verzet, kunnen gedeputeerde staten, in afwijking van de artikelen 28 en 39, toestaan bij een melding als bedoeld in artikel 28 te volstaan met het verstrekken van:

a. de resultaten van een nader onderzoek van slechts een gedeelte van de verontreiniging van de bodem en

b. een saneringsplan voor het gedeelte, bedoeld onder a.

2. De stukken, bedoeld in het eerste lid, behoeven de instemming van gedeputeerde staten. Artikel 39, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing."

3.3.    Uit de hiervoor weergegeven bepalingen, in onderling verband bezien, blijkt dat degene die - zoals in dit geval - voornemens is een sanering uit te voeren waarbij - zoals in dit geval - een vermoeden bestaat van ernstige verontreiniging, daarvan melding moet doen onder het overleggen van onder meer een saneringsplan. Naar aanleiding van die melding moet een beschikking worden genomen over de ernst en spoed, en over de instemming met het saneringsplan. Indien het belang van de bescherming van de bodem zich er niet tegen verzet, kan het bevoegd gezag ermee instemmen dat de melding, het nader onderzoek en het saneringsplan, en daarmee derhalve ook de besluiten over ernst, spoed en instemming, uitsluitend betrekking hebben op een gedeelte van het geval van verontreiniging.

3.4.    In het deelsaneringsplan staan de ter plaatse van de voormalige stortplaats uitgevoerde bodemonderzoeken beschreven. In het bodemrapport van 7 februari 2012 staan de resultaten opgenomen van het bodemonderzoek van het gehele geval van verontreiniging naar mogelijke verontreinigingen in het stortmateriaal en naar de actuele situatie van de deklaag ervan. Volgens dit rapport is een deklaag aangetroffen van gemiddeld 1,0 m dik, is de deklaag ten hoogste licht verontreinigd, maar geschikt voor de huidige gebruiksfunctie, en is geen sprake van humane, ecologische of verspreidingsrisico’s van de verontreiniging. De verontreiniging wordt, zo is in het rapport geconcludeerd, ingedeeld als een ernstig en niet spoedeisend geval van bodemverontreiniging. Nadien is in verband met het voornemen van de gemeente om een drainageleiding in de rijbaan aan te leggen in 2017 ter plaatse van de openbare weg ter hoogte van de Zichtweg 13 t/m 42 een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. In 2019 is dit onderzoek aangevuld middels een bodemonderzoek gericht op de stortlaag ter hoogte van de Zichtweg 19 t/m 29.

[appellante] heeft de resultaten van deze onderzoeken op zichzelf niet gemotiveerd bestreden.

3.5.    Voor zover [appellante] betoogt dat niet overeenkomstig artikel 40 van de Wet bodembescherming mocht worden ingestemd met een saneringsplan dat betrekking heeft op een deel van het geval van verontreiniging, overweegt de Afdeling als volgt.

De gemeente heeft, mede ter zitting, toegelicht dat de resultaten uit het bodemrapport van 7 februari 2012 geen aanleiding hebben gegeven ter plaatse van de voormalige stortplaats saneringsmaatregelen te nemen. Nadien is het voornemen ontstaan een drainagesysteem in de openbare weg aan te leggen en de gronden ter plaatse in verband met een projectmatige ontgraving te saneren. Dat leidt er, volgens de gemeente, toe dat onderscheid gemaakt kan worden tussen de verontreiniging in het te saneren openbare weggedeelte en dat van de niet te saneren percelen, waaronder het perceel van [appellante]. Naar het te saneren gedeelte in verband met de voorgenomen ontgraving is nader bodemonderzoek verricht, namelijk in 2017 en 2019.

Over de stelling van [appellante] dat het bodemrapport van 7 februari 2012 verouderd is en daarom niet representatief is om als uitgangspunt te dienen, overweegt de Afdeling het volgende. In de Werkwijzer bodemsanering - voor zover in dit verband van belang - staat opgenomen dat als uitgangspunt geldt dat onderzoek niet ouder mag zijn dan 5 jaar. Volgens deze zelfde Werkwijzer kan ouder onderzoek echter worden toegestaan, bijvoorbeeld als wordt aangetoond dat er sprake is van een immobiele verontreiniging en onderbouwd is dat er in de tussenliggende periode geen verontreiniging is toegevoegd. Het is, in aanmerking genomen dat sprake is van een reeds langdurig niet meer in gebruik zijnde stortplaats met een zogenoemde immobiele verontreiniging, niet aannemelijk dat het geval van verontreiniging zoals dat op basis van het bodemrapport van 7 februari 2012 is vastgesteld wezenlijk is gewijzigd. Gelet hierop kan de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding vinden voor de conclusie dat het college in zoverre in strijd heeft gehandeld met de Werkwijzer bodemsanering. Ook anderszins heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat het bodemrapport van 7 februari 2012 zodanig verouderd is dat redelijkerwijs niet hiervan kon worden uitgegaan. Voor zover [appellante] in dit verband erop wijst dat het college de brief van de provincie van 19 oktober 2010 aan de gemeente naar aanleiding van het deklaagonderzoek ter plaatse van de voormalige stortplaats ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, overweegt de Afdeling dat, daargelaten dat deze brief blijkens de brief van de provincie van 9 maart 2011 aan de gemeente abusievelijk is verzonden, ter plaatse in 2012, 2017 en 2019 nader bodemonderzoek is verricht. In zoverre is de inhoud van voormelde brief door deze latere bodemonderzoeken achterhaald.

Het betoog van [appellante] dat in de bodemonderzoeken van 2017 en 2019 ten onrechte niet zoals in het bodemrapport van 7 februari 2012 het gehele geval van verontreiniging in kaart is gebracht leidt niet tot het oordeel dat het college alleen al daarom niet met het deelsaneringsplan mocht instemmen. Gezien artikel 40 van de Wet bodembescherming is daarvoor slechts bepalend of het belang van de bescherming van de bodem zich niet verzet tegen deelsanering. Indien het belang van de bescherming van de bodem zich daar niet tegen verzet, mogen het onderzoek en het saneringsplan betrekking hebben op een gedeelte van het geval van verontreiniging. Niet is gebleken dat met het oog op dit belang aanleiding had moeten worden gevonden om ook het perceel van [appellante] te saneren. De vrees van [appellante] dat het uitvoeren van een deelsanering eraan in de weg staat dat in de toekomst andere delen van het geval van verontreiniging, waaronder haar perceel, worden gesaneerd, is daarvoor onvoldoende, alleen al omdat een deelsaneringsplan dit niet uitsluit.

Onder de voornoemde omstandigheden mocht het college ervan uitgaan dat het belang van de bescherming van de bodem zich niet verzet tegen een deelsanering.

3.6.    Voor zover [appellante] betoogt dat het aannemelijk is dat haar perceel eveneens moet worden gesaneerd in verband met het uitvoeren van dezelfde werkzaamheden als in het openbare gebied, overweegt de Afdeling als volgt.

De gemeente heeft, mede ter zitting, toegelicht dat gemeentelijk beleid bestaat gericht op het afkoppelen van de oude regenwaterriolering. Het aanleggen van een drainageput op de percelen van bewoners teneinde de waterafvoer buiten het openbare gebied op het nieuwe systeem aan te laten sluiten, is onderdeel van deze afkoppeling. De gemeente heeft aan de bewoners aangeboden de aanleg van een drainageput op hun percelen in het werk mee te nemen, en er daarbij op gewezen dat de verdere werkzaamheden op de percelen naar aanleiding van de afkoppeling onder de verantwoordelijkheid van de bewoners zelf valt. De eventuele opdracht van een bewoner aan de gemeente om een drainageput aan te leggen is een privaatrechtelijke overeenkomst. Daarmee is volgens de gemeente van het aanwijzen van een verplichting tot het uitvoeren van dezelfde werkzaamheden op het perceel van [appellante] als in het openbare gebied geen sprake. Verder heeft de gemeente erop gewezen dat voor het aanleggen van de drainageput niet op voorhand kan worden bepaald of dit saneringsmaatregelen met zich brengt. Om die reden staat in het besluit van 26 augustus 2020 opgenomen dat wanneer zeker is dat de saneringswerkzaamheden ten behoeve van de aanleg van een drainageput worden meegenomen in het gemeentelijke project, een melding voor de wijziging van het saneringsplan door de gemeente moet worden ingediend.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college in zoverre niet had mogen instemmen met het deelsaneringsplan, daargelaten of op het perceel van [appellante] een drainageput zal worden aangelegd. De omstandigheid dat [appellante] heeft gewezen op overige op haar perceel uit te voeren werkzaamheden, waaronder aan het riool en volgens het nader stuk in verband met voorgenomen werkzaamheden van Liander aan de gasleiding, maakt dit niet anders, omdat deze werkzaamheden op zichzelf geen deel uitmaken van de uit te voeren werkzaamheden in het openbare gebied. Er is vanuit het belang van de bescherming van de bodem evenmin aanleiding voor het oordeel dat het uitvoeren van deze werkzaamheden in het deelsaneringsplan betrokken had dienen te worden.

3.7.    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college met het deelsaneringsplan mocht instemmen.

Het betoog faalt.

4.       [appellante] voert verder aan dat het college ten onrechte voorbij gaat aan de eventuele kosten met betrekking tot het opstellen van een deelsaneringsplan in verband met het (laten) aanleggen van een drainagestelsel op haar perceel, het (laten) vervangen van de riolering op haar perceel en de schade, onder meer gelegen in waardedeling van haar onroerende zaken die zij mogelijk zal ondervinden door de aantekening in het Kadaster met betrekking tot de inhoud van het deelsaneringsplan. De Afdeling overweegt dat deze aspecten, wat daarvan ook inhoudelijk moge zijn, het perceel c.q. het onroerend goed van [appellante] betreffen en als zodanig dus geen relatie hebben met het belang van bescherming van de bodem op de deelsaneringslocatie. Gelet op het bepaalde in artikel 40 van de Wet bodembescherming staan deze aspecten dan ook niet in de weg aan de instemming door het college met het deelsaneringsplan.

5.       [appellante] heeft verzocht om de gronden van het bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen. In de overwegingen van het besluit van 26 augustus 2020 is ingegaan op deze bezwaren. [appellante] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bezwaren in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Daarom laat de Afdeling deze bij zijn beoordeling buiten beschouwing.

Conclusie

6.       Het beroep is ongegrond.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2021

195-890