Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2076

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
202102587/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 februari 2021 met kenmerk 4343880 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn beslissing om op 30 januari 2021 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 125,00, voor rekening van [appellante] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van twee platgemaakte dozen die op 30 januari 2021 tegelijkertijd zijn aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Noorderhavenkade 106 in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de dozen verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op de adreslabels op de dozen staan. [appellante] betwist niet dat de twee dozen van haar afkomstig zijn, maar stelt dat zij deze dozen in de papiercontainer heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202102587/1/R4.

Datum uitspraak: 15 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Rotterdam,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2021 met kenmerk 4343880 heeft het college zijn beslissing om op 30 januari 2021 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 125,00, voor rekening van [appellante] komen.

Bij besluit van 10 februari 2021 met kenmerk 4343885 heeft het college zijn beslissing om op 30 januari 2021 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 125,00, voor rekening van [appellante] komen.

Bij besluit van 9 maart 2021 heeft het college het door [appellante] tegen deze twee besluiten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2021, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door I. Keric, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van twee platgemaakte dozen die op 30 januari 2021 tegelijkertijd zijn aangetroffen naast een ondergrondse papiercontainer ter hoogte van de Noorderhavenkade 106 in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de dozen verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op de adreslabels op de dozen staan.

2.       [appellante] betwist niet dat de twee dozen van haar afkomstig zijn, maar stelt dat zij deze dozen in de papiercontainer heeft gedaan. Zij stelt dat zij de dozen heeft samengedrukt en daarna correct en volledig in de container heeft gegooid, waarna de klep van de container volledig is dichtgegaan. Zij wijst erop dat op de foto's bij de controlerapporten bij de besluiten van 10 februari 2021 te zien is dat de dozen platgemaakt zijn. Zij wijst er verder op dat op deze foto's te zien is dat het deurtje aan de achterkant van de container open stond, waardoor er afval uit de container kon worden gehaald. Zij vermoedt dat iemand anders haar dozen uit de container heeft gehaald en ernaast heeft gezet om zijn of haar eigen afval in de container te kunnen doen. Daarbij licht zij toe dat enkele buurtbewoners een sleutel hebben van het deurtje aan de achterkant van de container. Volgens haar komt het vaker voor dat het deurtje open staat.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

2.2.    Door de adreslabels zijn de dozen tot [appellante] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat zij de overtreder is, tenzij zij aannemelijk maakt dat zij niet degene is geweest die de dozen verkeerd heeft aangeboden. Haar verklaring dat zij de dozen correct en volledig in de container heeft gegooid, is onvoldoende objectief om dat aannemelijk te maken. De omstandigheid dat zij de dozen had samengedrukt om ze in de klep van de container te kunnen doen, betekent nog niet dat zij de dozen daadwerkelijk in de container heeft gedaan. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het deurtje aan de achterkant van de container is opengezet door de toezichthouder en dat het deurtje gesloten was toen de toezichthouder de dozen van [appellante] naast de container aantrof. Verder heeft het college toegelicht dat de bewoners die een sleutel van het deurtje hebben, weten dat zij een melding moeten doen als zij de sleutel hebben gebruikt en dat zij eventueel verwijderde dozen moeten meenemen en niet naast de container mogen laten staan. In het verweerschrift heeft het college toegelicht dat het niet mogelijk is om dozen die correct in de container zijn gedaan, daar weer uit te halen door de klep van de container. Gelet hierop is het niet aannemelijk dat iemand anders de dozen uit de container heeft gehaald. Met haar vermoeden dat dat is gebeurd, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij niet degene is geweest die de dozen verkeerd heeft aangeboden. Het college heeft haar dan ook terecht als overtreder aangemerkt.

Het betoog faalt.

3.       [appellante] voert verder aan dat zij de dozen als één eenheid ter inzameling heeft aangeboden en dat het onredelijk is dat het college daarvoor twee keer kosten verhaalt.

3.1.    In het besluit op bezwaar heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de twee dozen afzonderlijk naast elkaar naast de container zijn aangetroffen en dat [appellante] daarom twee keer is aangeschreven voor het onjuist aanbieden van huisvuil. In beide besluiten van 10 februari 2021 staat dat de kosten van het toepassen van eenmaal bestuursdwang € 125,00 bedragen.

Op de foto's bij de controlerapporten bij de besluiten van 10 februari 2021 is te zien dat beide dozen afzonderlijk naast dezelfde container liggen, dat zij zijn platgemaakt en dat zij ongeveer even breed zijn opgevouwen. Gelet op hoe de dozen ongeveer even breed zijn opgevouwen, is het aannemelijk dat beide dozen als één bundel zijn aangeboden en pas daarna los van elkaar zijn geraakt en als twee afzonderlijke dozen zijn aangetroffen door de toezichthouder. De Afdeling acht het dan ook aannemelijk dat [appellante] de dozen als één eenheid heeft aangeboden. Dat betekent dat [appellante] slechts één overtreding heeft begaan door beide dozen verkeerd aan te bieden en dat het college ten onrechte op 10 februari 2021 twee bestuursdwangbesluiten heeft genomen vanwege deze overtreding, waarbij het twee keer het bedrag van € 125,00 voor rekening van [appellante] heeft gebracht.

Het betoog slaagt.

4.       Het beroep is gegrond. Het besluit van 9 maart 2021 moet worden vernietigd, voor zover daarbij het besluit van 10 februari 2021 met kenmerk 4343885 in stand is gelaten. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 10 februari 2021 met kenmerk 4343885 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Dit heeft tot gevolg dat als [appellante] het bedrag van tweemaal € 125,00 al heeft betaald, de gemeente eenmaal dit bedrag zal moeten terugbetalen.

5.       Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep gegrond;

II.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 9 maart 2021, kenmerk A.B.2021.4.02723 & AB.2021.4.02724/DS, voor zover daarbij het besluit van 10 februari 2021 met kenmerk 4343885 in stand is gelaten;

III.      herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 10 februari 2021, kenmerk 4343885;

IV.      bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

V.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.496,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 49,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2021