Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2069

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-09-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
202003484/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2020 heeft de raad van de gemeente Zoetermeer het bestemmingsplan "Islamitisch Cultureel Centrum" vastgesteld. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een perceel aan de Olof Palmelaan te Zoetermeer. Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer is voornemens ter plaatse een Islamitisch Cultureel Centrum te bouwen. In het bestemmingsplan wordt dit mogelijk gemaakt. Daarnaast heeft het bestemmingsplan betrekking op twee nabijgelegen percelen waarop parkeervoorzieningen ten behoeve van het Islamitisch Cultureel Centrum mogelijk worden gemaakt. De omgevingsvergunning maakt de realisatie van het Islamitisch Cultureel Centrum mogelijk. Het verkeersbesluit gaat over een parkeerverbod aan de Olof Palmelaan en de aanleg van parkeerplaatsen ter plaatse in verband met het waarborgen van de verkeersveiligheid en om te voorkomen dat de doorgang voor grote (hulp)voertuigen wordt belemmerd. [appellant] en anderen wonen in de nabijheid van de locatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003484/1/R3.

Datum uitspraak: 15 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Zoetermeer,

appellanten,

en

1.       het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer,

2.       de raad van de gemeente Zoetermeer,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Islamitisch Cultureel Centrum" vastgesteld.

Bij besluit van 21 april 2020 heeft het college een verkeersbesluit in verband met een parkeerverbodszone op een gedeelte van de Olof Palmelaan genomen.

Bij besluit van 21 april 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een Islamitisch Cultureel Centrum, het handelen in strijd met de regels van het bestemmingsplan ten behoeve van het parkeren en het maken van een uitweg.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van de op grond van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) vastgestelde Coördinatieverordening Zoetermeer.

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college en de raad hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 juni 2021, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant] en bijgestaan door mr. M.R. Plug, advocaat te Den Haag, en het college en de raad, vertegenwoordigd door G. Lindeman en E. Loeters, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het bestemmingsplan heeft betrekking op een perceel aan de Olof Palmelaan te Zoetermeer. Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer is voornemens ter plaatse een Islamitisch Cultureel Centrum te bouwen. In het bestemmingsplan wordt dit mogelijk gemaakt. Daarnaast heeft het bestemmingsplan betrekking op twee nabijgelegen percelen waarop parkeervoorzieningen ten behoeve van het Islamitisch Cultureel Centrum mogelijk worden gemaakt. De omgevingsvergunning maakt de realisatie van het Islamitisch Cultureel Centrum mogelijk. Het verkeersbesluit gaat over een parkeerverbod aan de Olof Palmelaan en de aanleg van parkeerplaatsen ter plaatse in verband met het waarborgen van de verkeersveiligheid en om te voorkomen dat de doorgang voor grote (hulp)voertuigen wordt belemmerd.

2.       [appellant] en anderen wonen in de nabijheid van de locatie waar het Islamitisch Cultureel Centrum mogelijk wordt gemaakt, te weten in de woonwijk Oosterheem te Zoetermeer. Zij kunnen zich niet verenigen met de realisatie van het Islamitisch Cultureel Centrum.

Bestemmingsplan

Ontvankelijkheid

3.       De raad betoogt dat [appellant] en anderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij het plan. De raad voert aan dat [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellant D], allen wonende in de straat Cyprus te Zoetermeer, op zodanige afstand wonen van het plan dat zij geen gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden. Daarnaast voert de raad aan dat [appellant], [appellant E], [appellant F] en [appellant G], allen wonende in de straat Hoornsemeer onderscheidenlijk Slotermeer te Zoetermeer, evenmin gevolgen van enige betekenis kunnen ondervinden van het plan gelet op de kortste afstand van ongeveer 120 m tussen de woonpercelen en het plangebied. Daarbij wijst de raad erop dat van enig zicht op de locatie waar het Islamitisch Cultureel Centrum komt realistisch gezien geen sprake is.

3.1.    [appellant] en anderen hebben in hun beroepschrift te kennen gegeven dat zij nadelige gevolgen zullen ondervinden van het plan. Daarbij wijzen zij erop dat de bewoners die op korte afstand wonen van de locatie waar het Islamitisch Cultureel Centrum is voorzien, zicht hebben op de locatie. De andere bewoners kunnen in elk geval gevolgen van enige betekenis ondervinden onder meer vanwege de toename van voetgangers en fietsers door hun woonwijk, aldus [appellant] en anderen.

3.2.    Bij uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3 tot en met 4.8, heeft de Afdeling - tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 - overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is, maar die wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is.

3.3.    De Afdeling stelt vast dat in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wro aan een ieder de mogelijkheid is geboden om over het ontwerpbestemmingsplan zienswijzen naar voren te brengen. [appellant] en anderen hebben een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpbestemmingsplan. Gelet op wat hiervoor is overwogen, kan in het midden blijven of [appellant] en anderen als belanghebbenden zijn aan te merken, omdat ook als zij dit niet zouden zijn, dit hen in beroep niet kan worden tegengeworpen. Er is daarom geen aanleiding om het beroep van [appellant] en anderen niet-ontvankelijk te achten.

Toetsingskader

4.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ontbreken reële inspraakmogelijkheden

5.       [appellant] en anderen betogen dat geen reële belangenafweging heeft plaatsgevonden. Daartoe voeren zij aan dat in paragraaf 1.2 van de plantoelichting staat dat de aanleiding voor dit plan is de overeenkomst die tussen het gemeentebestuur van Zoetermeer en het bestuur van Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer is gesloten over de aankoop van een perceel aan de Olof Palmelaan ten behoeve van de bouw van een Islamitisch Cultureel Centrum. Zij stellen voor een voldongen feit te zijn geplaatst. Zij betreuren dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om voor het tekenen van de overeenkomst hun visie op het plan te geven en mee te denken over eventuele alternatieven of een betere inpassing.

5.1.    Dit betoog van [appellant] en anderen is een herhaling van wat zij hierover in de zienswijze hebben aangevoerd. De raad is gemotiveerd op dit betoog ingegaan in de overwegingen van het bestreden besluit, namelijk in de nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Islamitisch Cultureel Centrum en ontwerpomgevingsvergunning en ontwerpverkeersbesluit, die deel uitmaakt van het besluit. De raad heeft daarin toegelicht dat een civielrechtelijke overeenkomst niet kan leiden tot een verplichting van de raad om aan gronden een bestemming te geven die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht. De raad heeft daarbij ook toegelicht dat in de overeenkomst een voorbehoud is opgenomen dat de overeenkomst alleen hoeft te worden nagekomen wanneer de ruimtelijke procedure die het Islamitisch Cultureel Centrum mogelijk maakt succesvol wordt afgerond. Verder heeft de raad erop gewezen dat omwonenden al in een eerder stadium, door het bieden van de mogelijkheid tot inspraak over het voorontwerpbestemmingsplan, de mogelijkheid is gegeven om hun belangen onder de aandacht te brengen. Volgens de raad is de voorbereidingsprocedure dan ook zorgvuldig doorlopen. [appellant] en anderen hebben in hun beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze weerlegging van de zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog faalt.

Strijd met de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012

6.       [appellant] en anderen betogen dat het plan in strijd is met artikel 2, eerste lid, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (hierna: Regeling), omdat het plan niet is vorm gegeven overeenkomstig de Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (hierna: SVBP 2012). Zij voeren aan dat uit de functielijst blijkt dat de functie "maatschappelijk" tot de hoofdgroep "Maatschappelijk" behoort en niet verenigbaar is met de bestemming "Bedrijventerrein". Volgens hen is dan ook geen sprake van een passende bestemming.

6.1.    Blijkens de verbeelding is aan het perceel waar het Islamitisch Cultureel Centrum is voorzien, voor zover hier van belang, de bestemming "Bedrijventerrein" met de functieaanduiding "maatschappelijk" toegekend.

Artikel 3.1, aanhef en onder e, van de planregels luidt:

"De voor "Bedrijventerrein" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

e. uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "maatschappelijk", tevens maatschappelijke voorzieningen."

Artikel 1.48 van de planregels luidt:

"maatschappelijke voorzieningen:

Levensbeschouwelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld gebedsruimtes met daarbij behorende sociale en culturele voorzieningen ten behoeve van bijvoorbeeld verenigingsleven en huiswerkbegeleiding alsmede ondergeschikte vormen van niet-zelfstandige detailhandel en/of niet-zelfstandige horeca ten dienste van de gebruikers van deze voorzieningen."

6.2.    In artikel 2, eerste lid, van de Regeling staat dat de raad het bestemmingsplan dient vorm te geven en in te richten overeenkomstig de SVBP 2012, die als bijlage 5 deel uitmaakt van de Regeling. In paragraaf 3.3 van de SVBP 2012 staat dat een functie als functieaanduiding in elke gewenste bestemming kan worden gebruikt. Daarnaast staat in paragraaf 5.3 van de SVBP 2012 over functieaanduidingen dat zij worden gebruikt om de gebruiksmogelijkheden binnen een bestemmingsvlak of een gedeelte daarvan nader te specificeren. Zo kan worden aangegeven dat ter plaatse alleen een bepaalde, met name genoemde functie is toegestaan of juist is uitgesloten. Functieaanduidingen kunnen ook worden gebruikt om op een bepaalde locatie een specifieke, niet bij de bestemming passende, functie toe te laten of om functies binnen een bestemming in boven elkaar gestapelde lagen mogelijk te maken, aldus de SVBP 2012. Gelet hierop is de keuze van de raad om het plan zo in te richten dat de aanduiding "maatschappelijk" deel uitmaakt van de gebruiksmogelijkheden van de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein", naar het oordeel van de Afdeling niet in strijd met de SVBP 2012. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de SVBP 2012 zich verzet tegen de gekozen inrichting van het plan in zoverre.

Het betoog faalt.

Noodzaak en behoefte

7.       [appellant] en anderen betogen dat er geen noodzaak en behoefte is aan een Islamitisch Cultureel Centrum op deze locatie. Zij voeren aan dat in de directe omgeving al enkele moskeeën zijn gevestigd, het Islamitisch Cultureel Centrum momenteel is gevestigd aan de Hodenpijlstraat 10a en de toekomstige gebruikers niet wonen in de buurt van de voorziene locatie. Daarnaast voeren zij aan dat de behoefte aan een Islamitisch Cultureel Centrum onvoldoende is onderbouwd. In dit verband voeren zij aan dat onduidelijk is waarom de nieuwe locatie door meer gebruikers zal worden gebruikt dan de huidige locatie. Volgens hen heeft de raad zich ten onrechte uitsluitend gebaseerd op de informatie die door Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer is verstrekt.

7.1.    In de plantoelichting staat over de behoefte aan het Islamitisch Cultureel Centrum dat gezien de omvang en capaciteit het Islamitisch Cultureel Centrum zich primair richt op inwoners van Zoetermeer. Gezien de ligging aan de oostkant van Zoetermeer en de aanwezigheid van andere gebedshuizen in Zoetermeer zal het Islamitisch Cultureel Centrum zelfs voornamelijk gericht zijn op de wijken aan de oostkant van de stad zoals Oosterheem en Seghwaert. Dit komt overeen met de huidige (tijdelijke) gehuurde locatie aan de Hodenpijlstraat in de wijk Oosterheem.

Voorts staat in de plantoelichting dat om de lokale behoefte in beeld te brengen is uitgegaan van informatie die de Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer heeft aangeleverd over aantallen bezoekers. Naast de reeds bestaande Moskee in Meerzicht, is er behoefte aan meer capaciteit op een locatie die ook goed is gelegen voor inwoners van wijken als Oosterheem, Palenstein, Seghwaert en Noordhove, waar veel inwoners met een islamitische achtergrond woonachtig zijn. De huidige tijdelijke en gehuurde locatie aan de Hodenpijlstraat in Oosterheem is te klein voor deze door de Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer ingeschatte bezoekersaantallen, zo staat in de plantoelichting.

In de plantoelichting staat dat om de lokale behoefte in beeld te brengen is uitgegaan van de meest recente CBS-cijfers over het aantal inwoners van Zoetermeer met een islamitische achtergrond. De CBS-gegevens dienen om een beeld te geven van de grootte van het potentiële bezoekersaantal op basis van statistische gegevens. In de plantoelichting staat in dit verband dat op basis van de cijfers van het CBS het aantal regelmatige bezoekers minimaal 750 en maximaal 2.225 zal bedragen. Bovendien vindt met de uitvoering van de Woningbouwagenda en de Woningbouwprogrammering de komende jaren nog een substantiële toename plaats van het aantal inwoners in Zoetermeer. Het is aannemelijk dat daarmee ook het aantal inwoners dat actief religieuze diensten bezoekt, waaronder het deel dat de islam als godsdienst belijdt, verder zal toenemen, aldus de plantoelichting.

Verder staat in de plantoelichting dat gezien het huidige aanbod aan gebedsplaatsen in de stad en de geografische spreiding daarvan in relatie tot het aanwezige potentieel aan bezoekers, er voldoende ruimte bestaat voor de toevoeging van een Islamitisch Cultureel Centrum met gebedsruimte aan de Olof Palmelaan. In de plantoelichting is op grond van de informatie die door Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer is aangeleverd in combinatie met de CBS-cijfers de conclusie getrokken dat voldoende behoefte bestaat aan de ontwikkeling van een Islamitisch Cultureel Centrum.

[appellant] en anderen hebben de plantoelichting op dit onderdeel niet gemotiveerd bestreden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad inzichtelijk heeft gemaakt dat noodzaak en behoefte bestaat aan het in het plan mogelijk gemaakte Islamitisch Cultureel Centrum.

Het betoog faalt.

Parkeren en verkeer

8.       [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte in het plan ten aanzien van de bestemming "Bedrijventerrein" niet de eis is opgenomen dat parkeren uitsluitend is toegestaan op eigen terrein. Zij voeren aan dat dit leidt tot een ongerechtvaardigd onderscheid met de bestemming "Bedrijventerrein" in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Oosterhage/ Businesspark Oosterheem". Het plan leidt volgens [appellant] en anderen tot een toenemende parkeerdruk in de omgeving. Er is in de huidige situatie al onvoldoende parkeerruimte voor de bewoners. Zij wijzen erop dat bij een evenement in de omgeving, de parkeerdrukte in hun woonwijk substantieel toeneemt. Voorts voeren zij aan dat in het plan ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen ten aanzien van het gebruik van de voorziene 35 extra parkeerplaatsen. Verder voeren zij aan dat een verkeersonderzoek ontbreekt, zodat niet kan worden geverifieerd of de 35 extra voorziene parkeerplaatsen in de parkeerbehoefte kunnen voorzien.

8.1.    Artikel 7.1 van de planregels luidt:

"Ter plaatse van de gebiedsaanduiding "overige zone - parkeren en geluidsgevoelige objecten" kan het bevoegd gezag pas een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, met inachtneming van het volgende:

a. in het geval van nieuwbouw, uitbreiding of functiewijziging van gebouwen en/of voorzieningen, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen;

b. er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen, indien voldaan wordt aan de normen en eisen die zijn neergelegd in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning."

Artikel 7.2 luidt:

"Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.1, indien wordt voldaan aan de regels en voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning."

Artikel 7.4 luidt:

"Tot een strijdig gebruik met de bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en/of bouwwerken waarbij in afwijking van een verleende omgevingsvergunning niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein."

8.2.    De Afdeling overweegt dat in paragraaf 4.3 van de plantoelichting uitgebreid is ingegaan op de aspecten verkeer en parkeren. Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is blijkens paragraaf 4.3.1 van de plantoelichting uitgegaan van het gemeentelijk parkeerbeleid. In paragraaf 4.3.4 van de plantoelichting is ingegaan op de verwachte verkeersintensiteiten als gevolg van de komst van het Islamitisch Cultureel Centrum. Ter zitting heeft de raad desgevraagd toegelicht dat door eigen deskundigen onderzoek is gedaan naar de aspecten parkeren en verkeer overeenkomstig het gemeentelijk beleid. Nu de ontwikkeling niet grootschalig is, was er geen reden voor de raad om een extern onderzoek te laten verrichten, aldus de raad. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een extern verkeersonderzoek had moeten laten verrichten.

8.3.    Over het betoog van [appellant] en anderen dat in het plan ten aanzien van de bestemming "Bedrijventerrein" niet de eis is opgenomen dat parkeren uitsluitend is toegestaan op eigen terrein, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens de verbeelding is aan alle percelen in het plangebied de gebiedsaanduiding "overige zone - parkeren en geluidsgevoelige objecten" toegekend. Uit artikel 7.1 van de planregels volgt dat ter plaatse van percelen met deze gebiedsaanduiding de hoofdregel is dat op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. De Afdeling stelt dan ook vast dat als een bedrijf zich op deze percelen wenst te vestigen, eveneens op eigen terrein dient te worden geparkeerd.

[appellant] en anderen hebben aangevoerd dat ingevolge artikel 7.2 van de planregels kan worden afgeweken van de hoofdregel van parkeren op eigen terrein en dat dit in het vorige bestemmingsplan "Bedrijventerrein Oosterhage/ Businesspark Oosterheem" niet mogelijk was. De Afdeling volgt [appellant] en anderen niet in dit betoog. In artikel 2.2, onder a, van de regels van het bestemmingsplan "Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten" is bepaald dat de artikelen 3.1, 3.2, 3.3 en 3.4 van deze regels worden toegevoegd aan de regels van de ruimtelijke plannen die op het moment van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan zijn vastgesteld en die niet in artikel 2.1 sub a zijn genoemd. De regels van deze ruimtelijke plannen blijven ongewijzigd van kracht, aldus dit artikel. De Afdeling stelt dan ook vast dat de artikelen 3.1, 3.2, 3.3 en 3.4 van de regels van het bestemmingsplan "Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten" zijn toegevoegd aan de regels van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Oosterhage/ Businesspark Oosterheem". In artikel 3.2 van de regels van het bestemmingsplan "Parapluherziening Parkeren en Geluidsgevoelige objecten" is bepaald dat het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 3.1, indien wordt voldaan aan de regels en voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning. Dit artikel is gelijk aan artikel 7.2 van de regels van dit plan. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat wat betreft het parkeren op eigen terrein er sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid met de bestemming "Bedrijventerrein" in het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Oosterhage/ Businesspark Oosterheem".

8.4.    Ten aanzien van de vrees van [appellant] en anderen voor een toenemende parkeerdruk in de omgeving, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 4.3.1 van de plantoelichting is ingegaan op de parkeerbehoefte als gevolg van het plan. De basis van de parkeerbehoefteberekening is de norm van 0,3 parkeerplaats per gebedsplaats, dat is de maximale waarde uit de bandbreedte die in de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2012 geldt voor parkeerplaatsen bij religieuze gebouwen. Op basis van die norm en uitgaande van circa 30 bezoekers op reguliere doordeweekse dagen en 80 bezoekers op vrijdagen, zijn respectievelijk 9 en 24 parkeerplaatsen nodig. Er zijn gelet hierop 25 parkeerplaatsen op eigen terrein voorzien. Op religieuze feestdagen (hoogtijdagen) zijn meer parkeerplaatsen nodig. Voor maximaal 200 bezoekers zijn 60 parkeerplaatsen benodigd. Dit betekent een tekort van 35 parkeerplaatsen. Deze 35 benodigde extra parkeerplaatsen zullen worden aangelegd in openbaar gebied op een voor de bezoekers van het Islamitisch Cultureel Centrum logische wijze, zo staat in de plantoelichting. In de plantoelichting wordt vervolgens geconcludeerd dat door de realisatie van 25 parkeerplaatsen op eigen terrein samen met de aanvullende 35 parkeerplaatsen aan de Olof Palmelaan in voldoende mate kan worden voorzien in de reguliere parkeerbehoefte en de parkeerbehoefte tijdens piekmomenten. Daarbij is uitgegaan van het in artikel 3.4.1 van de planregels begrensde aantal van maximaal 200 bezoekers dat gelijktijdig aanwezig mag zijn in het Islamitisch Cultureel Centrum. Ook is rekening gehouden met de omstandigheid dat in de omgeving de parkeerdruk meer dan 85% bedraagt in het openbaar gebied, waardoor geen gebruik kan worden gemaakt van openbare parkeerplaatsen in de omgeving. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkeling in het plan niet leidt tot een onaanvaardbare parkeeroverlast voor de omgeving.

8.5.    Voorts hebben [appellant] en anderen betoogd dat in het plan ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen ten aanzien van het gebruik van de voorziene 35 extra parkeerplaatsen. Ter zitting hebben [appellant] en anderen desgevraagd toegelicht dat zij hiermee bedoelen dat door middel van een voorwaardelijke verplichting dient te worden gewaarborgd dat deze 35 extra parkeerplaatsen alleen mogen worden gebruikt door bezoekers van het Islamitisch Cultureel Centrum. De raad heeft uiteengezet dat de parkeervraag op reguliere momenten kan worden opgelost op de van het Islamitisch Cultureel Centrum deel uitmakende parkeerterreinen. De ter plaatse aanwezige parkeerplaatsen zijn alleen niet voldoende om in de parkeerbehoefte van het op hoogtijdagen voorziene maximale aantal toegestane bezoekers te voorzien. Op hoogtijdagen wordt het gebruik van deze parkeerplaatsen geregeld door verkeersregelaars. Daarbij heeft de raad te kennen gegeven dat de locatie van de voorziene 35 extra parkeerplaatsen maakt dat het niet voor de hand ligt dat deze parkeerplaatsen door anderen dan bezoekers van het Islamitisch Cultureel Centrum zullen worden gebruikt. De Afdeling ziet op basis van deze motivering geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een voorwaardelijke verplichting voor deze parkeerplaatsen in het plan had moeten opnemen.

8.6.    De betogen falen.

9.       [appellant] en anderen betogen dat het bestemmingsplan in strijd met het beeldkwaliteitplan Bedrijvenpark Oosterhage is vastgesteld. Zij voeren aan dat in het plan gelegen gronden met de bestemming "Bedrijventerrein" voor een deel als parkeerterrein zullen worden ingericht en gebruikt en dat dit parkeerterrein duidelijk zichtbaar is vanaf de Olof Palmelaan, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de uitstraling van het gebied.

9.1.    De Afdeling stelt vast dat het plangebied is gelegen buiten het gebied waarop het beeldkwaliteitplan Bedrijvenpark Oosterhage van januari 2008 betrekking heeft. Ter zitting hebben partijen dit beaamd. Het beeldkwaliteitplan Bedrijvenpark Oosterhage is dan ook voor deze locatie niet van toepassing. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan gezien het beeldkwaliteitsplan niet in redelijkheid op deze wijze heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

10.     [appellant] en anderen voeren aan dat het plan leidt tot extra verkeersdrukte in de omgeving. Volgens hen vinden er in de huidige situatie al regelmatig verkeersongevallen plaats. Voorts vrezen zij voor een toename van voetgangers en fietsers door hun woonwijk als gevolg van de komst van een Islamitisch Cultureel Centrum, met overlast tot gevolg in de vorm van rondzwervend afval en vandalisme.

10.1.  In paragraaf 4.3.4 van de plantoelichting is ingegaan op de verwachte verkeersbewegingen als gevolg van de in het plan voorziene ontwikkeling en of daarvoor infrastructurele maatregelen noodzakelijk zijn. In de plantoelichting staat dat de verkeersintensiteiten op de ontsluitingswegen als gevolg van de ontwikkeling van het Islamitisch Cultureel Centrum zullen toenemen. De toename van de verkeersintensiteiten op de omringende wegen is echter relatief gering. De wegcapaciteiten van de genoemde wegen zijn voldoende om de geprognosticeerde verkeersintensiteiten inclusief de voorgestane ontwikkeling te kunnen afwikkelen. De relatief beperkte toename in verkeersintensiteiten geeft dan ook geen aanleiding tot capaciteitsverruimende maatregelen of infrastructurele ingrepen op het omringende wegennet, aldus de plantoelichting. [appellant] en anderen hebben geen onderbouwde andersluidende bevindingen hiertegenover geplaatst. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een situatie die uit het oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbaar is.

10.2.  Over de vrees van [appellant] en anderen voor een toename van voetgangers en fietsers door hun woonwijk, staat in paragraaf 4.3.4 van de plantoelichting dat de verwachte vervoerwijzeverdeling er als volgt uitziet: 10 tot 20 openbaar vervoer reizigers, 30 fietsende bezoekers en 150 tot 160 autobezoekers. De raad heeft uiteengezet dat voor zowel voetgangers als fietsers de logische routes vanuit verschillende delen van de stad niet leiden door de straten waar [appellant] en anderen wonen. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze relatief beperkte toename van voetgangers en fietsers niet tot onevenredige overlast voor [appellant] en anderen zal leiden.

10.3.  De betogen slagen niet.

Oproep tot gebed

11.     [appellant] en anderen voeren aan dat de raad er ten onrechte niet op heeft toegezien dat er een privaatrechtelijke overeenkomst wordt gesloten tussen de Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer en het gemeentebestuur waarin is vastgelegd dat geen oproep tot gebed door gebruik van speakers zal plaatsvinden.

11.1.  De Afdeling overweegt dat het bestemmingsplan niet het aangewezen instrument is voor het regelen van een verbod tot het oproepen tot gebed. De wens van [appellant] en anderen dat in een privaatrechtelijke overeenkomst wordt geregeld dat geen oproep tot gebed zal plaatsvinden, staat los van deze bestuursrechtelijke procedure en kan dan ook niet tot vernietiging van het plan leiden.

Het betoog faalt.

Staatssteun

12.     [appellant] en anderen voeren aan dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun. Zij stellen dat de Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer wordt bevoordeeld. Daartoe wijzen zij op het raadsvoorstel van 12 juni 2014 waaruit blijkt dat de Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer niet de reële prijs voor de gronden betaalt, geen plankosten hoeft te betalen en dat de aanleg van de parkeervoorzieningen ten laste van de exploitatie van Oosterheem komt.

12.1.  Het belang van [appellant] en anderen is gelegen in het behoud van een goed woon- en leefklimaat bij hun woningen. De Europese staatssteunregels waarop [appellant] en anderen zich beroepen, strekken kennelijk niet tot bescherming van die belangen. Het in artikel 8:69a van de Awb opgenomen relativiteitsvereiste staat daarom in de weg aan vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan vanwege deze beroepsgrond. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk behandelen.

Uitvoerbaarheid

13.     [appellant] en anderen betogen dat het plan niet uitvoerbaar is. Zij voeren daartoe aan dat onduidelijk is hoe de financiering van het Islamitisch Cultureel Centrum is geregeld. Daarbij wijzen zij erop dat de Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer stelt dat slechts een beperkt gebruik van het Islamitisch Cultureel Centrum zal worden gemaakt en op de website van de stichting wordt verzocht om donaties voor de bouw van het Islamitisch Cultureel Centrum.

Voorts voeren zij aan dat uit een e-mailbericht van 20 juli 2020 van een vergunningverlener van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard blijkt dat voor de toename van verharding en het bouwen in de beschermingszone van de overige watergang nog een vergunning moet worden aangevraagd. De conclusie in paragraaf 5.4.1 van de plantoelichting is dan ook onjuist, aldus [appellant] en anderen. Volgens hen is niet gebleken dat een watervergunning kan worden verleend.

13.1.  Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad in redelijkheid had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen zonder meer niet uitvoerbaar is.

13.2.  Over het betoog van [appellant] en anderen dat de financiering van het Islamitisch Cultureel Centrum onduidelijk is, overweegt de Afdeling als volgt. In het raadsvoorstel staat dat de raad met een memo is geïnformeerd over de herkomst van de gelden voor de bouw van het Islamitisch Cultureel Centrum. Daarbij is aangegeven dat de Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer vrijwillig openheid heeft gegeven over de financiële gegevens voor de bouw van het Islamitisch Cultureel Centrum. De raad heeft toegelicht dat op basis van de door de Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer verstrekte informatie weliswaar juist is dat de financiering niet op voorhand is verzekerd, maar volgens de raad kan niet worden geconcludeerd dat de realisering niet mogelijk is. Bovendien maakt het plan, overeenkomstig het voorgaande plan, de realisering van bedrijvigheid ter plaatse mogelijk, aldus de raad. Ter zitting heeft de Stichting Islamitisch Centrum Zoetermeer nog toegelicht dat een begroting is gemaakt en dat zij in staat is de kosten te dragen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

13.3.  Ten aanzien van het betoog dat een watervergunning ontbreekt waardoor de uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 5.4.1 van de plantoelichting wordt geconcludeerd dat het plan geen nadelige gevolgen voor de waterhuishouding heeft en dat voor de uitvoering ervan geen extra watercompensatie hoeft plaats te vinden. Voor deze ontwikkeling wordt maximaal 8,25 m2 watercompensatie ten laste van het positieve saldo in de waterbalans Oosterheem gebracht, aldus de plantoelichting. Uit de Nota van beantwoording vooroverleg-, samenspraakreacties en ambtelijke aanpassingen voorontwerpbestemmingsplan Islamitisch Cultureel Centrum blijkt dat het Dijkgraaf en hoogheemraden van Schieland en de Krimpenerwaard in zoverre kan instemmen met het plan. De raad heeft ter zitting uiteengezet dat het Dijkgraaf en hoogheemraden van Schieland en de Krimpenerwaard na de vaststelling van het plan te kennen heeft gegeven dat toch een watervergunning noodzakelijk is voor het bouwen van het Islamitisch Cultureel Centrum wegens het openbreken van een bestaand talud. Deze vergunningplicht heeft geen betrekking op de waterbergingscapaciteit, aldus de raad. Ter zitting is gebleken dat op 26 november 2020 alsnog door het Dijkgraaf en Hoogheemraden van Schieland en de Krimpenerwaard een vergunning in het kader van artikel 6.13 van de Waterwet en de keur van Schieland en de Krimpenerwaard is verleend. In zoverre staat dit niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

13.4.  De betogen falen.

Exploitatieplan

14.     [appellant] en anderen voeren aan dat geen exploitatieplan is vastgesteld en evenmin een anterieure overeenkomst is gesloten.

14.1.  Op grond van artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig bekendgemaakt bestemmingsplan.

Op grond van artikel 8.2, vierde lid, van de Wro wordt als belanghebbende bij een besluit tot vaststelling van een exploitatieplan in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

14.2.  Het beroep van [appellant] en anderen is gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan. Indien de raad een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [appellant] en anderen niet als belanghebbende bij het exploitatieplan kunnen worden aangemerkt. Daarvoor is van belang dat [appellant] en anderen geen eigenaren zijn van gronden in het exploitatiegebied en ook geen grondexploitatieovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot deze gronden. Gelet hierop en omdat ook anderszins niet is gebleken van een belang dat rechtstreeks betrokken is bij de vaststelling van een exploitatieplan, kunnen zij ook niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het niet vaststellen van een exploitatieplan. Het beroep is op dit punt niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de Afdeling het beroep niet inhoudelijk behandelt.

Conclusie

15.     Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan, niet-ontvankelijk en is het beroep, voor zover gericht tegen het bestemmingsplan, ongegrond.

Omgevingsvergunning

Welstand

16.     [appellant] en anderen bestrijden het welstandsadvies. Zij stellen dat zij geen enkel zicht op de inhoud van dit advies hebben. Volgens hen is het bouwplan gelegen in het in het beeldkwaliteitplan Bedrijvenpark Oosterhage aangeduide gebied Oosterhage West. Derhalve is de beeldkwaliteit van de aanliggende bedrijventerreinen zowel op het gebied van de openbare ruimte als van de gebouwen van groot belang.

16.1.  Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend."

Artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht luidt:

"Met betrekking tot een aanvraag ten aanzien van activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet vragen burgemeester en wethouders, ingeval zij het inwinnen van advies noodzakelijk achten om te kunnen beoordelen of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met redelijke eisen van welstand als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de wet, advies aan de welstandscommissie dan wel de stadsbouwmeester."

16.2.  De Afdeling begrijpt dat [appellant] en anderen bedoelen te betogen dat het welstandsadvies ten onrechte niet ter inzage heeft gelegen met de ontwerpomgevingsvergunning.

Het college heeft toegelicht dat het welstandsadvies ter inzage heeft gelegen met de ontwerpomgevingsvergunning bij de Omgevingsbalie. [appellant] en anderen hebben dit niet weersproken. Ook is onder 7.12 van de Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Islamitisch Cultureel Centrum en ontwerpomgevingsvergunning en ontwerpverkeersbesluit weergegeven dat het bouwplan voldoet, mede gelet op de mogelijkheden van het bestemmingsplan, aan de criteria van het door de raad vastgestelde beleid. De architectonische uitwerking en het kleur- en materiaalgebruik van het Islamitisch Cultureel Centrum zijn voldoende hoogwaardig en verzorgd. De abstracte detaillering van de met clickbrick beklede deuren wordt gewaardeerd, aldus de nota. De Afdeling stelt vast dat deze tekst in de nota gelijkluidend is aan de tekst in het welstandsadvies. Gelet hierop acht de Afdeling dan ook geen gebrek aanwezig dat tot vernietiging van de omgevingsvergunning moet leiden. Overigens is hiervoor onder 9.1 overwogen dat het beeldkwaliteitplan Bedrijvenpark Oosterhage niet van toepassing is voor deze locatie.

Het betoog faalt.

Parkeren en verkeer

17.     [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte ontheffing is verleend op grond van artikel 7.2 van de planregels. Daartoe voeren zij aan dat getoetst had moeten worden aan de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 in plaats van aan de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2012. Daarnaast voeren zij aan dat niet kon worden uitgegaan van de parkeernorm op basis van het maximale aantal gebedsplaatsen nu in de planregels niet is geborgd dat tijdens de gebedsdiensten geen andere activiteiten plaatsvinden in het Islamitisch Cultureel Centrum. Voorts voeren zij aan dat geen rekening is gehouden met overloop, te weten komende en vertrekkende bezoekers. Volgens hen is bij het bepalen van de parkeerbehoefte dan ook ten onrechte uitgegaan van het maximum aantal bezoekers dat tegelijkertijd in het Islamitisch Cultureel Centrum aanwezig kan zijn. Zij vrezen voor problemen. Daarbij wijzen zij erop dat het bezoekersreglement en de inzet van verkeersregelaars in de omgevingsvergunning niet afdwingbaar is.

17.1.  Artikel 7.1 van de planregels luidt:

"Ter plaats van de gebiedsaanduiding "overige zone - parkeren en geluidsgevoelige objecten" kan het bevoegd gezag pas een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of het gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, met inachtneming van het volgende:

a. in het geval van nieuwbouw, uitbreiding of functiewijziging van gebouwen en/of voorzieningen, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen;

b. er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen, indien voldaan wordt aan de normen en eisen die zijn neergelegd in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning."

Artikel 7.2 luidt:

"Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 7.1, indien wordt voldaan aan de regels en voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning."

17.2.  Uit de omgevingsvergunning blijkt dat voor het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen is uitgegaan van de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2012. In paragraaf 2.2 van de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 staat een overgangsregeling voor lopende aanvragen. Op een bouwinitiatief ten aanzien waarvan vóór de publicatiedatum van de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels 2019 een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, blijft de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels uit 2012 van toepassing. De aanvraag om een omgevingsvergunning is bij het college op 21 augustus 2018 ingekomen. De Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2019 is van 16 december 2019. Naar het oordeel van de Afdeling is het college dan ook terecht uitgegaan van de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2012.

17.3.  Wat betreft het betoog van [appellant] en anderen dat niet kon worden uitgegaan van de parkeernorm op basis van het maximale aantal gebedsplaatsen nu in de planregels niet is geborgd dat tijdens de gebedsdiensten geen andere activiteiten plaatsvinden in het Islamitisch Cultureel Centrum, stelt de Afdeling vast dat in de omgevingsvergunning staat dat het Islamitisch Cultureel Centrum twee gebedsruimten zal omvatten met maximaal 200 gebedsplaatsen en een aantal ruimten voor culturele activiteiten. Aangezien tijdens gebedsdiensten in het Islamitisch Cultureel Centrum geen andere activiteiten zullen plaatsvinden, kan worden volstaan met de parkeernorm op basis van het maximale aantal gebedsplaatsen, zo staat in de omgevingsvergunning. Uit bijlage 2 van de omgevingsvergunning, betreffende de vergunningvoorschriften bouwactiviteit, blijkt dat aan de omgevingsvergunning de voorschriften zijn verbonden dat er een maximaal bezoekersaantal van 200 bezoekers geldt en dat de gebedsruimten en overige bijeenkomstfuncties niet tegelijkertijd in gebruik mogen zijn, zoals omschreven in het 'Definitief Ontwerp Moskeegebouw Islamitisch Centrum Zoetermeer (ICZ)' van 2 juli 2018. Zoals hiervoor onder 10.2 is overwogen is in artikel 3.4.1 van de planregels ook bepaald dat het aantal bezoekers dat gelijktijdig aanwezig is niet meer mag bedragen dan 200. Naar het oordeel van de Afdeling is het college daarom bij de berekening van de parkeerbehoefte terecht uitgegaan van de parkeernorm op basis van het maximale aantal van 200 gebedsplaatsen.

Wat betreft het betoog dat geen rekening is gehouden met overloop, stelt de Afdeling vast dat in de omgevingsvergunning staat dat in de Nota Parkeernormen en Uitvoeringsregels Zoetermeer 2012 een parkeernorm is opgenomen voor religiegebouwen, te weten kerk, moskee, synagoge, enzovoort. Deze norm bedraagt 0,1 tot 0,3 parkeerplaats per gebedsplaats. Voorts staat in de omgevingsvergunning dat gezien de ligging van de locatie aan de rand van de kern op enige afstand van de RandstadRail-haltes voor de parkeerbehoefteberekeningen wordt uitgegaan van de maximumnorm van 0,3 parkeerplaats per gebedsplaats. Ter zitting heeft het college toegelicht dat het komen en gaan van bezoekers en mogelijke overlap daarvan is verdisconteerd in deze norm. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college bij de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van een onjuiste parkeernorm.

17.4.  Voorts begrijpt de Afdeling dat [appellant] en anderen hebben bedoeld te betogen dat het bezoekersreglement en de inzet van verkeersregelaars als voorschrift in de omgevingsvergunning hadden moeten worden gewaarborgd. In de omgevingsvergunning staat dat door aanvullende sturing van het Islamitisch Cultureel Centrum, door opname in het bezoekersreglement en de inzet van verkeersregelaars op drukke tijdstippen die verwijzen naar de overloopcapaciteit, verder voorkomen kan worden dat parkeeroverlast in de omgeving ontstaat. Hierover zijn afspraken gemaakt. Gelet op deze afspraken en de realisatie van 60 parkeerplaatsen heeft het college het in redelijkheid niet nodig kunnen achten een dergelijk voorschrift aan de vergunning te verbinden.

17.5.  [appellant] en anderen hebben ter zitting nog aangevoerd dat het afwijken van het bestemmingsplan, wat betreft het parkeren op eigen terrein, in strijd is met de Nota Parkeerbeleid (auto en fiets) Zoetermeer 2019. Daarover overweegt de Afdeling dat in artikel 7.2 van de planregels is bepaald dat bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 7.1, indien wordt voldaan aan de regels en voorwaarden zoals die zijn opgenomen in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning. De aanvraag om een omgevingsvergunning is bij het college op 21 augustus 2018 ingekomen, zodat deze nota in dit geval niet van toepassing is.

17.6.  Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het college in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. De betogen falen.

Conclusie

18.     Gelet op het voorgaande is het beroep tegen de omgevingsvergunning ongegrond.

Verkeersbesluit

Parkeerdruk

19.     [appellant] en anderen betogen dat bij het nemen van het verkeersbesluit geen rekening is gehouden met het feit dat het instellen van een parkeerverbod aan de Olof Palmelaan ertoe leidt dat de parkeerdruk in hun woon- en leefomgeving zal toenemen. De parkeerdruk in hun woonwijk is al hoger dan 85%.

19.1.  Artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) luidt:

"De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer."

19.2.  Een bestuursorgaan komt bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 genoemde begrippen. De rechter toetst of het bestuursorgaan geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van die beoordelingsruimte. Nadat het bestuursorgaan heeft vastgesteld welke verkeersbelangen in welke mate naar zijn oordeel bij het besluit dienen te worden betrokken, dient het die belangen tegen elkaar af te wegen. Daarbij komt het bestuursorgaan beleidsruimte toe. De bestuursrechter toetst of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:506).

19.3.  Uit het verkeersbesluit blijkt dat het parkeerverbod en de aanleg van parkeerplaatsen nodig is om verkeersonveilige situaties als gevolg van de realisatie van het Islamitisch Cultureel Centrum te voorkomen. De maatregelen voorzien erin dat er enerzijds sprake is van een parkeerverbod en anderzijds gelijktijdig in voldoende parkeergelegenheid voor personenauto’s wordt voorzien. Hiermee wordt voorkomen dat bezoekers van het Islamitisch Cultureel Centrum tijdens gebedsdiensten parkeeroverlast veroorzaken in de wijk ten noorden van de Olof Palmelaan, zo staat in het verkeersbesluit. Ter zitting heeft het college toegelicht dat ter plaatse van het parkeerverbod in de huidige situatie niet wordt geparkeerd door personenauto’s. [appellant] en anderen hebben dit niet bestreden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gevolgen van het verkeersbesluit voor [appellant] en anderen nadelig zijn.

Het betoog faalt.

Verkeershinder

20.     [appellant] en anderen betogen dat het besluit onvoldoende duidelijk is en hierdoor rechtsonzeker is. Volgens hen blijkt onvoldoende duidelijk uit het besluit dat alleen de bezoekers van het Islamitisch Cultureel Centrum gebruik mogen maken van de extra parkeergelegenheid.

20.1.  Zoals hiervoor onder 8.4 is overwogen is de extra parkeergelegenheid nodig om in de parkeerbehoefte van het op hoogtijdagen voorziene maximale aantal toegestane bezoekers van het Islamitisch Cultureel Centrum te voorzien. Ter zitting heeft het college aangegeven dat op andere dagen deze parkeerplaatsen niet nodig zijn voor het Islamitisch Cultureel Centrum en dat op die andere dagen daarom ook anderen dan bezoekers van het Islamitisch Cultureel Centrum gebruik mogen maken van deze parkeergelegenheid. Naar het oordeel van de Afdeling is, anders dan [appellant] en anderen betogen, het besluit voldoende duidelijk.

Het betoog faalt.

Conclusie

21.     Gelet op het voorgaande is het beroep tegen het verkeersbesluit ongegrond.

Eindconclusie

22.     Het beroep is voor zover gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

Proceskosten

23.     De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan niet-ontvankelijk;

II.       verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. H.J.M. Baldinger en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2021

625