Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2046

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-08-2021
Datum publicatie
15-09-2021
Zaaknummer
202103142/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202103142/1/V3.

Datum uitspraak: 26 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 mei 2021 in zaak nr. NL21.6156 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 11 mei 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bhadai, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft in reactie op vragen van de Afdeling een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.       De vreemdeling komt uit Ivoorkust en is in afwachting van een Dublinclaim in bewaring gesteld (artikel 59a van de Vw 2000). Op 21 april 2021 is de bewaring opgeheven, omdat uit informatie van Bureau Dublin is gebleken dat hij rechtmatig verblijf heeft in Italië. In zijn enige grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn inbewaringstelling niet langer heeft geduurd dan noodzakelijk. Volgens de vreemdeling had de staatssecretaris al ten tijde van zijn inbewaringstelling op de hoogte kunnen en moeten zijn van zijn verblijfsstatus in Italië.

1.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat uit het bewaringsdossier blijkt dat de vreemdeling geen documenten bij zich heeft en dat hij ook geen informatie heeft verstrekt over een verblijfsstatus in Italië. Verder heeft de rechtbank terecht bij haar oordeel betrokken dat de vreemdeling wel heeft verklaard dat hij nergens asiel heeft aangevraagd, dat hij ook geen asiel wil en dat hij in Italië, Duitsland, België, Zwitserland, Noorwegen en Frankrijk heeft verbleven alvorens naar Nederland te reizen. De staatssecretaris heeft de Afdeling in reactie op haar vragen laten weten dat de AVIM (Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel), die verantwoordelijk is voor de inbewaringstelling van vreemdelingen, geen directe toegang heeft tot de informatie waarover Bureau Dublin wel beschikt. Daarom heeft de AVIM eerst een informatieverzoek gezonden aan Bureau Dublin. In afwachting daarvan kon de vreemdeling op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring worden gesteld.

1.2.    De staatssecretaris heeft in het nader stuk ook opgemerkt dat hij heeft geconstateerd dat Bureau Dublin de AVIM al op 20 april 2021 heeft meegedeeld dat het van de Duitse autoriteiten had vernomen dat de vreemdeling internationale bescherming geniet in Italië. De staatssecretaris erkent dat deze informatie aanleiding had moeten zijn om de bewaring diezelfde dag nog op te heffen. Omdat de bewaring één dag te laat is opgeheven, erkent de staatssecretaris ook dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een schadevergoeding over één dag. Dit betekent dus dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de inbewaringstelling van de vreemdeling niet langer heeft geduurd dan noodzakelijk en dat de grief slaagt.

2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 11 mei 2021 in zaak nr. NL21.6156;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.      kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 130,00, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2021

644