Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2035

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
201904957/2/R3
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:259, heeft de Afdeling het college van burgemeester en wethouders van Oldambt opgedragen binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 8 augustus 2018 te herstellen. Bij besluit van 8 augustus 2018 heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚ van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan Melkveebedrijf de Waarhoek een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren/legaliseren van een folie-mestbassin inclusief het plaatsen van een hekwerk op het perceel achter Hoofdweg 22 ’t Waar. De Vereniging is opgekomen tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning, omdat het besluit volgens de Vereniging niet op de juiste inhoudelijke gronden is genomen. Daarbij is het besluitvormingsproces onzorgvuldig uitgevoerd, aldus de Vereniging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904957/2/R3.

Datum uitspraak: 8 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Vereniging Dorpsbelangen Nieuw-Scheemda en 't Waar, gevestigd te Nieuw-Scheemda,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-­Nederland van 4 juni 2019 in zaak nr. 18/3096 in het geding tussen:

Vereniging Dorpsbelangen Nieuw-Scheemda en ’t Waar

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldambt.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:259, heeft de Afdeling het college opgedragen binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 8 augustus 2018 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 28 mei 2021 heeft het college een aanvullende motivering ingediend.

Vereniging Dorpsbelangen Nieuw-Scheemda en ’t Waar (hierna: de Vereniging) heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1.       Bij besluit van 8 augustus 2018 heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚ van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan Melkveebedrijf de Waarhoek een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren/legaliseren van een folie-mestbassin inclusief het plaatsen van een hekwerk op het perceel achter Hoofdweg 22 ’t Waar.

De Vereniging is opgekomen tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning, omdat het besluit volgens de Vereniging niet op de juiste inhoudelijke gronden is genomen. Daarbij is het besluitvormingsproces onzorgvuldig uitgevoerd, aldus de Vereniging.

Naar aanleiding van het beroep van de Vereniging heeft de Afdeling geoordeeld dat er een gebrek zit in het besluit van 8 augustus 2018. De Afdeling heeft onder 10.6 van de tussenuitspraak overwogen dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat plaatsing van het mestbassin op het bouwperceel Hoofdweg West 6 te Nieuwolda niet mogelijk is vanwege milieuhygiënische belemmeringen. Verder heeft de Afdeling onder 11.2 overwogen dat het college niet heeft onderbouwd waarom de kleur van het bij het mestbassin te bouwen hekwerk niet is geborgd, terwijl in de notitie "Mestopslagplaatsen in het Buitengebied", onderdeel van de op 20 januari 2015 door de gemeente Oldambt met het college van gedeputeerde staten gesloten bestuursovereenkomst, staat dat het hekwerk moet worden uitgevoerd in een donkere kleurstelling. De Afdeling heeft het college in overweging 12 opgedragen alsnog deugdelijk te motiveren waarom plaatsing van het mestbassin op het bouwperceel Hoofdweg West 6 te Nieuwolda niet mogelijk is en te motiveren waarom het mestbassin en het daarbij te bouwen hekwerk landschappelijk inpasbaar zijn, terwijl niet is geborgd dat het hekwerk een donkere kleurstelling heeft.

De nadere motivering

2.       Het college heeft toegelicht dat plaatsing van het mestbassin op het bouwperceel aan de Hoofdweg West 6 te Nieuwolda niet mogelijk is vanwege twee redenen. Ten eerste merkt het college op dat er weliswaar nog ruimte is op het bouwvlak aan de Hoofdweg West 6 te Nieuwolda, maar het mestbassin kan hier niet worden geplaatst wegens milieuhygiënische belemmeringen. Voor zover er ruimte is ten westen van de reeds bestaande stallen, acht het college het niet wenselijk het mestbassin hier te plaatsen, omdat het mestbassin daarmee in het zicht zou komen van gebruikers van de ontsluitingsweg van het dorp. Het college vindt dit ontsierend. Het college verwacht ook dat de geur van het mestbassin in de nabije omgeving waarneembaar zal zijn, wat niet het geval is bij de vergunde locatie. Verder wijst het college erop dat plaatsing van het mestbassin ten westen van de bestaande stallen resulteert in een ventilatieprobleem in de stallen. De stallen worden op een natuurlijke wijze geventileerd. Verse lucht stroomt via de zijgevelopening de stallen in en verlaat de stallen via de nok. Een mestbassin met aarden wallen zorgt ervoor dat deze aarden wallen de luchtstroom opstuwen waardoor een groot deel van de verse lucht niet door de stal heen stroomt, maar over de stal heen. Het resultaat is dat de dieren geen aanvoer krijgen van verse lucht. Het leefklimaat in de stallen komt onder druk te staan, wat resulteert in een verslechtering van het dierenwelzijn, aldus het college.

Ten tweede stelt het college dat het mestbassin niet op het bouwperceel van de Hoofdweg West 6 te Nieuwolda kan worden geplaatst, omdat dit zorgt voor een piek van verkeersbewegingen tijdens de bemestingsperiode. Tractoren zullen een aantal dagen achter elkaar af en aan rijden om de mest op de hectares grond, liggend rondom de locatie Hoofdweg 22 ’t Waar, te verkrijgen. Deze verkeersbewegingen zullen dwars door de kom van het dorp plaatsvinden wat van invloed is op de verkeersveiligheid. Ook zal er gedurende die dagen een piek optreden in de hinder door lawaai en trillingen van tractoren met aanhangers. Het college vindt het noodzakelijk het mestbassin buiten het bouwvlak te plaatsen, ter beperking van structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in het centrum van ’t Waar.

Voor het hekwerk heeft het college een allonge bij de reeds gesloten overeenkomst over de landschappelijke inpassing van het mestbassin opgesteld. Hierin is opgenomen dat het hekwerk in een donkere kleurstelling moet worden uitgevoerd en uitgevoerd moet worden gehouden, te weten in de kleuren RAL 6009 of RAL 7030.

Nader stuk van 10 februari 2021

3.       De Vereniging is in een nader stuk van 10 februari 2021 opgekomen tegen het onder 2.2. in de tussenuitspraak gegeven oordeel van de Afdeling dat de rechtbank niet was gehouden het proces-verbaal te verstrekken aan de Vereniging voordat de rechtbank uitspraak kon doen. De rechter moet zich volgens de Vereniging aan de bepalingen en de van toepassing zijnde grondslagen uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering houden. Het maakt daarbij niet uit of de uitspraak wordt gedaan door een civiele rechter, strafrechter of bestuursrechter. Zonder het proces-verbaal kan niet worden gecontroleerd of de rechter dat ook heeft gedaan. Er kunnen ingebrachte bewijsmiddelen en vormvoorschriften worden genegeerd, aldus de Vereniging.

3.1.    De Vereniging keert zich hiermee tegen de overwegingen van de tussenuitspraak. Behoudens zeer uitzonderlijke gevallen kan de Afdeling niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

Het betoog slaagt niet.

De zienswijze van 24 juni 2021

4.       De Vereniging stelt zich in haar zienswijze op het standpunt dat de nadere motivering van het college nog steeds het besluit van 8 augustus 2018 niet kan dragen. De Vereniging voert aan dat het college er te snel voor heeft gekozen het illegaal geplaatste mestbassin te legaliseren. De motivering van het college is ook op dit legalisatieproces gericht, waardoor de toetsing of aan alle regels wordt voldaan, niet zorgvuldig is uitgevoerd.

Verder is plaatsing van het mestbassin op het bouwperceel Hoofdweg West 6 te Nieuwolda volgens de Vereniging wel degelijk mogelijk. Binnen het bouwperceel kan het mestbassin op twee plekken worden geplaatst. Bij beide plekken wordt voldaan aan de afstandseis tot geurgevoelige objecten. Het college wijst op een ventilatieprobleem in de stallen, maar dat probleem doet zich volgens de Vereniging alleen voor als het mestbassin ten westen van de stallen zou worden geplaatst. Ten oosten is ook nog ruimte voor het mestbassin. Verder begrijpt de Vereniging niet dat het college zich nu op het standpunt stelt dat plaatsing van het mestbassin binnen het bouwperceel de Hoofdweg West 6 te Nieuwolda zou leiden tot verkeersoverlast. Deze verkeersoverlast wordt door het college, noch door de vergunninghouder onderbouwd. Bovendien heeft het college in de beoordelingsbrief van 29 mei 2017 ten aanzien van de verkeersveiligheid gesteld dat de transporten op dit moment ook plaatsvinden.

Ook voert de Vereniging aan dat het college niet heeft aangetoond dat het besluit van 8 augustus 2018 voldoet aan de overige voorwaarden uit artikel 2.26.7, eerste lid, van de Provinciale Omgevingsverordening 2016 (hierna: de Omgevingsverordening) op grond waarvan een omgevingsvergunning kan worden verleend voor een voorziening voor mestopslag buiten het bouwperceel. Het college heeft volgens de Vereniging onvoldoende gemotiveerd dat de locatie van de mestopslag in een gebied ligt dat daarvoor uit oogpunt van behoud van landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten aanvaardbaar wordt geacht, dat andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad en dat de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van opslagvoorzieningen voor mest op de veldkavel wordt geborgd in de vorm van een voorwaardelijke verplichting of voorwaarde bij de omgevingsvergunning.

4.1.    De Afdeling overweegt dat, gelet op de in de tussenuitspraak gegeven opdracht, hier ter toetsing voorligt of het college in het licht van de zienswijze van de Vereniging voldoende heeft onderbouwd waarom plaatsing van het mestbassin op het bouwperceel Hoofdweg West 6 te Nieuwolda niet mogelijk is en waarom het mestbassin en het daarbij te bouwen hekwerk landschappelijk inpasbaar zijn, terwijl niet is geborgd dat het hekwerk een donkere kleurstelling heeft. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat de gronden van de Vereniging dat het besluit van 8 augustus 2018 geen stand kan houden omdat niet zou worden voldaan aan de overige voorwaarden uit artikel 2.26.7 van de Omgevingsverordening buiten inhoudelijke bespreking blijven.

4.2.    Over de mogelijkheid tot plaatsing van het mestbassin op het bouwperceel Hoofdweg West 6 te Nieuwolda overweegt de Afdeling het volgende. Op het bouwperceel is zowel ten westen als ten oosten van de bestaande stallen ruimte voor het mestbassin. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voldoende onderbouwd dat plaatsing van het mestbassin wegens milieuhygiënische belemmeringen niet mogelijk is ten westen van de bestaande stallen, omdat dit een ventilatieprobleem zou opleveren voor deze stallen. De Vereniging wijst er echter terecht op dat dit alleen een reden geeft waarom plaatsing van het mestbassin ten westen van de bestaande stallen niet mogelijk is. Er is ook ruimte ten oosten van deze stallen. Het college heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom plaatsing van het mestbassin ten oosten van de bestaande stallen niet mogelijk zou zijn wegens milieuhygiënische belemmeringen. Voor zover het college heeft gewezen op geur, wijst de Afdeling op overweging 10.6 van de tussenuitspraak. De Afdeling heeft in deze overweging geoordeeld dat het standpunt van het college dat plaatsing van het mestbassin ten oosten van de stallen niet mogelijk is, omdat het mestbassin op 160 m afstand van de bestemming "Bos" en op 227 m afstand van een recreatiepark komt te liggen, onvoldoende is onderbouwd. Het college heeft dit standpunt in de nadere motivering echter niet alsnog nader onderbouwd.

Voor zover het college het ter beperking van structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in het centrum van ’t Waar noodzakelijk acht het mestbassin buiten het bouwvlak te plaatsen, merkt de Afdeling op dat de Vereniging er terecht op heeft gewezen dat het college hierover eerder een afwijkend standpunt heeft ingenomen. In het locatieonderzoek "Plaatsing mestbassin Hoofdweg West 6", dat onderdeel uitmaakt van de ruimtelijke onderbouwing van het besluit van 8 augustus 2018, staat dat plaatsing van het mestbassin op het bouwperceel aan de Hoofdweg West 6 te Nieuwolda zal leiden tot een piek van verkeersbewegingen tijdens de bemestingsperiode, dwars door de kwetsbare kom van het dorp. In de beoordelingsbrief van 29 mei 2017 stelt het college in reactie hierop dat deze transporten op dit moment ook plaatsvinden. Er wordt al dagelijks met tractoren door de kom van het dorp gereden. De Afdeling acht het onvoldoende onderbouwd waarom plaatsing van het mestbassin op de locatie aan de Hoofdweg West 6 te Nieuwolda dan alsnog zou leiden tot aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen door het dorp ’t Waar.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college niet aangetoond dat plaatsing van het mestbassin binnen het bouwperceel aan de Hoofdweg West 6 te Nieuwolda niet mogelijk is vanwege milieuhygiënische belemmeringen dan wel dat het noodzakelijk is het mestbassin buiten het bouwvlak te plaatsen om aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in kernen te voorkomen.

Het betoog slaagt.

Conclusie

5.       Het college heeft met de nadere motivering niet voldaan aan de in de tussenuitspraak opgenomen opdracht om het besluit van 8 augustus 2018 alsnog toereikend te motiveren. Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou moeten doen, zal de Afdeling het beroep van de Vereniging gegrond verklaren en het besluit van 8 augustus 2018 vernietigen.

Het voorgaande betekent dat het college opnieuw op de aanvraag dient te beslissen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6.       Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van rechtbank Noord­-Nederland van 4 juni 2019 in zaak nr. 18/3096;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oldambt van 8 augustus 2018;

V.       bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Oldambt te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouder van Oldambt tot vergoeding van bij Vereniging Dorpsbelangen Nieuw-Scheemda en ‘t Waar in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.870,00 (zegge: achttienhonderdzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oldambt aan de Vereniging Dorpsbelangen Nieuw-Scheemda en ’t Waar het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 857,00,00 (zegge: achthonderdenzevenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2021

270-952