Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2034

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
202006274/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellante] voorafgaande aan het verzoek van 30 november 2017 niet onafgebroken toelating en hoofdverblijf had in Aruba. Uit het Bericht Omtrent Toelating en het besluit van 3 februari 2017 van de Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranheronan, de organisatie belast met het uitvoeren van het Arubaanse vreemdelingenbeleid, volgt dat zij van 6 november 2016 tot 2 juni 2017 geen geldige verblijfsvergunning had. Hierdoor is in die periode een verblijfsgat ontstaan en dus voldoet zij niet aan het vereiste neergelegd in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 juli 2019 vernietigd, omdat de staatssecretaris het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202006274/1/V6.

Datum uitspraak: 8 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Aruba,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 november 2020 in zaak nr. 19/6100 in het geding tussen:

[appellante]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2019 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 24 juli 2019 heeft de staatssecretaris het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 november 2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1.       De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen, omdat [appellante] voorafgaande aan het verzoek van 30 november 2017 niet onafgebroken toelating en hoofdverblijf had in Aruba. Uit het Bericht Omtrent Toelating en het besluit van 3 februari 2017 van de Departamento di Integracion, Maneho y Admision di Stranheronan (hierna: de DIMAS), de organisatie belast met het uitvoeren van het Arubaanse vreemdelingenbeleid, volgt dat zij van 6 november 2016 tot 2 juni 2017 geen geldige verblijfsvergunning had. Hierdoor is in die periode een verblijfsgat ontstaan en dus voldoet zij niet aan het vereiste neergelegd in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN).

2.       De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 24 juli 2019 vernietigd, omdat de staatssecretaris het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. De staatssecretaris is namelijk in het besluit niet ingegaan op de aanvullende gronden van bezwaar. De rechtbank heeft aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Zij wijst op een procedure voor de Arubaanse rechter waarbij de DIMAS voor aanvang van de openbare behandeling heeft toegezegd tot afgifte van een tijdelijke verblijfsvergunning over te gaan. Bij besluit van 24 november 2020 heeft de DIMAS aan [appellante] een vergunning tot tijdelijk verblijf van 6 november 2016 tot en met 6 november 2017 verleend, waardoor geen sprake meer is van een verblijfsgat. [appellante] voert verder aan dat ten tijde van het besluit van 21 februari 2019 het Bericht Omtrent Toelating was achterhaald, waardoor het op de weg van de staatssecretaris had gelegen om nadere inlichtingen bij de DIMAS in te winnen. De staatssecretaris heeft dit niet gedaan, waardoor het besluit van 21 februari 2019 onzorgvuldig is voorbereid en de staatssecretaris de proceskosten van het bezwaarschrift dient te vergoeden, aldus [appellante].

3.1.    Artikel 8, eerste lid, van de RWN luidt:

''Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker

[…]

c. die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, toelating en hoofdverblijf heeft;

[…]''

3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris de afwijzing van het verzoek ten onrechte op het Bericht Omtrent Toelating en het besluit van de DIMAS van 3 februari 2017 heeft gebaseerd. De enkele omstandigheid dat [appellante] van 6 november 2016 tot 2 juni 2017 geen geldige verblijfsvergunning had leidt al tot het oordeel dat zij niet voldoet aan het vereiste van vijf jaren onafgebroken toelating en hoofdverblijf in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris het verzoek terecht op deze grond heeft afgewezen. Dat de DIMAS bij besluit van 24 november 2020 aan [appellante] met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft verleend tot tijdelijk verblijf van 6 november 2016 tot en met 2 juni 2017, leidt niet tot een ander oordeel. Ten tijde van het besluit van 24 juli 2019 was niet op voorhand duidelijk dat de DIMAS een dergelijk besluit zou nemen. Dat betekent dat het besluit van 24 juli 2019 niet onrechtmatig is. [appellante] heeft verder niet met gegevens of bescheiden toegelicht waarom de informatie van de DIMAS ten tijde van het besluit van 21 februari 2019 was achterhaald. Hierdoor bestaat geen aanleiding om te concluderen dat de staatssecretaris het besluit van 21 februari 2019 onzorgvuldig heeft voorbereid en bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de kosten van het bezwaarschrift.

Het betoog faalt.

4.       [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen aanleiding bestaat om haar alsnog te laten horen in bewaar, omdat zij in beroep bij de rechtbank alsnog naar voren heeft kunnen brengen wat zij op een hoorzitting in bezwaar naar voren had kunnen brengen. Volgens [appellante] had de staatssecretaris haar alsnog moeten horen, omdat de staatssecretaris het besluit van 24 juli 2019 onzorgvuldig heeft voorbereid. Op de hoorzitting had zij nader kunnen ingaan op de verschillende lopende procedures bij het gerecht in Aruba, aldus [appellante].

4.1.    De staatssecretaris mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen in bezwaar afzien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend standpunt. Vaststaat dat [appellante] voorafgaand aan het nemen van het besluit van 24 juli 2019 niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord. Dit is in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb. De staatssecretaris heeft ten onrechte van het horen afgezien. [appellante] heeft, gelet op hetgeen hiervoor, onder 2, is overwogen, terecht aangevoerd dat het besluit van 24 juli 2019 onzorgvuldig is voorbereid, omdat in dit besluit de staatssecretaris niet is ingegaan op de aanvullende gronden van bezwaar.

De rechtbank heeft echter terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. [appellante] heeft haar standpunt in beroep ter zitting van de rechtbank aan de orde kunnen stellen. Gelet op wat de Afdeling hiervoor, onder 3.2, heeft overwogen, kan wat zij daar heeft aangevoerd niet leiden tot het oordeel dat het besluit van 24 juli 2019 onjuist is.

Het betoog faalt.

5.       [appellante] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de kosten voor faxen niet hoeven te worden vergoed, omdat het gaat om kosten van internationaal telefaxen.

5.1.    Artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) luidt:

"Een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 onderscheidenlijk een vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, of 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan uitsluitend betrekking hebben op:

[…]

f. kosten van uittreksels uit de openbare registers, telegrammen, internationale telexen, internationale telefaxen en internationale telefoongesprekken, […]"

5.2.    Ingevolge artikel 1 van het Besluit komen de kosten van internationaal telefaxen voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat deze kosten onder normale kantoorkosten vallen en dus heeft de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding voor deze kosten toegekend.

Het betoog slaagt.

6.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de rechtbank geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de kosten voor internationaal telefaxen. De Afdeling zal zelf de kosten van internationaal telefaxen en de kosten van internationale telefoongesprekken in hoger beroep vaststellen. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 november 2020 in zaak nr. 19/6100, voor zover de rechtbank daarbij geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de kosten van internationaal telefaxen;

III.      bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de kosten van internationaal telefaxen en internationale telefoongesprekken opgekomen kosten tot een bedrag van € 23,65;

VI.      gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 265,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G. Kamminga, griffier.

w.g. Bijloos

lid van de enkelvoudige kamer     

w.g. Kamminga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2021

876.