Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2023

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
202003608/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] heeft de rechtbank op 11 oktober 2017 op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade als gevolg van een onrechtmatige uitzetting naar Pakistan. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij behoort tot de Ahmadi-minderheid. [appellant] stelt materiële en immateriële schade (in totaal € 56.286,80, te vermeerderen met wettelijke rente) te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige uitzetting naar Islamabad (Pakistan) op 18 februari 2015. [appellant] stelt in Pakistan te zijn aangevallen door een groep moslimfundamentalisten, waardoor hij in het ziekenhuis is beland. Daarna is hij twee maanden ondergedoken. Begin mei 2015 heeft hij Pakistan verlaten en is via Iran, Turkije, Griekenland en de Balkanroute naar Duitsland gereisd. In september 2015 is hij in Duitsland aangekomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003608/1/A2.

Datum uitspraak: 8 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroepen van:

1.       de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2.       [appellant],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 mei 2020 in zaak nr. 18/5637 op een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

[appellant]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

[appellant] heeft de rechtbank op 11 oktober 2017 op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb verzocht om vergoeding van materiële en immateriële schade als gevolg van een onrechtmatige uitzetting naar Pakistan.

Bij tussenuitspraak van 31 juli 2019 heeft de rechtbank geoordeeld dat de uitzetting van [appellant] op 18 februari 2015 naar Pakistan onrechtmatig was.

Bij einduitspraak van 28 mei 2020 heeft de rechtbank de staatssecretaris veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan [appellant] van € 15.240,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2018, en veroordeeld in de proceskosten van € 1.312,50. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2021, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. I.M. van der Heijden, advocaat te Den Haag, en A. Rijkelijkhuizen, en [appellant], vertegenwoordigd door mr. T. de Boer, advocaat te Amsterdam, en S. Vandana, tolk, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       In hoger beroep is in geschil of de staatssecretaris onrechtmatig heeft gehandeld en zo ja, of [appellant] aanspraak kan maken op een schadevergoeding en wat de omvang daarvan is.

2.       Onder de staatssecretaris worden hierna ook verstaan: diens rechtsvoorgangers.

Het verzoek

3.       [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Hij behoort tot de Ahmadi-minderheid.

4.       [appellant] stelt materiële en immateriële schade (in totaal € 56.286,80, te vermeerderen met wettelijke rente) te hebben geleden als gevolg van de onrechtmatige uitzetting naar Islamabad (Pakistan) op 18 februari 2015.

5.       [appellant] stelt in Pakistan te zijn aangevallen door een groep moslimfundamentalisten, waardoor hij in het ziekenhuis is beland. Daarna is hij twee maanden ondergedoken. Begin mei 2015 heeft hij Pakistan verlaten en is via Iran, Turkije, Griekenland en de Balkanroute naar Duitsland gereisd. In september 2015 is hij in Duitsland aangekomen. In december 2015 heeft hij van zijn advocaat vernomen dat hem in Nederland legaal verblijf werd verleend en is hij naar Nederland teruggekeerd.

6.       De gestelde schade is als volgt opgebouwd: vergoeding voor onrechtmatige vreemdelingendetentie € 240,00; immateriële schade wegens uitzetting € 35.000,00; kosten ziekenhuis in Pakistan € 1.100,00; totale kosten vlucht uit Pakistan € 15.024,00; advocaatkosten € 4.446,80 en wettelijke rente € 4.838,05 P.M.

Asielprocedure

7.       [appellant] heeft op 13 februari 2012 een eerste aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen in Nederland. De staatssecretaris heeft bij besluit van 21 februari 2012 de aanvraag afgewezen. De rechtbank ’s-Gravenhage, zittingsplaats Almelo, heeft bij uitspraak van 23 maart 2012 het hiertegen door [appellant] gerichte beroep ongegrond verklaard. Op 3 september 2012 heeft de Afdeling deze uitspraak in hoger beroep bevestigd (zaak nr. 201203279/1/V4).

8.       De staatssecretaris heeft [appellant] in het besluit van 21 februari 2012 gewezen op de rechtsgevolgen van het besluit. Op grond van artikel 45 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) was [appellant] verplicht om Nederland binnen vier weken uit eigen beweging te verlaten, bij gebreke waarvan hij kon worden uitgezet.

9.       Op 10 december 2012 heeft [appellant] voor de tweede keer een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 21 juni 2013 heeft de staatssecretaris deze aanvraag afgewezen. Het door [appellant] tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, van 7 november 2013 ongegrond verklaard. Op 18 april 2014 heeft de Afdeling deze uitspraak in hoger beroep bevestigd (zaak nr. 201310921/1/V2).

10.     Op 13 februari 2014 heeft [appellant] een derde asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft bij besluit van 17 februari 2014 die aanvraag afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, heeft bij uitspraak van 11 maart 2014 het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is op 18 april 2014 door de Afdeling bevestigd bij haar uitspraak in zaak nr. 201402254/1/V2.

11.     Op 30 oktober 2014 heeft [appellant] voor de vierde keer een asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft deze aanvraag afgewezen op 27 november 2014 op grond van artikel 4:6 van de Awb. Het door [appellant] tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 12 december 2014 ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.

12.     Op 30 oktober 2014 is [appellant] tot zijn uitzetting op 18 februari 2015 in vreemdelingenbewaring geplaatst.

13.     [appellant] heeft op 16 februari 2015 een vijfde asielaanvraag ingediend.

14.     Bij besluit van 16 februari 2015 heeft de staatssecretaris de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd naar voorlopig oordeel aangemerkt als herhaalde aanvraag. Hij heeft ook bepaald dat uitzetting niet achterwege wordt gelaten op grond van artikel 3.1, eerste lid en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

15.     [appellant] heeft op 16 februari 2015 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 februari 2015 en tegen de voorgenomen uitzetting naar Islamabad op 18 februari 2015. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die ertoe strekt de uitzetting te verbieden, totdat op de bezwaren is beslist.

16.     Bij uitspraak van 17 februari 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, het verzoek van [appellant] tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

17.     Volgens de voorzieningenrechter was het geschil beperkt tot de vraag of zich nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de uitzetting van [appellant] in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De voorzieningenrechter heeft deze vraag ontkennend beantwoord. In het bijzonder heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [appellant] niet heeft aangetoond dat zich in dit geval bijzondere feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, als bedoeld in het arrest van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland (JV 1998/45), waardoor [appellant] een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM te vrezen zou hebben.

18.     Op 18 februari 2015 is [appellant] daadwerkelijk uitgezet naar Pakistan.

19.     [appellant] heeft op 6 maart 2015 het bezwaar tegen het op grond van artikel 3.1 van het Vb 2000 genomen besluit van 16 februari 2015 ingetrokken.

20.     Op 18 juni 2015 heeft [appellant] een zienswijze ingediend naar aanleiding van het voornemen van 22 mei 2015 tot afwijzing van de aanvraag van 16 februari 2015.

21.     Bij besluit van 16 augustus 2015 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] van 16 februari 2015 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.

22.     Op 22 augustus 2015 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het besluit van 16 augustus 2015. [appellant] heeft in zijn beroepschrift gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2667).

23.     De staatssecretaris heeft op 8 september 2015 het besluit van 16 augustus 2015 ingetrokken.

24.     De staatssecretaris heeft op 8 december 2015 alsnog aan [appellant] een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

25.     De aanleiding voor inwilliging van de vijfde asielaanvraag was de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015.

26.     Uit deze uitspraak volgt dat indien een Ahmadi in Pakistan openlijk uiting wenst te geven aan zijn religie, hij erkend moet worden als vluchteling. Er mag geen terughoudendheid verlangd worden in de uitoefening van het Ahmadigeloof. Deze uitspraak heeft geleid tot een ander beleid voor de beoordeling van asielverzoeken van Ahmadi's uit Pakistan.

27.     In het besluit van 8 december 2015 is het volgende vermeld:

"De verklaringen van betrokkene dat hij Ahmadi is worden geloofwaardig geacht. Eveneens worden zijn verklaringen over de wijze van het uiting geven aan zijn geloof aannemelijk geacht [...] Betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat hij verdragsvluchteling is op grond van zijn persoonlijke feiten en omstandigheden. [...] Dit besluit heeft van rechtswege tot gevolg dat betrokkene rechtmatig in Nederland verblijft."

28.     De vergunning is verleend met ingang van 16 februari 2015. De datum is overeenkomstig artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 vastgesteld op de dag van indiening van de asielaanvraag.

De tussenuitspraak van de rechtbank

29.     De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 31 juli 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:14814) overwogen dat de staatssecretaris [appellant] bij besluit van 8 december 2015 de vluchtelingenstatus heeft verleend, met terugwerkende kracht tot 16 februari 2015. De erkenning van de vluchtelingenstatus heeft declaratoire kracht. [appellant] is op 18 februari 2015 uitgezet naar Islamabad. Achteraf moet het er dus voor worden gehouden dat [appellant] op het moment dat hij werd uitgezet de vluchtelingenstatus had. Volgens de rechtbank is de uitzetting van [appellant] op 18 februari 2015 reeds hierom onrechtmatig geweest.

30.     De uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 februari 2015 ziet op een voorlopig besluit op grond van artikel 3.1 van het Vb 2000. De effectuering van een besluit dat naar zijn aard een voorlopig karakter heeft, brengt altijd een zeker risico met zich. In dit geval bestond het risico op refoulement en dit komt voor rekening van de Staat, aldus de rechtbank. Hieraan doet niet af dat de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015 de aanleiding was voor het besluit van 8 december 2015. Gelet op het karakter van de erkenning van vluchtelingschap dient dit voor rekening en risico van de Staat te blijven, aldus de rechtbank.

De einduitspraak van de rechtbank

31.     De rechtbank heeft in de uitspraak van 28 mei 2020 aan [appellant] een schadevergoeding van € 15.740,00 toegekend. Deze schadevergoeding is als volgt op gebouwd: € 15.000,00 aan immateriële schadevergoeding, € 500,00 aan reiskosten en € 240,00 voor onrechtmatige vreemdelingendetentie.

32.     Bij de omvang van de vergoeding voor immateriële schade heeft de rechtbank niet alleen de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor [appellant] meegewogen, maar ook de aard en ernst van de normschending. De onrechtmatige uitzetting bracht het risico op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM met zich, aldus de rechtbank.

Hoger beroep van de staatssecretaris

33.     Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank miskend dat de uitzetting op 18 februari 2015 niet onrechtmatig was. De grondslag van de uitzetting was het besluit van 13 februari 2012. Dit besluit moet voor rechtmatig worden gehouden, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2012, die gezag van gewijsde heeft gekregen.

34.     Volgens de staatssecretaris stond de vijfde asielaanvraag van 16 februari 2015 niet aan de uitzetting in de weg. In het besluit van 16 februari 2015 is vermeld dat [appellant] de behandeling van de asielaanvraag niet in Nederland mocht afwachten. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft [appellant] op 6 maart 2015 ingetrokken. Ook dit besluit van 16 februari 2015 is in rechte onaantastbaar geworden en moet voor rechtmatig worden gehouden. De rechtbank heeft miskend dat hij op 18 februari 2015 bevoegd was om [appellant] uit Nederland te verwijderen.

35.     De toekenning van de asielstatus met terugwerkende kracht per 16 februari 2015, leidt volgens de staatssecretaris niet tot de conclusie dat de uitzetting alsnog onrechtmatig was. De aanleiding voor de inwilliging van het asielverzoek was de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015. Deze uitspraak heeft geleid tot een beleidsverandering voor de beoordeling van asielverzoeken van Ahmadi's uit Pakistan. De ingangsdatum van de verblijfsvergunning is overeenkomstig artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000 vastgesteld op de datum van indiening van de asielaanvraag. Dit betekent niet dat de staatssecretaris heeft erkend dat de uitzetting onrechtmatig was, aldus de staatssecretaris.

36.     Omdat de uitzetting rechtmatig was, had de rechtbank het verzoek om schadevergoeding moeten afwijzen, aldus de staatssecretaris.

37.     In het geval de uitzetting wel voor onrechtmatig moet worden gehouden, vindt de staatssecretaris dat er geen grond voor schadevergoeding is. Daartoe stelt hij dat de onrechtmatige handeling niet aan hem toerekenbaar is. De beleidswijziging voor de beoordeling van asielverzoeken van Ahmadi’s was voor de staatsecretaris niet voorzienbaar. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst de staatssecretaris op het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722.

38.     Voorts betoogt de staatssecretaris dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een causaal verband bestaat tussen de uitzetting en de gestelde schade. [appellant] heeft niet aangetoond dat de gestelde schade is geleden als gevolg van het feit dat hij Ahmadi is en zijn geloof openlijk heeft beleden in Pakistan. Ook als hiervan wel moet worden uitgegaan, is de aanval volgens de staatsecretaris niet het directe gevolg van de uitzetting, maar van de bewuste wilskeuze van [appellant] om openlijk uiting te geven aan zijn religie. De schade kan niet in redelijkheid worden toegerekend aan de staatssecretaris.

39.     Daarbij komt dat [appellant] de gestelde materiële en immateriële schade niet aannemelijk heeft gemaakt.

40.     [appellant] heeft geen begin van bewijs geleverd van de kosten van het verblijf in het ziekenhuis en de kosten van de terugreis naar Nederland, aldus de staatssecretaris.

41.     Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank bij het vaststellen van de vergoeding voor immateriële schade ten onrechte rekening gehouden met de aard en de ernst van de normschending. Dit leidt volgens hem niet tot billijke vergoeding van daadwerkelijk geleden immateriële schade, maar tot een maatregel met een punitief karakter. Omdat de rechtbank een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd, kan alleen al daarom de toegekende schadevergoeding van € 15.000,00 niet in stand blijven, aldus de staatssecretaris.

42.     De rechtbank heeft verder onvoldoende onderkend dat [appellant] het gestelde psychische letsel niet aannemelijk heeft gemaakt. De door [appellant] overgelegde verklaringen van huisartsen vormen geen objectieve onderbouwing van psychisch leed, omdat deze berusten op de verklaringen van [appellant] zelf. Uit de later overgelegde verklaring van een psycholoog blijkt dat het naar omstandigheden goed gaat met [appellant].

43.     De rechtbank heeft evenmin inzichtelijk gemaakt hoe het relatief lichte letsel aan de pols van [appellant] is meegewogen in de schadevergoeding van € 15.000,00. Dat geldt ook voor het meewegen van de gestelde ontberingen tijdens de vlucht vanuit Pakistan naar Duitsland, aldus de staatssecretaris.

Incidenteel hoger beroep van [appellant]

44.     [appellant] betoogt in hoger beroep dat een bestuursrechtelijke schadeprocedure zo veel mogelijk dezelfde rechtswaarborgen moet bieden als een civiele procedure. De rechtbank heeft hem ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld om nader bewijs te leveren. Dit had gekund door een onderzoek door het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek te laten doen. Omdat de staatssecretaris onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld, dient volgens [appellant] de staatssecretaris ook te betalen voor de redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (artikel 6:96, tweede lid, onder b, van het Burgerlijk Wetboek).

45.     De rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris niet tijdig alle schadeposten (voldoende) heeft betwist. Volgens [appellant] staat daarom in rechte vast dat deze posten voor vergoeding in aanmerking komen. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat hij, om aan mishandeling en vervolging te ontkomen, naar West-Europa moest reizen. Daarmee miskent de rechtbank dat Ahmadi’s in omliggende landen geen vluchtelingenrechtelijke bescherming kunnen krijgen. Dat [appellant] recht had op bescherming in Europa, blijkt ook uit de asielvergunning die hem uiteindelijk is verleend.

46.     De door de rechtbank vastgestelde vergoeding voor immateriële schade van € 15.000,00 is te laag, gelet op de ernstige gevolgen van de onrechtmatige uitzetting. Hij heeft ernstige gevoelens van angst en onzekerheid ervaren. Bij aankomst is hij gedetineerd en na enkele dagen mishandeld door moslimfundamentalisten. Zijn oom en broer zijn eerder vermoord door moslimfundamentalisten en de staatssecretaris heeft dit geloofwaardig geacht. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt dat [appellant] aanspraak heeft op een hoger bedrag (€ 35.000,00) aan schadevergoeding.

47.     Volgens [appellant] is de door de rechtbank vastgestelde vergoeding voor materiële schade (€ 500,00) te laag. Het ligt in de aard van illegale migratie dat hij de kosten van de vlucht niet heeft kunnen onderbouwen. De rechtbank heeft daarbij miskend dat als de schade niet precies kan worden vastgesteld deze moet worden geschat (artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek). Ook heeft de rechtbank miskend dat de kosten van het vluchten uit het land van herkomst een noodzakelijk gevolg zijn van de onrechtmatige uitzetting en het risico op refoulement, dat zich in dit geval ook heeft verwezenlijkt.

De ziekenhuiskosten van behandeling in het Sughra Shafi Medical Complex heeft hij niet kunnen onderbouwen, omdat hij de rekening samen met de rest van zijn bagage is kwijtgeraakt toen zijn boot schipbreuk leed tijdens de eerste overtocht van Turkije naar Griekenland.

48.     [appellant] stelt voorts dat de rechtbank een onjuiste ingangsdatum voor de wettelijke rente heeft gehanteerd. De wettelijke rente is op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek zonder ingebrekestelling verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de schade die het gevolg is van de onrechtmatige daad is ingetreden. De rechtbank heeft ten onrechte de dag waarop het verzoekschrift is ingediend gehanteerd.

49.     [appellant] betoogt tot slot dat de rechtbank een te laag bedrag heeft toegekend voor de vergoeding van kosten van rechtskundige bijstand. Dit leidt tot een discrepantie tussen het civiele recht en het bestuursrecht. [appellant] heeft niet de mogelijkheid om zijn zaak aan de civiele rechter voor te leggen. Voor de redelijke kosten ter vaststelling van de schade en de aansprakelijkheid is in het verzoekschrift een inschatting van 20 uur gegeven. Conform artikel 6:96, tweede lid, en onder b, van het Burgerlijk Wetboek moeten deze kosten worden aangemerkt als schade die losstaat van de rest van de proceskosten. De proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb compenseert de advocaatkosten voor deze bewerkelijke procedure onvoldoende. De rechtbank had op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) wegingsfactor 2 kunnen hanteren of meer punten voor proceshandelingen kunnen toekennen.

Wettelijk kader

50.     In artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. In artikel 71a, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald dat, in afwijking van artikel 8:89, tweede lid, van de Awb, de bestuursrechter bij uitsluiting bevoegd is tot behandeling van een verzoek als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, tot vergoeding van schade die een vreemdeling lijdt als gevolg van een onrechtmatig besluit ten aanzien van deze vreemdeling als zodanig.

51.     Uit de artikelen 72, derde lid, en 72a van de Vw 2000 volgt dat de bestuursrechter bevoegd is te oordelen over een verzoek om schadevergoeding als gevolg van de feitelijke uitzetting op 18 februari 2015.

Beoordeling van de hoger beroepen

52.     De Afdeling ziet aanleiding de hoger beroepen van de staatssecretaris en [appellant] hieronder gezamenlijk te bespreken.

Onrechtmatigheid uitzetting

53.     In artikel 33, eerste lid, van het Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen van Genève van 28 juli 1951 (Trb 1951, 131), zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (Trb 1967, 76; hierna: het Vluchtelingenverdrag) is bepaald dat geen van de Verdragsluitende Staten, op welke wijze ook, een vluchteling zal uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

54.     Uit de rechtspraak van het EHRM (zie onder meer het arrest van 20 maart 1991, Cruz Varas e.a. tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:1991:0320JUDO001557689, punten 69 en 70) volgt dat artikel 3 van het EVRM een verbod op refoulement inhoudt. Volgens de Toelichting bij het EU Handvest is deze rechtspraak in het EU Handvest overgenomen in artikel 19, tweede, van dat Handvest.

55.     Uit het arrest van het EHRM van 15 november 1996, Chahal tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1996:1115JUD002241493, punt 74, volgt dat het verwijderen naar een land waar behandeling verboden bij artikel 3 van het EVRM dreigt, schending van artikel 3 van het EVRM oplevert:

"It is well-established in the case-law of the Court that expulsion by a Contracting State may give rise to an issue under Article 3, and hence engage the responsibility of that State under the Convention, where substantial grounds have been shown for believing that the person in question, if expelled, would face a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3 in the receiving country."

56.     De rechtbank heeft terecht overwogen dat de erkenning van de vluchtelingenstatus declaratoire kracht heeft. Het Hof van Justitie heeft in het arrest van 24 juni 2015, H.T. (ECLI:EU:C:2015:413) onder 63 overwogen dat de lidstaten in dit opzicht geen beoordelingsbevoegdheid bezitten. Indien de vluchtelingenstatus aan een persoon is toegekend, moeten de lidstaten aan de vluchteling een verblijfstitel verstrekken. In het Nederlandse recht valt de verlening van de vluchtelingenstatus samen met de verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:260).

57.     De staatssecretaris heeft aan [appellant] bij het besluit van 8 december 2015 op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met terugwerkende kracht tot de datum van zijn laatste aanvraag op 16 februari 2015. Dit is dan ook de datum waarop [appellant] met terugwerkende kracht als vluchteling is erkend.

58.     Dit betekent dat [appellant] de vluchtelingenstatus had toen hij op 18 februari 2015 werd uitgezet. Dat betekent dat de uitzetting van [appellant] onrechtmatig was. De uitzetting was in strijd met, onder meer, artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM. [appellant] liep bij terugkeer in Pakistan een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

59.     De uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 februari 2015 leidt niet tot een ander oordeel. De uitspraak ziet op het besluit van 16 februari 2015, dat is genomen op grond van artikel 3.1 van het Vb 2000. Dit besluit is vervallen door de latere besluitvorming. De uitvoering van een voorlopig besluit brengt risico op refoulement met zich. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dit risico voor risico van de staatssecretaris komt, mede gelet op het absolute karakter van het verbod op refoulement.

60.     De staatssecretaris betoogt terecht dat er met het besluit van 21 februari 2012 en de latere besluiten op de herhaalde asielaanvragen een grondslag voor rechtmatige uitzetting was op het moment van die uitzetting. Dit laat echter onverlet dat in dit geval [appellant] ten tijde van de uitzetting naar Pakistan de vluchtelingenstatus had en dus niet had mogen worden uitgezet.

61.     Het betoog van de staatssecretaris dat de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015 de aanleiding was om het beleid over de beoordeling van asielaanvragen van Ahmadi’s te wijzigen, leidt niet tot een ander oordeel. Deze uitspraak geeft weer hoe het recht daarvoor was: Ahmadi’s die in Pakistan hun religie openlijk willen belijden zijn vluchteling.

62.     Het betoog van de staatssecretaris faalt.

Toerekening

63.     Voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van schade wordt, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 3 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4855) aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht.

64.     Uit artikel 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek vloeit voort dat de staatssecretaris schade die een gevolg is van zijn onrechtmatige handelen, slechts moet vergoeden indien dit handelen aan hem kan worden toegerekend. Het is vaste jurisprudentie dat een bestuursorgaan een onrechtmatige daad pleegt als het handelt in strijd met de wet of met een andere hogere regeling. In dat geval kan volgens verkeersopvattingen die onrechtmatige daad aan het bestuursorgaan worden toegerekend. Dit geldt ook als het bestuursorgaan geen enkel verwijt zou treffen. (Zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 26 september 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9505 (Staat/Hoffmann-La Roche) en het arrest van 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722).

65.     Anders dan de staatssecretaris betoogt, dient de onrechtmatigheid van het besluit van 16 februari 2015 en van de feitelijke uitzetting aan hem te worden toegerekend. Het betoog van de staatssecretaris dat hij het besluit van 16 februari 2015 heeft genomen, omdat hij nog niet op de hoogte was van de uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015, maakt dit niet anders. Het is immers niet relevant of de staatssecretaris een verwijt kan worden gemaakt (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3879).

Daarbij komt dat uit de verlening van de vergunning met terugwerkende kracht volgt dat de eerdere weigering bij besluit van 16 februari 2015 achteraf bezien niet in stand is gebleven. Anders dan de staatssecretaris betoogt, is het arrest van de Hoge Raad van 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722, in dit geval niet van toepassing. Dat arrest ziet op de aansprakelijkheid van de Staat voor de onjuiste implementatie van Europese richtlijnen in wetgeving in formele zin.

66.     Het betoog van de staatssecretaris faalt.

Causaal verband

67.     Het causale verband als bedoeld in art. 6:162, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (het condicio sine qua non-verband), waar het hier om gaat, moet worden vastgesteld door vergelijking van enerzijds de situatie zoals die zich in werkelijkheid heeft voorgedaan, en anderzijds de hypothetische situatie die zich zou hebben voorgedaan als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven. Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 6 januari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:18) en de uitspraken van de Afdeling van 28 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3462) en 31 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1429).

68.     De hoofdregel is dat de belanghebbende die in een verzoek om toepassing van artikel 8:88 van de Awb stelt dat hij voor vergoeding in aanmerking komende schade lijdt als gevolg een onrechtmatige gedraging van een bestuursorgaan, bij gemotiveerde betwisting daarvan door het bestuursorgaan, het door hem gestelde causaal verband dient te bewijzen. De rechter kan in de bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding vinden om te oordelen dat op het bestuursorgaan een verzwaarde motiveringsplicht rust (dat wil zeggen een verplichting om voldoende feitelijke gegevens te verstrekken ter motivering van zijn betwisting, teneinde de benadeelde voldoende aanknopingspunten te bieden voor het nader onderbouwen en zo nodig bewijzen van de door hem gestelde feiten). Als een partij haar betwisting van de stellingen van de andere partij onvoldoende motiveert, kan de rechter aan die betwisting voorbijgaan, zodat de gestelde feiten vaststaan. Daarnaast kan de rechter, indien de wederpartij de stellingen van de benadeelde ter zake van het condicio sine qua non-verband voldoende heeft betwist, op grond van zijn waardering van de wederzijdse stellingen en het voorhanden bewijsmateriaal de betwiste stelling voorshands bewezen achten, behoudens tegenbewijs. Ten slotte kan de rechter oordelen dat in de bijzondere omstandigheden van het geval uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een omkering van de bewijslast voortvloeit (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1510, rechtsoverweging 4.3.).

69.     De staatssecretaris heeft in strijd met het verbod op refoulement gehandeld. [appellant] stelt daardoor schade te hebben geleden, omdat hij is aangevallen door moslimfundamentalisten en zich genoodzaakt zag te vluchten uit Pakistan. De Afdeling stelt vast dat beide partijen in bewijsnood verkeren. Bij schending van een norm die ertoe strekt om specifiek het gevaar op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM te voorkomen, ligt het echter op grond van redelijkheid en billijkheid op de weg van de staatssecretaris aannemelijk te maken dat de schade ook zonder de onrechtmatige uitzetting zou zijn ontstaan. De staatssecretaris heeft niet gesteld en aannemelijk gemaakt dat de door [appellant] gestelde schade ook zou zijn opgetreden zonder de onrechtmatige uitzetting. In dit geval kan worden aangenomen dat de door [appellant] gestelde schade zonder de uitzetting niet zou zijn ontstaan.

70.     De vaststelling van dit verband is niet voldoende voor een aanspraak op vergoeding van de gestelde schade. Daarvoor moet ook blijken  dat de schade aan de gedraging van staatssecretaris kan worden toegerekend. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van objectieve factoren, zoals de aard van de aansprakelijkheid en van de schade (artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek).

71.     De staatssecretaris betoogt dat de toerekening naar redelijkheid in de weg staat aan het aannemen van causaal verband. Daartoe stelt hij dat de aanval en de daaruit voortvloeiende schade niet het directe gevolg zijn van de uitzetting, maar van de bewuste wilskeuze van [appellant] om openlijk uiting te geven aan zijn religie.

72.     Dit betoog treft geen doel. Het EHRM heeft in het arrest van 18 januari 1978, Ierland tegen het Verenigd Koninkrijk ECLI:CE:ECHR:1978:0118JUD000531071, punt 163, bepaald dat het recht voortvloeiend uit artikel 3 van het EVRM niet beperkt kan worden op basis van eigenschappen of gedragingen van het slachtoffer. Ook overigens is er geen grond voor het oordeel dat de gestelde schade in een te ver verwijderd verband staat met de onrechtmatige uitzetting en daarom niet in redelijkheid toegerekend kan worden aan de staatssecretaris. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2015 volgt dat Ahmadi’s die in Pakistan hun religie openlijk willen belijden vluchteling zijn. Er mag geen terughoudendheid verlangd worden in de uitoefening van het Ahmadigeloof.

73.     Het betoog van de staatssecretaris faalt.

De (onderbouwing van de) schade

74.     [appellant] betoogt dat de staatssecretaris de schadeposten bij de rechtbank niet of niet voldoende heeft betwist.

75.     De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris de omvang van de schade op onderdelen heeft weersproken. Omdat de staatssecretaris dat eerst op de zitting heeft gedaan, heeft de rechtbank in de tussenuitspraak [appellant] in de gelegenheid gesteld de gestelde schade nader te onderbouwen (zie rechtsoverweging 7 van de uitspraak van 28 mei 2020). De volgens [appellant] ontoereikende weerspreking van de gestelde schadeposten, betekent niet dat de rechtbank alleen al daarom schadevergoeding had moeten toekennen. De bestuursrechter wijst een verzoek om vergoeding van schade toe als de schade aannemelijk is en hij de omvang van de schade kan vaststellen. De bewijslast van de schade en de omvang daarvan ligt in beginsel bij degene die stelt schade te hebben geleden. Een vordering tot schadevergoeding moet deugdelijk worden onderbouwd. Bij het ontbreken van een deugdelijke onderbouwing is het aan de bestuursrechter daaraan gevolgen te verbinden. Hij kan zo nodig bepalen dat nader bewijs moet worden geleverd. Anders dan [appellant] betoogt, brengt artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek niet mee dat de rechter van deze regels van stelplicht en bewijslast moet afwijken.

Immateriële schade

76.     De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, omdat het naar billijkheid vastgestelde bedrag aan schadevergoeding te hoog is vastgesteld.

77.     Voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4952), aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht.

78.     Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

"Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

[…]

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

[…]"

79.     Van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel of lichamelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan meebrengen dat de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In dat geval zal degene die zich hierop beroept dit met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders als de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW doet zich niet reeds voor bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

80.     De Afdeling stelt vast dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, rechtsoverweging 2.4.5). Dit vereiste houdt niet in dat het moet gaan om een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, en evenmin dat dit geestelijk letsel slechts door een psychiater of psycholoog kan worden vastgesteld (zie het arrest van 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024, rechtsoverweging 2.6.1). De verklaringen van de huisartsen zijn niet toereikend, omdat deze berusten op verklaringen van [appellant] zelf. De verklaring van een psycholoog van 27 februari 2020 vermeldt niet dat [appellant] psychisch letsel heeft opgelopen. Immateriële schade komt in dit geval evenmin voor vergoeding in aanmerking door het opgelopen lichamelijk letsel. [appellant] heeft oppervlakkig letsel aan zijn pols en heeft functieverlies van zijn hand of pols niet gesteld of aannemelijk gemaakt.

81.     Anders dan de staatssecretaris betoogt, heeft de rechtbank in de beoordeling van de vergoedbaarheid van de gestelde immateriële schade terecht overwogen dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de betrokkene tot het oordeel kunnen leiden dat iemand ‘in zijn persoon is aangetast’ (zie het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376). De betrokkene zal de aantasting in zijn persoon in beginsel met concrete gegevens moeten onderbouwen. Wel kan de aard en ernst van de normschending in bepaalde gevallen meebrengen dat de relevante nadelige gevolgen voor de betrokkene zó voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon valt aan te nemen.

82.     In dit geval zijn de ernst van de normschending, namelijk het handelen in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag, en de gevolgen daarvan, te weten het risico op onmenselijke en/of vernederende behandeling, zodanig dat die alleen al daarom een aantasting van de persoon opleveren. Anders dan de staatssecretaris betoogt, zijn de feitelijke schadelijke gevolgen (geestelijk en fysiek letsel) van uitzetting niet beslissend voor de vraag of aanspraak bestaat op vergoeding van immateriële schade. Daarbij komt dat het verwijderen naar een land waar een bij artikel 3 van het EVRM verboden behandeling dreigt, per definitie gevoelens van angst, onveiligheid en onzekerheid met zich brengt. Zie het eerdergenoemde arrest van het EHRM van 20 maart 1991, Cruz Varas e.a. v. Zweden.

83.     [appellant] heeft alleen al daarom recht op een vergoeding voor immateriële schade. De rechtbank heeft geen aanleiding hoeven te zien om [appellant] in de gelegenheid te stellen om nader bewijs te leveren.

84.     Een vergoeding voor immateriële schade moet volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek naar billijkheid worden vastgesteld.

85.     Anders dan de staatssecretaris betoogt, hoefde de rechtbank geen lager bedrag dan € 15.000,00 toe te kennen. De feitelijke gevolgen in de vorm van vastgesteld fysiek en geestelijk letsel vormen niet de aanleiding voor vergoeding van immateriële schade. De schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag en het risico op refoulement rechtvaardigen een schadevergoeding op grond van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek. Gelet op de aard en de gevolgen van de normschending mocht de rechtbank deze schadevergoeding naar billijkheid vaststellen op € 15.000,00.

86.     [appellant] vindt dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan vergoeding voor immateriële schade.

87.     [appellant] stelt dat het EHRM in, onder meer, de arresten van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609, 26 januari 2017, X tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2017:0126JUD001674414, en 14 november 2013, Kasymakhunov tegen Rusland, ECLI:CE:ECHR:2013:1114JUD002960412, hogere bedragen heeft toegekend van respectievelijk € 24.900,00, € 30.000,00 en € 30.000,00.

88.     In het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland kwam het EHRM tot het oordeel dat, onder meer gelet op de risico's die voortvloeien uit de gebreken in de Griekse asielprocedure en de leefomstandigheden van asielzoekers in Griekenland, overdracht aan Griekenland in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Het EHRM heeft in het arrest M.S.S. daarnaast een schending van artikel 13 van het EVRM in samenhang met artikel 3 van het EVRM aangenomen. Het EHRM heeft in dat verband overwogen dat er in Griekenland geen effectieve waarborgen waren tegen willekeurige terugzending van een vreemdeling naar zijn land van herkomst en daarom een risico op refoulement bestond. M.S.S. heeft maanden in vernederende omstandigheden op straat geleefd in Griekenland en kampte met onzekerheid en totaal gebrek aan vooruitzicht (punt 263).

89.     In het arrest X tegen Zwitserland heeft het EHRM overwogen dat Zwitserland in strijd met artikel 3 van het EVRM heeft gehandeld door een voormalig Tamil-strijder uit te zetten naar Sri Lanka. Na zijn uitzetting op 21 augustus 2013 heeft X voor langere tijd vastgezeten in een gevangenis, waar hij is mishandeld, en daarna in een ‘rehabilitatiecentrum’. In april 2015 is hij vrijgekomen en kon hij terugkeren naar Zwitserland (punt 64).

90.     In het arrest Kasymakhunov tegen Rusland heeft het EHRM overwogen dat Rusland in strijd met artikel 3 van het EVRM heeft gehandeld. Rusland heeft de gedwongen verdwijning van Kasymakhunov naar Oezbekistan niet voorkomen en heeft hiernaar geen effectief onderzoek gedaan. Het bedrag van € 30.000,00 is toegekend aan vertegenwoordigers van Kasymakhunov. Sinds zijn gedwongen vertrek naar Oezbekistan is onbekend is waar hij is.

91.     De Afdeling is van oordeel dat deze arresten niet nopen tot een hogere schadevergoeding dan € 15.000,00. De ernst van de schending van artikel 3 van het EVRM rechtvaardigt toekenning van dit bedrag. De ernst van de feitelijke gevolgen van de schending is niet vergelijkbaar met de situaties die in de aangehaalde arresten aan de orde waren. [appellant] heeft geen bewijs geleverd voor zijn verblijf en behandeling in het ziekenhuis als gevolg van de aanval en ook (de omstandigheden van) zijn vlucht uit Pakistan in het geheel niet onderbouwd.

92.     De betogen van de staatssecretaris en van [appellant] treffen geen doel.

Materiële schade

93.     Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] recht heeft op € 240,00 voor de onrechtmatige detentie.

94.     Volgens de staatssecretaris heeft [appellant] recht op vergoeding van de kosten (€ 500,00) van de reis naar Nederland na de verlening van de verblijfsvergunning asiel.

95.     [appellant] stelt recht te hebben op € 15.500,00. Hij stelt dit bedrag te hebben betaald om via smokkelroutes naar Nederland te kunnen terugkeren.

96.     De Afdeling acht het aannemelijk dat [appellant] na zijn onrechtmatige uitzetting kosten heeft moeten maken om aan mishandeling te ontkomen en naar Nederland terug te keren. [appellant] heeft de gestelde kosten van zijn terugkeer via smokkelroutes naar Nederland niet onderbouwd. Hij heeft slechts op algemene rapporten gewezen. Onder deze omstandigheden is het aanvaardbaar dat de rechtbank de schade voor die terugreis heeft gesteld op € 500,00. Dit is ongeveer de prijs van een enkele reis per vliegtuig vanuit Islamabad naar Amsterdam.

97.     [appellant] heeft evenmin bewijs geleverd dat en zo ja, wanneer, hij voor de gevolgen van de aanval door moslimfundamentalisten is behandeld in het Sughra Shafi Medical Complex. De rechtbank heeft terecht overwogen dat een uitdraai van een facebook-conversatie in de periode van 17 september 2019 tot 30 oktober 2019 daartoe onvoldoende is.

98.     Het betoog van [appellant] faalt.

Wettelijke rente

99.     [appellant] betoogt terecht dat de wettelijke rente toewijsbaar is vanaf de dag van de onrechtmatige uitzetting (18 februari 2015). Op dat moment is de immateriële schade ingetreden. Vergelijk de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:123 en 3 oktober 2006, ECU:NL:HR:2006:AW3559. De rechtbank is ten onrechte uitgegaan van de dag van het indienen van het verzoekschrift (26 juli 2018).

100.   Het beroep van [appellant] over de ingangsdatum van de wettelijke rente is gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet in zoverre worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, bepaalt de Afdeling dat de schadevergoeding moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2015.

Vergoeding proceskosten in beroep

101.   De rechtbank heeft de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op grond van het Bpb vastgesteld op € 1.312,50. De rechtbank heeft 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na de tussenuitspraak toegekend (2,5 x € 525,00).

102.   Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is, gelet op artikel 8:94, eerste lid, van de Awb, van overeenkomstige toepassing op een verzoek om schadevergoeding en de behandeling daarvan. Uit deze artikelen volgt dat bij de behandeling van een verzoek om schadevergoeding de proceskostenveroordeling plaatsvindt overeenkomstig het Bpb. De rechtbank heeft een juist aantal punten toegekend en heeft geen aanleiding hoeven zien voor een hogere wegingsfactor.

103.   Voor zover [appellant] een hogere vergoeding wenst voor de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand en betoogt dat ten onrechte niet het volledige bedrag aan kosten is vergoed, overweegt de Afdeling dat het limitatieve en forfaitaire karakter van de regeling van de proceskostenveroordeling, geen ruimte laat voor een aanvullende vergoeding van proceskosten langs de weg van artikel 8:88 van de Awb (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2309).

104.   Voor zover [appellant] stelt dat de burgerlijke rechter hogere vergoedingen toekent, leidt dit niet tot een ander oordeel. Dit gestelde verschil vloeit voort uit de keuze van de wetgever.

Conclusie

105.   Het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond. Het incidenteel hoger beroep van [appellant] is gegrond, voor zover de rechtbank  een verkeerde ingangsdatum voor de wettelijke rente heeft gehanteerd. De aangevallen uitspraak wordt in zoverre vernietigd. De Afdeling bepaalt dat de staatssecretaris de wettelijke rente vanaf 18 februari 2015 moet vergoeden.

106.   De staatssecretaris moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid ongegrond;

II.       verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant] gegrond;

III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 mei 2020 in zaak nr. 18/5637, voor zover daarbij de ingangsdatum voor wettelijke rente over de schadevergoeding is vastgesteld op 26 juni 2018;

IV.     bepaalt dat de wettelijke rente vanaf 18 februari 2015 moet worden vergoed;

V.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van de in het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.244,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.     bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 532,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Borman

voorzitter    

w.g. Planken

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2021

299.