Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2014

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-09-2021
Datum publicatie
08-09-2021
Zaaknummer
202005359/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 januari 2019 heeft de CSG een aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen. [appellant] heeft een uitkering uit het schadefonds aangevraagd wegens een lichamelijke mishandeling. Bij het besluit van 17 januari 2019 heeft de CSG die aanvraag afgewezen, omdat het lichamelijk letsel niet als ernstig kon worden aangemerkt en het psychisch letsel niet met objectieve informatie was gestaafd. Bij het besluit van 25 oktober 2019 heeft de CSG een uitkering uit letselcategorie 2 toegekend, omdat uit een brief van een psycholoog van 28 mei 2019 is gebleken dat [appellant] als gevolg van de mishandeling inmiddels onder behandeling was voor een depressieve stoornis en PTSS-klachten. [appellant] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld, omdat hij recht meent te hebben op een uitkering uit letselcategorie 3.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005359/1/A2.

Datum uitspraak: 8 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 4 september 2020 in zaak nr. 19/5223 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 17 januari 2019 heeft de CSG een aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven afgewezen.

Bij besluit van 25 oktober 2019 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en hem een uitkering van € 2.500,00 toegekend.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 19 maart 2020 heeft de CSG het besluit van 25 oktober 2019 ingetrokken, het bezwaar wederom gegrond verklaard en [appellant] een uitkering van € 5.000,00 toegekend.

[appellant] heeft daarop het beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om de CSG te veroordelen in de proceskosten gemaakt voor het beroep.

Bij uitspraak van 4 september 2020 heeft de rechtbank dat verzoek afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2021, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.T. Poort, advocaat te Beverwijk, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding en geschil

1.       Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven kunnen uit het schadefonds uitkeringen worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.

Bij het beoordelen van een aanvraag om een uitkering uit het schadefonds hanteert de CSG beleid, neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 juli 2019. De CSG gebruikt zes letselcategorieën, waaraan vaste, in hoogte oplopende bedragen zijn gekoppeld. Aan de hand van een letsellijst bepaalt de CSG in welke letselcategorie het opgelopen letsel past.

2.       [appellant] heeft een uitkering uit het schadefonds aangevraagd wegens een lichamelijke mishandeling. Bij het besluit van 17 januari 2019 heeft de CSG die aanvraag afgewezen, omdat het lichamelijk letsel niet als ernstig kon worden aangemerkt en het psychisch letsel niet met objectieve informatie was gestaafd.

Bij het besluit van 25 oktober 2019 heeft de CSG een uitkering uit letselcategorie 2 toegekend, omdat uit een brief van een psycholoog van 28 mei 2019 is gebleken dat [appellant] als gevolg van de mishandeling inmiddels onder behandeling was voor een depressieve stoornis en PTSS-klachten. [appellant] heeft tegen dat besluit beroep ingesteld, omdat hij recht meent te hebben op een uitkering uit letselcategorie 3.

Bij het besluit van 19 maart 2020 heeft de CSG een uitkering uit letselcategorie 3 toegekend, omdat uit een brief van de psycholoog van 14 januari 2020 is gebleken dat [appellant] meer dan 16 behandelingen heeft gehad en de behandeling inmiddels is beëindigd. Daarop heeft [appellant] de rechtbank bij brief van 23 april 2020 medegedeeld dat de CSG met dat besluit volledig is tegemoetgekomen aan zijn bezwaren, zodat hij het beroep ingevolge artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) intrekt met het verzoek om de CSG te veroordelen in de proceskosten.

3.       In geschil is de vraag of de CSG moet worden veroordeeld in de proceskosten die [appellant] heeft gemaakt voor het instellen van het beroep.

Oordeel van de rechtbank

4.       De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 8:75a van de Awb, voor een proceskostenveroordeling van belang is dat de intrekking van het beroep het gevolg is van een gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming door de CSG aan [appellant]. De rechtbank heeft de CSG gevolgd in zijn betoog dat het daarbij moet gaan om een onrechtmatigheid die aan de CSG te wijten is. Daarvan is in dit geval geen sprake, omdat pas uit de in beroep overgelegde brief van de psycholoog van 14 januari 2020 is gebleken dat [appellant] meer dan 16 behandelingen heeft ondergaan en daarmee recht heeft op een uitkering uit letselcategorie 3. Artikel 8:75a van de Awb is niet bedoeld voor de situatie dat het beroep wordt ingetrokken wegens nieuwe feiten of omstandigheden, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.       [appellant] betoogt dat het voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling ten laste van de CSG niet van belang is of het besluit van 25 oktober 2019 onrechtmatig was, maar of het rechtsmiddel slaagt. Dat is hier het geval, aangezien de CSG naar aanleiding van het beroep een nieuw besluit heeft genomen waarmee geheel tegemoet is gekomen aan de in het beroepschrift genoemde gronden. [appellant] wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1106, over artikel 8:75 van de Awb.

[appellant] stelt zich verder op het standpunt dat hier geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, aangezien al tijdens de bezwaarfase duidelijk was dat hij meer dan 16 behandelingen nodig zou hebben. Als hij door de CSG was gehoord tijdens de bezwaarfase, zou de CSG hiervan tijdig op de hoogte zijn geweest en zou het instellen van beroep niet nodig zijn geweest, aldus [appellant].

5.1.    Artikel 8:75, eerste lid, eerste volzin, van de Awb luidt:

"De bestuursrechter is bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de bestuursrechter, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken."

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, luidt:

"In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld."

5.2.    In de door [appellant] genoemde uitspraak van 4 april 2018 heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"Mede ter voorlichting van de rechtspraktijk, overweegt de Afdeling het volgende. Tot nu toe is bij de toepassing van artikel 8:75 van de Awb als regel het uiteindelijke oordeel omtrent de rechtmatigheid van het bestreden besluit bepalend geacht voor het antwoord op de vraag of een proceskostenveroordeling ten laste van het bestuursorgaan moet worden uitgesproken. De benadering van de andere hoogste bestuursrechters is een andere. Deze achten voor het antwoord op de vraag of tot een veroordeling van het bestuursorgaan in de proceskosten moet worden overgegaan, als regel het al dan niet slagen van het ingestelde rechtsmiddel bepalend. Ratio van de rechtspraak van de andere hoogste bestuursrechters is dat het niet redelijk wordt geacht dat de natuurlijke of rechtspersoon die met succes hoger beroep heeft ingesteld de bij hem opgekomen proceskosten niet vergoed krijgt. Uit een oogpunt van rechtseenheid sluit de Afdeling zich thans aan bij deze rechtspraak. Dit betekent dat in geval het hoger beroep slaagt, de kosten van dit beroep in beginsel voor risico van het bestuursorgaan komen, ook als het door het bestuursorgaan genomen besluit rechtmatig wordt bevonden. De Afdeling merkt hierbij op dat artikel 8:75 van de Awb in zijn huidige vorm de hogerberoepsrechter niet de mogelijkheid geeft om in de situatie waarin de uitspraak van de rechtbank onjuist is terwijl er sprake is van een rechtmatig besluit van het bestuursorgaan, de Staat in de proceskosten te veroordelen. Indien de wetgever het onwenselijk zou vinden dat in deze gevallen het bestuursorgaan in de proceskosten wordt veroordeeld, ligt het op diens weg de wet aan te passen."

5.3.    Van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb is geen sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit neemt op andere gronden dan door de indiener aangevoerd of wegens gewijzigde omstandigheden.

5.4.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de CSG niet aan [appellant] is tegemoetgekomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Het toekennen van een uitkering uit letselcategorie 3 vindt zijn grondslag in een omstandigheid die is opgekomen na het besluit op bezwaar van 25 oktober 2019, te weten het beschikbaar komen van nieuwe informatie van de psycholoog van [appellant] bij brief van 14 januari 2020. Aangezien de CSG haar besluitvorming moet baseren op die informatie, doet zich daarom al niet de situatie voor dat de CSG aan [appellant] is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb.

De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat, aangezien al tijdens de bezwaarfase duidelijk was dat hij meer dan 16 behandelingen nodig zou hebben, geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Zoals de CSG heeft toegelicht, zou, als [appellant] in oktober 2019 was uitgenodigd voor een hoorzitting, op dat moment feitelijk nog geen sprake zijn van een behandeling van meer dan 16 sessies. De CSG was op dat moment op de hoogte dat de behandeling nog niet was beëindigd. Om voor een uitkering uit letselcategorie 3 in aanmerking te komen moeten de 17 sessies echter al hebben plaatsgevonden. Hiervan was in oktober 2019 op korte termijn nog geen sprake. De rechtbank heeft de informatie van de psycholoog van 14 januari 2020 daarom met juistheid aangemerkt als een gewijzigde omstandigheid.

Aan de vraag of het besluit van 25 oktober 2019 onrechtmatig is omdat [appellant] niet is uitgenodigd voor een hoorzitting in bezwaar, kan niet meer worden toegekomen, aangezien hij het beroep tegen dat besluit heeft ingetrokken.

5.5.    Het in dit geval alsnog toekennen van een uitkering uit letselcategorie 3 is niet vergelijkbaar met het geval als bedoeld in de door [appellant] genoemde uitspraak van 4 april 2018. Die uitspraak ziet op de proceskostenveroordeling bij het slagen van het rechtsmiddel, in het bijzonder het instellen van hoger beroep, terwijl het beroep van [appellant] tegen het besluit van 25 oktober 2019 niet slaagt, maar is ingetrokken. De grondslag van het nieuwe besluit van 19 maart 2020 is ook niet gelegen in het feit dat [appellant] beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 25 oktober 2019, maar in de in de beroepsfase door hem overgelegde nieuwe informatie van de psycholoog. In de Beleidsbundel, onder F.1, is neergelegd dat een slachtoffer een aanvullende aanvraag met nieuwe medische informatie kan indienen als het letsel na ontvangst van een (gedeeltelijk) toewijzend besluit substantieel ernstiger blijkt dan waarmee rekening is gehouden in het besluit op de eerste aanvraag. De aanspraak op een uitkering uit letselcategorie 3 zou dus ook zijn ontstaan, indien [appellant] geen rechtsmiddelen zou hebben aangewend tegen het besluit van 25 oktober 2019, maar een aanvullende aanvraag zou hebben ingediend.

5.6.    De betogen falen.

Eindoordeel

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.       De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. De Vries-Biharie

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 september 2021

611