Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1967

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
202000755/1/R2 en 202000837/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2019 heeft de raad van de gemeente Weert het bestemmingsplan "Vensteeg 1" vastgesteld. Bij besluit van 19 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert hogere waarden zoals bedoeld in de Wet geluidhinder vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Vensteeg 1". Het plan voorziet op initiatief van [initiatiefnemers] in een ruimte-voor-ruimtewoning op het perceel Vensteeg 1 te Weert. Het plangebied ligt aan de westkant van de Vensteeg en de noordkant van de Gebleektesteeg in het buitengebied van de gemeente Weert. [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] wonen in de omgeving van het plangebied en zij vrezen dat als gevolg van het voorliggende plan hun woon- en leefklimaat op onaanvaardbare wijze zal worden aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000755/1/R2 en 202000837/1/R2.

Datum uitspraak: 1 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend te Weert,

2.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Weert,

appellanten,

en

1.       de raad van de gemeente Weert,

2.       het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Vensteeg 1" vastgesteld.

Bij besluit van 19 december 2019 heeft het college hogere waarden zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) vastgesteld ten behoeve van het bestemmingsplan "Vensteeg 1".

Tegen het besluit van 18 december 2019 hebben [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] beroep ingesteld en tegen het besluit van 19 december 2019 hebben [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 24 juni 2021, waar de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Jans en ing. M.W. Arts, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Ruimte voor Ruimte Limburg C.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan voorziet op initiatief van [initiatiefnemers] in een ruimte-voor-ruimtewoning op het perceel Vensteeg 1 te Weert. Het plangebied ligt aan de westkant van de Vensteeg en de noordkant van de Gebleektesteeg in het buitengebied van de gemeente Weert.

[appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] wonen in de omgeving van het plangebied en zij vrezen dat als gevolg van het voorliggende plan hun woon- en leefklimaat op onaanvaardbare wijze zal worden aangetast.

Bestemmingsplan

Toetsingskader

2.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Voorbereiding van het plan

3.       [appellant sub 1] stelt dat de procedure tot vaststelling van het plan niet zorgvuldig is doorlopen. Kort na het verstrijken van de termijn voor het indienen van zienswijzen had het college al besloten om het plan ongewijzigd aan de raad voor te leggen. De raad heeft zijn zienswijze ten onrechte gezamenlijk behandeld met andere zienswijzen en is onvoldoende op de afzonderlijke argumenten ingegaan. [appellant sub 1] betwijfelt of zijn zienswijze wel is voorgelegd aan de raadsleden.

Verder stelt [appellant sub 1] dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om te reageren op de terugkoppeling van zijn zienswijze door de raad bij de brief van 20 november 2019 en dat hij daarom een aantal e-mails heeft gestuurd over de behandeling van de zienswijze. Er is ten onrechte nooit op de e-mails gereageerd. Ook is hij niet in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord over de zienswijze en zijn e-mails.

Verder stelt [appellant sub 1] dat uit de audioverslagen van onder meer de commissievergadering van 11 december 2019 en de raadsvergadering van 18 december 2019 blijkt dat verschillende raadsleden ernstige bezwaren hadden tegen het onderhavige plan. Volgens [appellant sub 1] is daarom tijdens de commissievergadering besloten dat het plan geen hamerstuk, maar een bespreekpunt zou worden in de raadsvergadering. Uit het audioverslag van de raadsvergadering blijkt volgens hem echter dat het plan haastig en niet zorgvuldig is behandeld.

Ten slotte stelt [appellant sub 1] dat hij niet op de hoogte is gesteld van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan en dat hij daarvan via de publicatie op het internet kennis moest nemen.

3.1.    De Afdeling overweegt dat in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) noch in enig ander wettelijk voorschrift een bepaling valt aan te wijzen op grond waarvan de raad in een geval als hier aan de orde verplicht is om de eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen over de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan.

Verder ziet de Afdeling in de enkele omstandigheid dat kort na het verstrijken van de termijn voor het indienen van zienswijzen aan de raad een conceptbesluit is voorgelegd om het plan ongewijzigd vast te stellen evenmin aanleiding voor het oordeel dat de bestemmingsplanprocedure die doorlopen is niet aan de wettelijke vereisten voldoet en dat de raad zijn zienswijze niet zorgvuldig zou hebben behandeld. De Afdeling ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake zou zijn van een onjuiste en onvolledige voorstelling van zaken bij de raadsleden, nu de raad kennis heeft kunnen nemen van de gehele zienswijze, de raad die zienswijze heeft betrokken bij de vaststelling van dat besluit en daarop ook heeft gereageerd in de zienswijzennota.

Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzet zich er niet tegen dat de raad zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, of dat op argumenten is ingegaan in het kader van zienswijzen van anderen, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Op grond van artikel 3.8, eerste lid, van de Wro is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Awb van toepassing. Het besluit is met de toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure tot stand gekomen. De raad heeft ter zitting gesteld dat het concept-raadsbesluit met de beantwoording van de zienswijzen vóór de vaststelling daarvan aan de indieners is gestuurd. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure voorziet niet in enig recht dat degenen die zienswijzen naar voren hebben gebracht worden gehoord of dat zij een nadere mondelinge of schriftelijke toelichting op hun zienswijzen mogen geven.

Voor zover [appellant sub 1] stelt dat hij geen reactie heeft gekregen op zijn e-mails, overweegt de Afdeling dat deze e-mails na de zienswijzentermijn zijn verzonden en grotendeels een herhaling bevatten van de zienswijze. Dat hierop geen afzonderlijke reactie is gekomen, betekent niet dat het plan onzorgvuldig is vastgesteld.

Voor zover [appellant sub 1] heeft gesteld dat uit de audioverslagen van de commissievergaderingen en de raadsvergadering zou blijken dat sommige raadsleden ernstige bezwaren hadden tegen het plan, wordt overwogen dat - wat daarvan ook zij - dat er niet aan afdoet dat de raad heeft ingestemd met het onderhavige plan.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand zou zijn gekomen.

Het betoog faalt.

Vooringenomenheid en belangenverstrengeling

4.       [appellant sub 1] stelt dat Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. de initiatieven beoordeelt, de onderzoeken laat uitvoeren en uitgewerkte plannen ter goedkeuring aan de raad voorlegt. Verder stelt hij dat Rabobank medeaandeelhouder is van Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. en zo betrokken is bij zowel het bouwen als het financieren van de ruimte-voor-ruimtewoningen. Hij is van mening dat Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. en Rabobank door die constructie mede het ruimtelijke ordeningsbeleid van de gemeente bepalen en dat sprake is van belangenverstrengeling.

Voorts stelt [appellant sub 1] dat de raad bij de vaststelling van het plan vooringenomen was, nu de gemeente Weert en provincie Limburg een financieel belang hebben bij het uitgeven van zoveel mogelijk ruimte-voor-ruimtekavels. Volgens hem heeft de gemeente Weert al met de uitgifte van de aan haar toegekende 41 ruimte-voor-ruimtekavels aan de verplichtingen voldaan, maar heeft de gemeente vervolgens in een overleg van 28 februari 2018 met Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. afgesproken om daarbij nog eens 20 extra ruimte-voor-ruimtekavels uit te geven ter financiering van de sanering van de voormalige schroothandel op het perceel aan de Moeselpeelweg 8. Volgens [appellant sub 1] dient het onderhavige plan dan ook geen ruimtelijk belang, maar uitsluitend financiële belangen.

4.1.    Artikel 2:4, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid."

4.2.    De enkele omstandigheid dat de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken zijn opgesteld in opdracht van Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. betekent niet dat sprake is van belangenverstrengeling. Het is niet ongebruikelijk dat de aanvrager zelf de benodigde onderzoeken aanlevert. De raad moet zich ervan vergewissen dat onderzoeken op zorgvuldige wijze hebben plaatsgevonden, en heeft dat blijkens het bestreden besluit ook gedaan. De raad heeft kennis genomen van de onderzoeken - die als bijlagen bij de toelichting op het plan zijn gevoegd - en heeft aan de hand daarvan zelfstandig de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan beoordeeld. De Afdeling ziet hierin dan ook geen grond voor het oordeel dat Ruimte voor Ruimte Limburg C.V. en Rabobank mede de koers van het gemeentelijk beleid zouden bepalen.

Met de ruimte-voor-ruimteregeling wordt de mogelijkheid geboden om, in ruil voor de beëindiging van intensieve veehouderijbedrijven of -takken en de sloop van de opstallen, woningen te realiseren. De raad heeft toegelicht dat de sloop al heeft plaatsgevonden en dat met de bouw van de woningen de kosten hiervan worden terugverdiend. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad dit financiële belang naast de ruimtelijke belangen mogen betrekken bij de afweging die aan het plan ten grondslag is gelegd. Verder heeft de raad op 28 februari 2018 ingestemd met uitgifte van 20 extra ruimte-voor-ruimtekavels, die onderdeel uitmaken van de gemaakte regionale woningbouwafspraken en bijdragen aan de invulling van de woningbehoefte. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat het plan door de rayonplanoloog van de provincie is getoetst aan het provinciaal beleid. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat financiële belangen van de gemeente Weert leidend zouden zijn geweest bij de aan het plan ten grondslag gelegde afweging.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij het nemen van het bestreden besluit zijn taak in strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb vooringenomen zou hebben verricht of dat het plan uitsluitend financiële belangen van de gemeente Weert en geen ruimtelijk belang zou dienen.

Het betoog faalt.

Gemeentelijk en provinciaal beleid (bronsgroene en goudgroene natuurzone)

5.       [appellant sub 1] stelt dat het plan haaks staat op het gemeentelijk en provinciaal beleid om een groene bufferzone te realiseren naar natuurgebied "De Moeselpeel".

5.1.    Volgens de bij het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014" behorende kaartbijlage behoort het plangebied tot de bronsgroene landschapszone. Het provinciale beleid, waar de raad zich in de "Structuurvisie Weert 2025" bij aansluit, is erop gericht om de huidige landschappelijke kernkwaliteiten van deze bronsgroene landschapszone te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014" sluit ruimtelijke ontwikkelingen in de bronsgroene landschapszone niet uit, mits de kernkwaliteiten behouden blijven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, gezien het huidig agrarisch gebruik van het plangebied als akkerland en het feit dat de ruimte-voor-ruimtewoning deel zal gaan uitmaken van een bestaand bebouwingscluster, de kernkwaliteiten van de bronsgroene landschapszone waarin dit cluster ligt behouden blijven.

De Afdeling overweegt over de stelling van [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat het plan negatieve gevolgen zal hebben voor het op grond van het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014" beschermde natuurgebied "De Moeselpeel" zelf, als volgt. Op de kaart bij het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014" is natuurgebied "De Moeselpeel" aangeduid als goudgroene natuurzone. In artikel 2.6.2 van de regels bij dit "Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014" is bepaald dat een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat onderdeel uitmaakt van deze goudgroene natuurzone geen nieuwe activiteiten dan wel een wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden van dit gebied kunnen aantasten. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied niet worden aangetast, omdat het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 165 m van het natuurgebied "De Moeselpeel" .

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met het gemeentelijk en provinciaal beleid. Het betoog faalt.

M.e.r.-beoordeling

6.       [appellant sub 1] betoogt dat bij de vaststelling van het plan ten onrechte geen milieueffectrapportage is opgesteld en dat een m.e.r.-beoordeling had moeten worden gemaakt. Daartoe voert hij aan dat wordt uitgegaan van de realisatie van één ruimte-voor-ruimtewoning, terwijl er, gezien enkele andere bestemmingsplannen voor nabijgelegen percelen, in totaal drie nieuwe ruimte-voor-ruimtewoningen zijn voorzien. Dit is volgens hem een stedelijk ontwikkelingsproject met belangrijke nadelige milieugevolgen.

6.1.    Artikel 2, vijfde lid, van het Besluit milieueffectenrapportage (hierna: het Besluit m.e.r.) luidt:

"Voor zover in de bijlage, onderdeel C, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport in zodanige gevallen. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt:

a. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 en 7.20a van de wet in zodanige gevallen, en

b. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de wet in overige gevallen, uitgezonderd de gevallen, bedoeld in de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit."

In de eerste kolom in onderdeel D, categorie 11.2 staat:

"De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen."

In de tweede kolom worden vervolgens de drempelwaarden weergegeven:

"In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:

1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer,

2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of

3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer."

6.2.    De Afdeling overweegt onder verwijzing naar haar uitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253, dat het antwoord op de vraag of sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit m.e.r., afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Uit deze uitspraken volgt eveneens dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan.

6.3.    De Afdeling overweegt dat de raad bij beantwoording van de vraag of met dit plan sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject terecht alleen is uitgegaan van het voorliggende plan en daarbij niet ook andere bestemmingsplannen, hoefde te betrekken.

Naar het oordeel van de Afdeling kan hetgeen in het plan is voorzien, gelet op de aard en omvang, niet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject. Weliswaar verandert het gebruik van het perceel door de realisatie van de woning, maar dat betekent niet dat hetgeen waarin het plan voorziet moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Daarbij is van belang dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is en dat de voorziene ontwikkeling gepaard gaat met een beperkte bebouwing op het perceel. Nu de voorziene ontwikkeling geen stedelijk ontwikkelingsproject vormt, behoefde geen m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd.

Gebiedsbescherming (stikstofdepositie)

7.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] stellen dat er ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar stikstofdepositie als gevolg van de realisering van het plan op natuurgebied "De Moeselpeel" en op welke wijze de negatieve gevolgen kunnen worden gecompenseerd. Volgens hen wordt door de raad ten onrechte een onderscheid gemaakt tussen Natura 2000-gebieden en overige natuurgebieden en hebben flora en fauna overal dezelfde bescherming nodig.

7.1.    De raad heeft op 28 oktober 2019 onderzoek gedaan naar de stikstofdepositie ten gevolge van het plan. Dit onderzoek is beperkt tot de op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) aangewezen Natura 2000-gebieden, waartoe het natuurgebied "De Moeselpeel" niet behoort. Uit het onderzoek blijkt dat het plan niet leidt tot een stikstofdepositie boven de 0,00 mol/ha/jaar op deze gebieden.

Volgens paragraaf 5.4. van de plantoelichting ligt het plangebied nabij de in het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014" aangewezen goudgroene natuurzone (voormalige ecologische hoofdstructuur), waarvan natuurgebied "De Moeselpeel" deel uitmaakt. De provinciale gebiedsbescherming is er op gericht dat bestemmingsplannen geen ontwikkelingen mogelijk maken die negatieve effecten op de aangewezen soorten en habitattypen kunnen veroorzaken. Het kan hierbij gaan om effecten zoals vermesting, verzuring, verdroging en geluidsverstoring. De goudgroene natuurzone, waarvan natuurgebied "De Moeselpeel " en het omliggende bos deel uitmaken, bevindt zich op circa 18 meter ten noorden van de woonkavel. Gezien het huidige agrarische gebruik van het plangebied, en de aard en beperkte omvang van de ontwikkeling (er wordt slechts een bouwkavel voor één woning gerealiseerd), heeft het plan geen significante negatieve effecten op deze goudgroene natuurzone, aldus de plantoelichting.

Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien het onderzoek naar de stikstofdepositie uit te breiden naar natuurgebied "De Moeselpeel".

Het betoog faalt.

Soortenbescherming

8.       [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] stellen dat de realisatie van de in het plan toegestane bebouwing in combinatie met plannen voor de percelen Gebleektesteeg 3 en Mollenakkersteeg 1 in de bufferzone tegen natuurgebied "De Moeselpeel" negatieve gevolgen zal hebben voor de aanwezige beschermde soorten in het plangebied en natuurgebied "De Moeselpeel".

Daartoe voeren zij aan dat sprake is van een open natuurgebied en dat de aanwezige diersoorten zich vrijelijk kunnen bewegen. Volgens hen maken deze soorten ook gebruik van de omliggende agrarische gronden, waaronder het perceel Vensteeg 1. [appellant sub 1] heeft meermaals soorten waargenomen en ook sporen en uitwerpselen aangetroffen. Volgens [appellant sub 1] foerageren hier tijdens de periode van de vogeltrek ook vogels.

Voorts stellen zij dat in natuurgebied "De Moeselpeel" verschillende diersoorten voorkomen. Daarbij hebben zij meer in het bijzonder gewezen op de paddentrek van de geluidswal langs de Ringbaan-Oost via het perceel Vensteeg 1 naar het natuurgebied. Volgens [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zal het plan leiden tot achteruitgang van de flora en fauna in het natuurgebied door onder andere de daarmee gepaard gaande lichthinder, verkeersoverlast, geluidhinder en luchtverontreiniging.

8.1.    De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure uitsluitend het hier aan de orde zijnde plan ter beoordeling staat en niet de door [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] genoemde andere plannen.

De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

8.2.    Volgens paragraaf 5.4 van de plantoelichting zijn binnen het plangebied geen beschermde soorten te verwachten, aangezien het gebied bestaat uit een akkerbouwperceel. Ook blijven de bospercelen ten noorden en westen van het plangebied behouden. Vanuit het kader van soortenbescherming bestaan er geen belemmeringen, aldus de plantoelichting

[appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben geen gegevens overgelegd die een begin van bewijs leveren dat zich ter plaatse (rust- en verblijfplaatsen van) te beschermen soorten bevinden. De enkele stelling dat zij ter plaatse geregeld beschermde soorten waarnemen is daarvoor onvoldoende.

De raad heeft in de zienswijzennota toegelicht dat rekening is gehouden met de paddentrek doordat aan het noordelijke deel van het plangebied de bestemming "Tuin" is toegekend en de voorziene woning is gesitueerd ter hoogte van het talud van de fietsbrug. De paddentrek vindt plaats tijdens een korte periode in het voorjaar, van februari tot april, waarbij voldoende maatregelen kunnen worden genomen om slachtoffers te voorkomen.

Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het soortenbeschermingsregime uit de Wnb in zoverre op voorhand niet aan uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt.

Uitzicht en privacy

9.       [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat als gevolg van de ligging van het bouwvlak in het plan hun uitzicht en privacy onaanvaardbaar zullen worden aangetast. Daartoe heeft [appellant sub 1] aangevoerd dat het bouwvlak over de hele lengte van het perceel Vensteeg 1 is ingetekend en dat de afstand van de voorziene bebouwing tot de Gebleektesteeg kort is. Volgens [appellant sub 1] is alleen zijn eigen woning op het perceel [locatie] op zo’n korte afstand van de openbare weg gesitueerd en zijn de overige woningen aan de Gebleektesteeg gelegen op een afstand van 15 m tot 25 m van de openbare weg. De laatst gebouwde woningen op onder meer de percelen Vensteeg 2 en 4 en Gebleektesteeg 5 liggen zelfs verder van de openbare weg. Volgens hem heeft deze situering van het bouwvlak tot gevolg dat hij geen uitzicht meer heeft op natuurgebied "De Moeselpeel", maar in plaats daarvan uitzicht zal hebben op een hoge stenen muur. Volgens hem is het in het buitengebied ook niet gebruikelijk zo dicht op de weg te bouwen, terwijl deze kavel van meer dan 2500 m² ruim genoeg is om deze woning verder van de weg af te situeren.

Voorts stellen [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat de tweede verdieping door een maximale bouwhoogte van 6,5 m zal leiden tot veel inkijk op verschillende plaatsen in hun woningen, waardoor de privacy zal worden aangetast. Verder vreest [appellant sub 1] dat in de toekomst op dit perceel een tweede woning of losse bijgebouwen worden gerealiseerd.

Voorts past volgens [appellant sub 1] een moderne woning als voorzien planologisch gezien niet in het landschap, evenals twee andere ruimte-voor-ruimtewoningen waarvoor een bestemmingsplan in voorbereiding is. Volgens hem leiden deze drie ruimte-voor-ruimtewoningen tot veel meer versnipperde verstening in het buitengebied dan de voorheen aanwezige varkensstallen.

9.1.    De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. Verder liggen de andere door [appellant sub 1] genoemde plannen hier niet ter beoordeling voor.

Aan het perceel aan de Vensteeg 1 is de bestemming "Wonen" en een bouwvlak toegekend. Aan het grootste deel van het bouwvlak is de maatvoering "maximum bouwhoogte: 6,5 m" toegekend en aan zijkanten van het bouwvlak is de maatvoering "maximum bouwhoogte: 3,5 m" toegekend. Aan de gronden ten zuiden en oosten van het bouwvlak is de bestemming "Wonen - Onbebouwd" toegekend. Voorts zijn aan gronden ten noorden en westen van het bouwvlak de bestemming "Wonen" en de bouwaanduiding "bijgebouwen" toegekend. De woning van [appellant sub 1] is gelegen op een afstand van ongeveer 25 m van het bouwvlak en de woning van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] is voorts gelegen op een afstand van ongeveer 35 m van het bouwvlak.

In de zienswijzennota heeft de raad toegelicht dat het bouwvlak en de bouwaanduiding "bijgebouwen" liggen aan de zijde van de Gebleektesteeg op een afstand van 10 m, aflopend naar 5 m van de ter plaatse op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" daar geldende bestemming "Verkeer". In de zienswijzennota staat verder dat het bouwvlak aan de zijde van de Gebleektesteeg een diepte heeft van circa 14 m en dat de maximale bouw- en goothoogte daar grotendeels 3,5 m zal bedragen. Voorts heeft het terug liggende deel van het bouwvlak een diepte van 8,5 m en daar geldt een maximale bouw- en goothoogte van 6,5 m. De raad heeft in de zienswijzennota gemotiveerd dat de massa van de voorziene woning daarmee een beperktere impact zal hebben ten opzichte van andere, reeds gebouwde ruimte-voor-ruimtewoningen, waar in de regel een maximale goothoogte van 6 m en maximale bouwhoogte van 9 m wordt toegepast.

De Afdeling overweegt dat het aannemelijk is dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] wat betreft de aspecten uitzicht en privacy als gevolg van het plan enigszins zal verslechteren. De Afdeling ziet, gelet op de hiervoor besproken afstanden en maximale bouwmogelijkheden, geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake zal zijn van een zodanige aantasting van het uitzicht en de privacy van [appellant sub 1], en van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat de raad daaraan bij de vaststelling van het plan een doorslaggevende betekenis had moeten toekennen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat er geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat.

Het betoog faalt.

Infrastructuur en riolering

10.     [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] stellen dat de infrastructuur niet geschikt is om meer woningen te ontsluiten. Volgens hen zijn de bestaande wegen smal om sluipverkeer te voorkomen. In het geval dat er drie woningen bijkomen en het aantal verkeersbewegingen zal toenemen, zal dat volgens hen leiden tot verkeersproblemen. Volgens hen is er onvoldoende ruimte om te passeren en zullen als gevolg daarvan de bermen en voortuinen beschadigd raken. Verder stellen [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] dat de verouderde riolering de toename van het rioolwater niet kan verwerken en dat ook de openbare verlichting zal moeten worden uitgebreid.

10.1.  De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure uitsluitend het aan de orde zijnde plan ter beoordeling voorligt en niet andere plannen waarnaar [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben verwezen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeerssituatie ter plaatse als gevolg van het plan niet op onaanvaardbare wijze zal verslechteren. Daartoe overweegt de Afdeling  dat in paragraaf 5.6 van de toelichting op het plan is vermeld dat deze woning zal worden ontsloten op de Vensteeg en dat de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen - dat volgens aanbevolen CROW-normen maximaal 8 voertuigbewegingen per dag zal bedragen - gezien het profiel van deze weg zonder problemen kan worden verwerkt. [appellant sub 1], en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het verkeer als gevolg van het plan tot zodanig gevaarlijke verkeerssituaties zal leiden dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten de woning via de Vensteeg te ontsluiten. De enkele omstandigheid dat voertuigen elkaar mogelijk door de berm zullen moeten passeren is daarvoor onvoldoende, omdat niet aannemelijk is dat de doodlopende weg intensief zal worden gebruikt.

De Afdeling ziet  geen aanleiding voor het oordeel dat de huidige wegen niet geschikt zijn voor toevoeging van één woning. Voorts heeft de raad in de zienswijzennota toegelicht dat geen aanpassingen nodig zijn aan de bestaande infrastructuur. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het plan vanwege de gevolgen voor de riolering en verlichting niet had mogen worden vastgesteld.

Het betoog faalt.

Externe veiligheid

11.     [appellant sub 1] stelt dat een advies van de Veiligheidsregio Noord-Limburg ontbreekt. Volgens hem is het groepsrisico toegenomen, nu niet één woning maar drie woningen worden gebouwd waar reeds zeven woningen liggen nabij natuurgebied "De Moeselpeel". Deze woningen zijn slecht bereikbaar door smalle wegen met weinig bluswatervoorzieningen.

11.1.  Volgens het door de raad overgelegde advies van de  Veiligheidsregio Limburg-Noord van 23 juli 2019 is het plangebied goed bereikbaar en er zijn voldoende bluswatervoorzieningen in de omgeving om een incident binnen het plangebied te bestrijden. Het betoog dat een advies van de Veiligheidsregio Noord-Limburg ontbreekt mist feitelijke grondslag.

Bouwwerkzaamheden

12.     [appellant sub 1] stelt dat hij en andere omwonenden maanden overlast zullen ervaren van de bouwactiviteiten en het bouwverkeer en vreest dat er schade aan wegen, bermen en voortuinen zal worden toegebracht.

12.1.  De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsasspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing worden gelaten.

Handhaving

13.     Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat de afdeling handhaving van de gemeente Weert tekort schiet in zijn taak, overweegt de Afdeling dat handhavingsaspecten in deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

Archeologie, geluid en bodem

14.     [appellant sub 1] stelt dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de archeologische waarden in het plangebied. Hij stelt voorts dat door het ontbreken van volledig geluidbeperkende maatregelen tussen het perceel Vensteeg 1 en de N292 niet kan worden voldaan aan de geluidnormen voor de in het plan voorziene woning.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] stellen verder dat er in het uitgevoerde bodemonderzoek niet op de relevante punten bij de Gebleektesteeg, waar het bouwvlak is ingetekend, metingen zijn gedaan. Daarnaast stellen zij dat een PFAS-onderzoek had moeten worden uitgevoerd.

14.1.  Artikel 8:69 van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

14.2.  De Afdeling overweegt over de beroepsgronden met betrekking tot archeologie, geluid en bodem, onder verwijzing naar de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, als volgt.

Het belang van een appellant die bescherming zoekt in het belang dat hij gevrijwaard blijft van nadelige gevolgen van een in een bestemmingsplan voorzien gebouw voor zijn woon- en leefklimaat is niet verweven met het algemeen belang van archeologische waarden dat de normen uit de Monumentenwet 1988 of planregels beogen te beschermen. De beroepsgrond over archeologie kan daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit en blijft gelet op artikel 8:69a van de Awb buiten bespreking.

De geluidnormen voor nieuwbouwwoningen in de Wet geluidhinder strekken tot de bescherming van de bewoners van de te bouwen woningen. Het relativiteitsvereiste staat in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond van [appellant sub 1] over het treffen van geluidbeperkende maatregelen. Voor hem gaat het immers om het belang dat zijn woning gevrijwaard blijft van de invloed van de ontwikkeling zoals in het plan is voorzien. Zijn belangen zijn niet gemoeid met het tegengaan van eventuele geluidhinder ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling. Deze beroepsgrond kan niet leiden tot vernietiging van het besluit en blijft gelet op artikel 8:69a van de Awb buiten bespreking.

De normen uit de Wet bodembescherming strekken tot bescherming van de kwaliteit van de bodem. Zij strekken niet tot bescherming van een appellant die zich beroept op het belang dat hij gevrijwaard blijft van nadelige gevolgen van een bestemmingsplan voor zijn woon- en leefklimaat. Het belang van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] ligt in gevrijwaard blijven van nadelige gevolgen van de realisering van de voorziene woning voor hun woon- en leefklimaat. De bepalingen van de Wet bodembescherming strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B]. Daarom kan het betoog met betrekking tot het bodemonderzoek ingevolge artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het besluit en zal de Afdeling dit niet inhoudelijk bespreken.

Gelijkheidsbeginsel

15.     [appellant sub 1] stelt dat de raad op 5 februari 2020 heeft besloten om het bestemmingsplan "Mollenakkersteeg 1" niet vast te stellen. Volgens hem is door de raad bij dat bestemmingsplan een zwaarder gewicht toegekend aan de natuur- en landschapswaarden dan aan het belang bij de toevoeging van een nieuwe ruimte-voor-ruimtewoning. Volgens [appellant sub 1] zijn deze plannen met elkaar te vergelijken en het bevreemdt hem dat de raad het voorliggende plan wel heeft vastgesteld maar geweigerd heeft het bestemmingsplan "Mollenakkersteeg 1" vast te stellen.

15.1.  Over de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met het besluit van de raad 5 februari 2020, waarbij de raad heeft geweigerd het bestemmingsplan "Mollenakkersteeg 1" vast te stellen, heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Volgens de raad ligt het perceel aan de Vensteeg 1 in een cluster van meerdere woningen en andere bebouwing en voorziet het daarop betrekking hebbende bestemmingsplan alleen in een opvulling van een open plek in dit bebouwingscluster, terwijl het perceel aan de Mollenakkersteeg 1 grenst aan grotendeels onbebouwd gebied, waar versterking van de stadsrandzone tussen het bebouwd gebied en het buitengebied door middel van een groene en natuurlijke verbinding nog zinvol is. Gelet op wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd is de Afdeling van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de situatie die appellant heeft genoemd niet dezelfde is als de situatie die nu aan de orde is. Het betoog slaagt niet.

Besluit hogere waarden

16.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] betogen dat het besluit hogere waarden alleen is genomen om het bouwen van de voorziene woning op een afstand van 5 m van de Vensteeg mogelijk te maken, maar dat ook dan op bepaalde punten de geluidgrenswaarden worden overschreden.

16.1.  Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

16.2.  Het besluit hogere waarden is vastgesteld voor geluid vanwege weg- en spoorweglawaai. Hoofdstuk VI van de Wgh bevat een regeling volgens welke bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden die behoren tot een zone langs een weg, ter zake van de geluidbelasting vanwege de weg waarlangs die zone ligt, voor woningen gelegen binnen die zone de waarden in acht moeten worden genomen die als de ten hoogste toelaatbare worden aangemerkt. Als beschermingsniveau geldt in beginsel de waarde die voor de betrokken woningen is vastgelegd in de regeling. Indien deze waarde niet wordt gehaald, is het mogelijk om voor de betrokken woningen een ander beschermingsniveau te bepalen door middel van het bij besluit vaststellen van een hogere waarde voor die woningen. Afdeling 4.2 van het Besluit geluidhinder bevat een soortgelijke regeling ter zake van de geluidbelasting vanwege een spoorweg.

16.3.  De relevante regelingen strekken, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.93 en 10.94), tot bescherming van de bewoners van te bouwen woningen. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] zijn geen eigenaar van het perceel waarop de woning is voorzien en ook is niet gebleken van concrete interesse in de koop en/of de bewoning van de voorziene woning. Gelet hierop strekt deze regeling kennelijk niet tot bescherming van belangen van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], zodat hetgeen zij aanvoeren tegen het besluit hogere waarden niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

Conclusie en proceskosten

17.     De beroepen zijn ongegrond.

18.     De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021

429-914.