Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
202004807/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:6353, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2017 definitief berekend en vastgesteld op € 1.062,00 en het te veel betaalde voorschot van € 2.342,00 teruggevorderd. [appellante] heeft over 2017 en 2018 voorschotten huurtoeslag ontvangen voor haar huurwoning in Dordrecht. Zij huurt deze woning van de woningcorporatie Woonbron. Bij besluit van 21 juli 2018 is de huurtoeslag over 2017 definitief berekend. Bij besluit van 5 februari 2021 is de huurtoeslag over 2018 ook definitief berekend en vastgesteld op € 445,00. [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen verschillen van mening over de bij de berekening van de huurtoeslag toe te passen rekenhuur over de periode 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004807/1/A2.

Datum uitspraak: 1 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2020 in zaken nrs. 19/571 en 19/572 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag van [appellante] over 2017 definitief berekend en vastgesteld op € 1.062,00 en het te veel betaalde voorschot van € 2.342,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 21 september 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot huurtoeslag van [appellante] over 2018 vastgesteld op nihil.

Bij afzonderlijk besluiten van 23 november 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellante] tegen de besluiten over de huurtoeslag gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juli 2020 heeft de rechtbank de door [appellante] tegen de besluiten van 23 november 2018 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juli 2021, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken en mr. M. Lievestro-Remers, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante] heeft over 2017 en 2018 voorschotten huurtoeslag ontvangen voor haar huurwoning in Dordrecht. Zij huurt deze woning van de woningcorporatie Woonbron. Bij besluit van 21 juli 2018 is de huurtoeslag over 2017 definitief berekend. Bij besluit van 5 februari 2021 is de huurtoeslag over 2018 ook definitief berekend en vastgesteld op € 445,00.

[appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen verschillen van mening over de bij de berekening van de huurtoeslag toe te passen rekenhuur over de periode 1 juli 2017 tot en met 30 juni 2018.

Regelgeving

2.       Artikel 1, aanhef en onder d, van de Wet op de huurtoeslag (hierna: de Wht) luidt: "In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woning."

Artikel 5, eerste lid, van de Wht luidt: "In deze wet en de bepalingen die daarop berusten wordt verstaan onder rekenhuur: de huurprijs die de huurder per maand is verschuldigd, of, als dat lager is dan de huurprijs, een bedrag dat gelijk is aan de maximale huurprijsgrens, bedoeld in de krachtens de artikelen 10, eerste lid, en 12, tweede lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte daarover gestelde regels, vermeerderd met:

a. een bedrag voor door de huurder verschuldigde servicekosten, en

b. in geval van huur van een woonwagen zonder eigen aandrijving het bedrag dat verschuldigd is voor de huur van de standplaats."

Het derde lid luidt: "Als servicekosten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, worden uitsluitend in aanmerking genomen:

a. kosten voor het in bedrijf zijn van lift-, ventilatie-, hydrofoor- en alarminstallaties, en van verlichting van door de huurder met anderen gemeenschappelijk gebruikte ruimten, met een maximum van € 12 per maand;

b. schoonmaakkosten van de lift en andere gemeenschappelijke ruimten, met een maximum van € 12 per maand;

c. de kosten voor de diensten van een huismeester, met een maximum van € 12 per maand;

d. kapitaals- en onderhoudskosten van dienstruimten en gemeenschappelijke recreatieruimten, met een maximum van € 12 per maand."

Huurtoeslag 2017 (definitief)

Standpunten partijen en oordeel van de rechtbank (nr. 19/571)

3.       De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het besluit van 23 november 2018 over de definitieve berekening van de huurtoeslag over 2017 op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat de rekenhuur waarvan in de berekening van de huurtoeslag is uitgegaan, onjuist is. [appellante] heeft geen verklaring van de verhuurder kunnen overleggen over de hoogte van de kale huur.

4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen bij de definitieve berekening van de huurtoeslag vanaf 1 juli 2017 terecht is uitgegaan van de door Woonbron op 1 mei 2018 doorgegeven huurgegevens.

5.       Volgens [appellante] heeft zij geen overzicht van de servicekosten van de verhuurder ontvangen. Zij betoogt dat de kale huurprijs € 553,50 bedraagt. Dit is het bedrag dat zij volgens de huurovereenkomst moet betalen (€ 589,00) minus de energiekosten, de schoonmaakkosten en de huismeesterkosten. Bij de berekening van de huurtoeslag is de dienst ten onrechte niet van dit bedrag uitgegaan. Omdat [appellante] het in de huurovereenkomst genoemde meubelpakket niet heeft afgenomen en dit pakket ook niet in de huurprijs zit, hebben de kosten van het meubelpakket bij de berekening van de huurtoeslag volgens haar geen betekenis.

Oordeel van de Afdeling

6.       [appellante] en de Belastingdienst/Toeslagen zijn het niet met elkaar eens hoe hoog de rekenhuur is in de tweede helft van 2017. Gezien de huurovereenkomst van [appellante] gaat het hier om huur voor meer dan het enkele gebruik van de woning. De huurprijs is een all-in huurprijs en bevat volgens de huurovereenkomst ook kosten van de energie- en signaallevering, het gebruik van vloerbedekking en gordijnen en de kosten voor het schoonmaken van het gebouw. Daarnaast volgt uit artikel 4.4 van de overeenkomst dat [appellante] gebruik maakt van een standaard meubelpakket en internet. In artikel 4.5 staat dat de huurprijs inclusief de kosten van de bijkomende leveringen is en wordt verhoogd met de geleverde diensten uit het servicepakket als omschreven in artikel 4.4.

7.       De hoogte van de huurtoeslag is onder meer afhankelijk van de huurprijs die is verschuldigd. Dit is niet de gehele all-in huurprijs maar de prijs die ziet op het enkele gebruik van de woning, de kale huurprijs. Er dient daarom een splitsing gemaakt te worden tussen de kale huurprijs en het gedeelte van de huursom dat ziet op de overige kosten.

Op 1 mei 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen huurgegevens ontvangen van Woonbron. Met ingang van 1 juli 2017 bedraagt de kale huurprijs € 294,17, de energiekosten gemeenschappelijke ruimten € 10,80, de schoonmaakkosten gemeenschappelijke ruimten € 18,45 en de huismeesterkosten € 6,25.

Gelet op artikel 5, eerste lid, van de Wht zijn dit de elementen die de Belastingdienst/Toeslagen bij de vaststelling van de rekenhuur moet gebruiken, zij het dat voor de schoonmaakkosten gemeenschappelijke ruimten een maximum van € 12,00 geldt.

De rekenhuur bedraagt gezien de gegevens van Woonbron (€ 294,17 + € 10,80 + € 12,00 + € 6,25 =) € 323,22. Andere kosten, zoals bijvoorbeeld de € 86,00 voor het meubelpakket en de kosten voor voorzieningen, vallen daarbuiten.

8.       De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellante] met de door haar overgelegde bankafschriften weliswaar heeft aangetoond dat zij maandelijks de volledige huur heeft betaald, maar dat zij hiermee niet heeft aangetoond wat de kale huurprijs is. Ook uit de overgelegde huurovereenkomst volgt niet wat de kale huurprijs is. Omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Belastingdienst/Toeslagen wat betreft de hoogte van de rekenhuur ten onrechte van de gegevens van Woonbron van 1 mei 2018 is uitgegaan, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de huurtoeslag over 2017 terecht is vastgesteld op € 1.062,00.

Het betoog slaagt niet.

Huurtoeslag 2018 (voorschot)

Standpunten partijen en oordeel van de rechtbank (nr. 19/572)

9.       De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich in het besluit van 23 november 2018 over het voorschot huurtoeslag over 2018 op het standpunt gesteld dat voor de berekening van de kale huur moet worden uitgegaan van 55% van € 550,00. Hieraan heeft de dienst ten grondslag gelegd dat [appellante] geen verklaring van de verhuurder heeft kunnen overleggen over de hoogte van de kale huur.

10.     De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen  op grond van artikel 17 van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte voor de berekening van de kale huur terecht is uitgegaan van 55% van € 550,-, zijnde € 302,50. Op basis van deze kale huurprijs en het hogere toetsingsinkomen van [appellante] over 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de huurtoeslag over het berekeningsjaar 2018 terecht op nihil gesteld.

11.     Volgens [appellante] heeft zij ook over de eerste zes maanden van 2018 geen overzicht van de servicekosten van de verhuurder ontvangen. Zij vindt het daarom onterecht dat zij daardoor geen of minder huurtoeslag zou krijgen.

Oordeel van de Afdeling

12.     Dit betoog slaagt. In de schriftelijke uiteenzetting heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich op het standpunt gesteld dat in dit geval niet uit hoeft te worden gegaan van een kale huurprijs van 55% van de overeengekomen huurprijs. De verhuurder heeft namelijk op 1 mei 2018 inzicht gegeven in de hoogte van de huurprijs.

Omdat de Belastingdienst/Toeslagen heeft erkend dat in de bezwaarfase ten onrechte niet van de informatie van Woonbron van 1 mei 2018 is uitgegaan, is het besluit van 23 november 2018 over het voorschot huurtoeslag 2018 in strijd met een zorgvuldige voorbereiding, zoals neergelegd in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), tot stand gekomen.

Inmiddels is bij besluit van 5 februari 2021 de huurtoeslag over 2018 definitief berekend en vastgesteld op € 445,00. De dienst is hierbij voor de berekening van de rekenhuur uitgegaan van de gegevens van Woonbron van 1 mei 2018. Over deze gegevens heeft de Afdeling hiervoor, onder 7 en 8, haar oordeel gegeven.

Conclusie

13.     Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient wat betreft zaak nr. 19/572 te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 23 november 2018 van de Belastingdienst/Toeslagen over het voorschot huurtoeslag 2018 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal het primaire besluit van 21 september 2018 herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De aangevallen uitspraak dient wat betreft zaak nr. 19/571 te worden bevestigd.

14.     De Belastingdienst/Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2020 in zaak nr. 19/572;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van d23 november 2018 over het voorschot huurtoeslag 2018;

V.      herroept het besluit van 21 september 2018, kenmerk 2136.44.174.T.SC.18.9;

VI.     bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.     bevestigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2020 in zaak nr. 19/571;

VIII.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

w.g. Daalder

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Bindels

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021

85.