Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1955

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
202006040/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 april 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in schade die ganzen hebben toegebracht aan door hem gepachte gronden afgewezen. [appellant] exploiteert een melkveebedrijf en pacht hiervoor gronden van in totaal 120 hectare van de Staat der Nederlanden. [appellant] heeft het college bij formulier van 11 april 2019 verzocht hem tegemoet te komen in schade die ganzen hebben toegebracht aan de gronden die hij pacht. Het college heeft aan zijn besluitvorming het volgende ten grondslag gelegd. Het college kent geen tegemoetkoming in zogenoemde faunaschade toe als de schade is toegebracht aan gronden die in erfpacht of pacht zijn gegeven en waarvoor beperkingen in het landbouwkundig gebruik gelden of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202006040/1/A2.

Datum uitspraak: 1 september 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], handelend onder de naam [melkveebedrijf], wonend [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 2 oktober 2020 in zaak nr. 19/2616 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2019 heeft het college een verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in schade die ganzen hebben toegebracht aan door hem gepachte gronden afgewezen.

Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 oktober 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 juli 2021, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. van der Haar en W.A.P. Remijnse, zijn verschenen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1.       [appellant] exploiteert een melkveebedrijf en pacht hiervoor gronden van in totaal 120 hectare van de Staat der Nederlanden.

2.       [appellant] heeft het college bij formulier van 11 april 2019 verzocht hem tegemoet te komen in schade die ganzen hebben toegebracht aan de gronden die hij pacht.

Besluitvorming

3.       Het college heeft aan zijn besluitvorming het volgende ten grondslag gelegd. Het college kent geen tegemoetkoming in zogenoemde faunaschade toe als de schade is toegebracht aan gronden die in erfpacht of pacht zijn gegeven en waarvoor beperkingen in het landbouwkundig gebruik gelden of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten. Bij landbouwkundige beperkingen gaat het bijvoorbeeld om het niet mogen gebruiken van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen, een hoge waterstand en beperkingen ten aanzien van het aantal grootvee-eenheden per hectare. Door deze beperkingen kunnen geen normale opbrengsten worden gegenereerd met de gronden.

In de pachtovereenkomst die [appellant] met de Staat heeft gesloten zijn beperkingen opgenomen met betrekking tot het gebruik van de gepachte gronden. De gronden dienen beheerd te worden als nat, matig voedselrijk grasland. Verder is het verboden de gronden te scheuren en hebben de gronden als vegetatie schraal bloemrijk hooiland. Uit de overeenkomst vloeien ook beperkingen voort met betrekking tot het gebruik van mest en chemische bestrijdingsmiddelen. Deze beperkingen vormen een belemmering voor het normaal landbouwkundig gebruik van de gronden. Dat deze in de pachtovereenkomst neergelegde beperkingen geen belemmering vormen voor de manier waarop [appellant] de gronden wenst te gebruiken, doet er niet aan af dat de beperkingen gelden en dat met de gronden geen normale opbrengsten kunnen worden behaald, aldus het college.

Beroep

4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat in de pachtovereenkomst beperkingen zijn opgenomen met betrekking tot het landbouwkundig gebruik van de door [appellant] van de Staat gepachte gronden. De gronden zijn weliswaar verpacht als landbouwgrond, maar de rechtbank leidt uit de pachtovereenkomst af dat het landbouwkundig gebruik ondergeschikt is aan natuurbeheer. Hoewel in voorkomende gevallen een goede opbrengst zal kunnen worden behaald, is op de gronden als gevolg van de in de pachtovereenkomst opgenomen voorwaarden geen sprake van normale agrarische productie. Uit het beleid van het college en de daarop door hem gegeven toelichting volgt dat faunaschade in dergelijke gevallen tot het ondernemersrisico behoort en de grondgebruiker daarvoor niet wordt gecompenseerd. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een consequentie is van de door [appellant] gemaakte bedrijfskeuze om deze pachtovereenkomst te sluiten. Dat de overeengekomen pachtprijs van € 322,60 per hectare ruim 35% lager ligt dan de reguliere pachtprijs van € 505,00 is volgens de rechtbank ook een aanwijzing dat beperkingen gelden voor het landbouwkundig gebruik van de gronden. Dit betekent dat het college een tegemoetkoming in de schade heeft kunnen afwijzen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de pachtovereenkomst die hij met de Staat heeft gesloten het landbouwkundig gebruik van de door hem gepachte gronden beperkt. Volgens [appellant] volgt uit de overeenkomst ook niet dat het landbouwkundig gebruik van de gepachte gronden ondergeschikt is aan natuurbeheer. Uit de pachtovereenkomst blijkt dat aan hem landbouwgronden in pacht zijn gegeven en niet natuurgronden. Ook in het ter plaatse geldende bestemmingsplan is bepaald dat op de gronden de bestemming landbouwgrond rust. In de overeenkomst zijn weliswaar beperkingen opgenomen ten aanzien van het gebruik van de gronden, maar die maken het niet onmogelijk een goede opbrengst te behalen - iets wat de rechtbank ook heeft onderkend. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de jaarlijkse oogst van de gronden rendabel is en een goede aanvulling is op de rantsoenen van zijn runderen. De in de pachtovereenkomst neergelegde voorwaarden beperken de bedrijfsvoering van zijn melkveebedrijf dan ook niet, aldus [appellant].

5.1.    In artikel 4.6 van de Beleidsregels natuurbescherming Noord-Brabant is het volgende bepaald:

"Gedeputeerde staten verlenen geen tegemoetkoming in de schade in de volgende gevallen: […]

l. de schade is aangericht aan gewassen op gronden: […]

2°. Waarvoor een erfpachtovereenkomst of pachtovereenkomst is gesloten en aan deze gronden beperkingen in het landbouwkundig gebruik zijn verbonden of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten; […]."

In artikel 4 van de overeenkomst die [appellant] met de Staat heeft gesloten is het volgende neergelegd:

"Het verpachte is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt als grasland. Het dient beheerd te worden als nat, matig voedselrijk grasland. Het is verboden het grasland te scheuren. De gronden hebben als vegetatie schraal bloemrijk hooiland.

Geldende bepalingen:

Optie 1.

* Begrazing gedurende het hele groeiseizoen;

* Overwinteren van vee in de Noordwaard is niet toegestaan;

* Bemesten is niet toegestaan;

* Bijvoeren is niet toegestaan;

* Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan;

* Elk jaar vóór 1 oktober eventueel nog aanwezige hoge vegetatie maaien en afvoeren.

Optie 2.

* Eén keer per jaar maaien (na 20 juni) en afvoeren;

* Nabeweiden is niet toegestaan;

* Bemesten is niet toegestaan;

* Bijvoeren niet toegestaan;

* Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan;

* Elk jaar vóór 1 oktober nog aanwezige hoge vegetatie maaien en afvoeren."

5.2.    De Afdeling stelt vast dat op basis van de door [appellant] met de Staat gesloten pachtovereenkomst beperkingen gelden ten aanzien van het gebruik van de gepachte gronden. Ter zitting heeft [appellant] verklaard dat hij de opbrengst van deze gronden gebruikt als aanvulling op de opbrengst van andere gronden die hij beheert. Waar hij de andere gronden vijf keer per jaar maait, wat gangbaar is bij gronden die hiervoor bestemd zijn, maait hij de van de Staat gepachte gronden één à twee keer per jaar. Gelet hierop en gelet op de overeengekomen pachtprijs, die, zoals de rechtbank heeft overwogen, fors lager is dan de reguliere pachtprijs, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het landbouwkundig gebruik van de gepachte gronden ondergeschikt is aan de natuurbestemming. Dat [appellant] de opbrengst van de gronden zelf rendabel acht, is op zichzelf onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het college artikel 4.6 van de Beleidsregels natuurbescherming Noord-Brabant aan [appellant] heeft mogen tegenwerpen en het verzoek om een tegemoetkoming heeft mogen afwijzen.

5.3.    Het betoog slaagt niet.

Slotsom

6.       Het hoger beroep is ongegrond.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021

735.