Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:195

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-02-2021
Datum publicatie
03-02-2021
Zaaknummer
202003851/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen en geweigerd hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003851/1/V3.

Datum uitspraak: 1 februari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 juli 2020 in zaak nr. NL20.9774 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen en geweigerd hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

Bij uitspraak van 6 juli 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. U.H. Hansma, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdeling komt uit Bosnië-Herzegovina. Hij is doof en kan niet spreken en hij is alleen de Nederlandse gebarentaal machtig. In 1998 is hij als minderjarige met zijn ouders naar Nederland gekomen. De asielaanvraag die zijn moeder mede namens hem heeft ingediend, is destijds afgewezen. Hij is in 2005 voor enkele jaren teruggekeerd naar Bosnië-Herzegovina. Vanaf 2010 heeft de vreemdeling Nederland meerdere keren bezocht en hij zegt hier sinds 2012 onafgebroken te verblijven. Hij heeft in Nederland asiel aangevraagd omdat hij zich in zijn land van herkomst niet staande kan houden en hij daar volledig in isolement is geraakt omdat hij uitsluitend de Nederlandse gebarentaal beheerst en daarom in Bosnië-Herzegovina niet kan communiceren. Deze uitspraak gaat over de vraag of zijn aanvraag kan worden aangemerkt als eerste aanvraag als bedoeld in artikel 3.6ba van het Vb 2000. Sinds 1 mei 2019 kan de staatssecretaris krachtens dit artikel tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen, indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen.

1.1.    Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Uitspraak van de rechtbank

2.    Naar het oordeel van de rechtbank moet de asielaanvraag van de vreemdeling worden aangemerkt als eerste aanvraag als bedoeld in artikel 3.6ba van het Vb 2000. De rechtbank heeft overwogen dat zij uit de nota van toelichting (Stb. 2019, 143) opmaakt dat het doel van artikel 3.6ba van het Vb 2000 is gelegen in het voorkomen dat een vreemdeling na langdurig (vaak illegaal) verblijf alsnog legaal verblijf wordt toegestaan. Uit de tekst van de toelichting, dat omstandigheden die zich na afwijzing van de eerste asielaanvraag voordoen en die zijn ontstaan op een moment dat de vreemdeling wist dat hij geen aanspraak op verblijf in Nederland had, voor risico van de vreemdeling dienen te blijven, maakt de rechtbank op dat het niet gaat over omstandigheden die zijn voorgevallen nadat een vreemdeling vervolgens is teruggekeerd naar het land van herkomst. Omdat de vreemdeling in 2005 uit eigen beweging is teruggekeerd naar Bosnië-Herzegovina heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank daarom ten onrechte niet de omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de vreemdeling is teruggekeerd naar zijn land van herkomst beoordeeld in het kader van artikel 3.6ba van het Vb 2000.

Hoger beroep

3.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de asielaanvraag van de vreemdeling van 26 juni 2015 moet worden aangemerkt als eerste aanvraag als bedoeld in artikel 3.6ba van het Vb 2000. Bij de uitleg van een bepaling staan de bewoordingen daarvan voorop en de woorden "een eerste in Nederland ingediende aanvraag" in artikel 3.6ba van het Vb 2000 behoeven geen nadere uitleg, aldus de staatssecretaris.

3.1.    De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de asielaanvraag van de vreemdeling moet worden aangemerkt als eerste aanvraag als bedoeld in artikel 3.6ba van het Vb 2000. Hij voert daartoe terecht aan dat bij de uitleg van een artikel in de eerste plaats moet worden gekeken naar de bewoordingen van de betreffende bepaling. De bewoordingen "een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd" in artikel 3.6ba van het Vb 2000 zijn duidelijk en niet voor meerdere uitleg vatbaar. De rechtbank heeft daarom ten onrechte aanleiding gezien om de toelichting op die bepaling voorop te stellen bij het uitleggen daarvan. Dit betekent dat zij ook ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de asielaanvraag die de vreemdeling in 2015 heeft ingediend ten onrechte niet de omstandigheden die zich hebben voorgedaan nadat de vreemdeling in 2005 uit eigen beweging is teruggekeerd naar zijn land van herkomst heeft beoordeeld in het kader van artikel 3.6ba van het Vb 2000.

3.2.    Ook overigens is er geen aanleiding om de huidige aanvraag van de vreemdeling aan te merken als een eerste aanvraag in de zin van artikel 3.6ba van het Vb 2000. Dat de vreemdeling in 1998 niet zelfstandig zijn asielrelaas naar voren heeft kunnen brengen, betekent niet dat de huidige aanvraag aangemerkt moet worden als eerste aanvraag. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen over de uitleg van het begrip eerste aanvraag als bedoeld in artikel 3.6a van het Vb 2000 (uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1969), volgt uit artikel 1 van de Vw 2000 en artikel 2, aanhef en onder q, van de Procedurerichtlijn (PB 2013, L 180) dat een opvolgende aanvraag een latere asielaanvraag is nadat een definitieve beslissing op een eerdere asielaanvraag is genomen. Zoals de Afdeling in de hiervoor bedoelde uitspraak ook heeft overwogen is de omstandigheid dat de vreemdeling niet eerder zelfstandig zijn asielrelaas naar voren heeft gebracht, gelet op artikel 2, aanhef en onder q, van de Procedurerichtlijn, niet relevant voor de beantwoording van de vraag of onderhavige aanvraag een eerste of opvolgende aanvraag is. De Afdeling ziet geen aanleiding om hierover bij de uitleg van het begrip eerste aanvraag in artikel 3.6ba van het Vb 2000 anders te oordelen. De staatssecretaris heeft eerder definitief beslist op de asielaanvraag die zijn moeder in 1998 mede voor de vreemdeling heeft ingediend. De asielaanvraag die de vreemdeling in 2015 heeft ingediend, is daarom geen eerste aanvraag maar een opvolgende aanvraag. Omdat in artikel 3.6ba van het Vb 2000 niet de verplichting is neergelegd voor de staatssecretaris om bij een opvolgende aanvraag ambtshalve te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als in die bepaling bedoeld, heeft de staatssecretaris niet ten onrechte deze beoordeling achterwege gelaten in het besluit van 24 april 2020.

3.3.    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 juli 2020 in zaak nr. NL20.9774;

III.    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Verweij

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2021

345-945.

 

BIJLAGE

 

Procedurerichtlijn (PB 2013, L 180)

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

[...]

q.    „volgend verzoek": een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan overeenkomstig artikel 28, lid 1.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

opvolgende aanvraag: een volgend verzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel q, van de Procedurerichtlijn;

[…]

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.6a

1.    Bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend:

a)    aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; of

[…]

Artikel 3.6ba

1.    Tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd of een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden, kan ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid, indien sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen.

[…]