Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1939

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-09-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
202002542/1/R2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 oktober 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Purmerend een omgevingsvergunning verleend aan SVP Productie B.V. voor het project tot oprichting van een biowarmtecentrale op het bedrijventerrein "Baanstee Noord" in Purmerend. SVP levert stadsverwarming aan de bewoners en bedrijven van Purmerend vanaf drie productie-installaties, namelijk via biowarmtecentrale "De Purmer" aan Contact 1a en twee gasgestookte hulpwarmtecentrales aan de Waterlandlaan 111 en Verbindingsweg 1 in Purmerend. SVP wil meer warmte kunnen leveren via het stadsverwarmingsnet van Purmerend. De centrale zal onder meer bestaan uit een ontvangstruimte, een opslagruimte voor houtsnippers (hierna: de bunker), een ketelhuis, een schoorsteen en een waterbuffertank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0181
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002542/1/R2.
Datum uitspraak: 1 september 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB), gevestigd te Nijmegen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 maart 2020 in zaak nr. 19/5146 in het geding tussen:

MOB

en

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 23 oktober 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan SVP Productie B.V. (hierna: SVP) voor het project tot oprichting van een biowarmtecentrale op het bedrijventerrein "Baanstee Noord" in Purmerend (hierna: de centrale).

Bij uitspraak van 10 maart 2020 heeft de rechtbank het door MOB daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft MOB hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

SVP heeft een reactie ingediend.

Bij nader besluit van 22 september 2020 heeft het college de bij besluit van 23 oktober 2019 verleende omgevingsvergunning gewijzigd.

MOB heeft gronden tegen het nadere besluit ingediend.

SVP heeft een nadere reactie ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

MOB en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op 23 april 2021 gelijktijdig met zaak nr. 202002541/1/R2 (ECLI:NL:RVS:2021:1938) ter zitting behandeld, waar MOB, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], het college van gs, vertegenwoordigd door mr. F. Sassen en vergezeld door A. Speekenbrink en H. Miedema, en het college van b&w, vertegenwoordigd door mr. J.R. van Angeren en mr. R. Bruijnsteen, beiden advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is ter zitting SVP Productie B.V., vertegenwoordigd door R. Molenaar-Wingens en mr. S. Ravelli, beiden advocaat te Amsterdam, en door [gemachtigde C], en vergezeld door [persoon], als belanghebbende gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. SVP levert stadsverwarming aan de bewoners en bedrijven van Purmerend vanaf drie productie-installaties, namelijk via biowarmtecentrale "De Purmer" aan Contact 1a (hierna: De Purmer) en twee gasgestookte hulpwarmtecentrales (hierna: HWC’s) aan de Waterlandlaan 111 en Verbindingsweg 1 in Purmerend.

2. SVP wil meer warmte kunnen leveren via het stadsverwarmingsnet van Purmerend. Op 18 februari 2019 heeft SVP daarom een omgevingsvergunning aangevraagd voor de oprichting van de centrale op het bedrijventerrein "Baanstee Noord" aan de Visserijweg 51 in Purmerend. Bij de aanvraag heeft SVP een ruimtelijke onderbouwing overgelegd. De centrale zal onder meer bestaan uit een ontvangstruimte, een opslagruimte voor houtsnippers (hierna: de bunker), een ketelhuis, een schoorsteen en een waterbuffertank.

3. Het college heeft de omgevingsvergunning voor de centrale verleend bij het besluit van 23 oktober 2019 met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), omdat de centrale wat betreft de bouwhoogte en brutovloeroppervlakte in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bedrijvenpark Baanstee Noord" (hierna: het bestemmingsplan).

4. MOB stelt zich volgens haar statuten ten doel om een hoog niveau van bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu te bevorderen. Zij vreest dat de activiteiten van de centrale tot milieuschade zullen leiden.

5. Op de omgevingsvergunning is hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Uitspraak van de rechtbank

6. De rechtbank heeft geoordeeld dat het betoog over de onvolledige aanvraag faalt. Volgens de rechtbank behoefde niet tevens een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo (hierna: omgevingsvergunning milieu) te worden aangevraagd. Anders dan MOB heeft betoogd, moeten de centrale en De Purmer niet als één inrichting worden aangemerkt. Verder heeft de rechtbank over de stelling van MOB dat de centrale op zichzelf een groter thermisch vermogen heeft dan 15 MW, overwogen dat het college de omgevingsvergunning heeft verleend op grond van de aanvraag voor het oprichten van een centrale met een maximaal thermisch vermogen van 14 MW en dat het college hiervan kon uitgaan.

MOB heeft aangevoerd dat categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) van toepassing is en dat daarom een milieueffectrapport (MER) moest worden opgesteld. Volgens de rechtbank is die categorie niet van toepassing, nu het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de houtsnippers die in de centrale zullen worden gestookt, niet zijn aan te merken als afvalstoffen in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

De rechtbank heeft naar aanleiding van het betoog van MOB dat de emissienormen van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) niet op de beste beschikbare technieken (BBT) zijn gebaseerd, overwogen dat het college afdoende heeft gemotiveerd dat de normen die voor middelgrote stookinstallaties als de onderhavige gelden in overeenstemming zijn met de BBT. Dat de centrale het "beter" kan doen dan de aan haar gestelde normen uit het Activiteitenbesluit, maakt volgens de rechtbank niet dat die normen niet zijn aan te merken als BBT.

Het hoger beroep

Omgevingsvergunning milieu vereist?

7. MOB betoogt dat de rechtbank op basis van onvolledige informatie ten onrechte heeft geoordeeld dat het project niet tevens een activiteit behelst als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. MOB voert aan dat de centrale en De Purmer één inrichting vormen. Ter zitting heeft zij opgemerkt dat de gezamenlijke stookinstallaties een vermogen hebben van meer dan 50 MW, zodat dit een inrichting is als bedoeld in de EU-Richtlijn industriële emissies (Rie), waarvoor een omgevingsvergunning milieu is vereist. MOB verwijst naar stukken die zij eind maart 2020 heeft ontvangen, waaruit volgt dat de installaties van de Purmer en de HWC’s een capaciteit hebben van in totaal 169 MW, waarbij de aan de centrale vergunde capaciteit van 15 MW of 16 MW moet worden opgeteld. Dat sprake is van één inrichting volgt volgens MOB uit de door haar overgelegde detailtekening van het totale warmtenetwerk van SVP en de toelichting hierbij. Daaruit volgt dat de centrale volledig zal worden geïntegreerd in het bestaande warmtenet van De Purmer. De centrale is bedoeld als aanvulling op de bestaande installaties van SVP en de installaties kunnen elkaars functie overnemen. MOB stelt dat het stelsel van warmteleidingen en de capaciteit zo is ontworpen, dat de warmtevraag bij uitval of storing van een installatie door de andere installaties kan worden opgevangen.

Wettelijk kader

7.1.

De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

7.2.

Ingevolge artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen.

7.3.

Stookinstallaties die gezamenlijk een nominaal thermisch ingangsvermogen hebben van 50 MW of meer worden op grond van bijlage I van de Rie aangemerkt als een IPPC-installatie. Voor inrichtingen met een IPPC-installatie is een omgevingsvergunning milieu vereist op grond van artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Die vergunningplicht geldt ook voor het verstoken van biomassa in een stookinstallatie met een thermisch vermogen groter dan 15 MW.

Ingevolge artikel 1.1, derde lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, en categorie 28.10, onder 32°, van bijlage I, onderdeel C, van het Bor is geen omgevingsvergunning milieu vereist voor het verstoken in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 15 MW of minder van biomassa die tevens afvalstof is, als de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt en het verstoken materiaalhergebruik niet belemmert.

Ook is geen omgevingsvergunning milieu vereist voor het verstoken in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van kleiner dan 15 MW van biomassa die niet als afvalstof kwalificeert. De hiervoor vermelde eisen van nuttig gebruik van de warmte en het niet belemmeren van hergebruik van materiaal gelden dan niet (artikel 1.1, derde lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.1, tweede lid, en categorie 1.4, aanhef en onder a, van bijlage I, onderdeel C, van het Bor).

Eén inrichting?

7.4.

In de centrale zal door verbranding van biomassa water worden verwarmd dat in het leidingnet van de stadsverwarming van Purmerend wordt gepompt. Dat de vrijkomende warmte hiermee nuttig zal worden gebruikt, is niet in geschil. Ook de eis van het niet belemmeren van hergebruik van materiaal, waarmee is bedoeld dat verpakkingshout moet worden gerecycled en niet mag worden meegestookt, is geen onderwerp van geschil.

Partijen zijn verdeeld over de vraag wat het thermisch vermogen is van de stookinstallatie en daarmee of een omgevingsvergunning milieu is vereist. MOB betoogt dat de stookinstallaties van de centrale, De Purmer en de HWC’s, één inrichting vormen en dat het thermische vermogen van de stookinstallaties gezamenlijk groter dan 50 MW is, zodat een omgevingsvergunning milieu is vereist.

De aanvraag van SVP om een omgevingsvergunning heeft uitsluitend betrekking op de centrale aan de Visserijweg 51 in Purmerend en niet mede op De Purmer en de HWC’s. Deze installaties behoren tot dezelfde onderneming. Deze moeten echter voldoende onderlinge technische, organisatorische of functionele binding hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid liggen om als één inrichting in de zin van artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer te worden beschouwd. De rechtbank kon op grond van de beschikbare informatie oordelen over de vraag of aan het nabijheidscriterium is voldaan. Zij heeft terecht geoordeeld dat niet aan dat criterium is voldaan en dat oordeel heeft MOB niet weersproken. De centrale ligt hemelsbreed gemeten op een afstand van ongeveer 1,2 km van De Purmer. Ertussen liggen percelen van derden met bebouwing en openbare (water)wegen. De HWC’s liggen hemelsbreed gemeten op afstanden van 3,6 km en 5,2 km van de centrale.

7.5.

Evenmin is naar het oordeel van de Afdeling voldaan aan het criterium van voldoende onderlinge binding. Hiertoe is onvoldoende dat de warmteleidingen van de centrale onderling verbonden zijn met die van De Purmer en de HWC’s en de installaties elkaars functie kunnen overnemen. Dit zou anders kunnen zijn, in het licht van artikel 3.7, zesde lid, van het Activiteitenbesluit, als de installaties op één schoorsteen zouden zijn aangesloten of zouden kunnen worden aangesloten en er zodoende sprake zou zijn van één emissiepunt. Daarvan is geen sprake. Ook is niet gebleken van andere algemene, gemeenschappelijke voorzieningen of organisatorische of functionele bindingen. SVP heeft onweersproken gesteld dat de centrale en De Purmer onafhankelijk van elkaar functioneren. Er is geen sprake van warmtelevering tussen de centrales. Volgens SVP zal de centrale functioneren op basis van eigen voorzieningen, eigen personeel, afzonderlijke brandstoftoevoer en een eigen controlekamer. Volgens SVP is verder geen sprake van gemeenschappelijke voorzieningen ten behoeve van de gezamenlijke bedrijfsvoering, zoals bedrijfsriolering, kantine, gas-, water- en elektriciteitsvoorzieningen.

7.6.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de centrale, De Purmer en de HWC’s niet één inrichting in de zin van de Wet milieubeheer vormen. Er is dan ook geen grond om de vermogens van de stookinstallaties bij elkaar op te tellen en MOB te volgen in het betoog dat het vermogen van de stookinstallaties hoger dan 50 MW is.

Thermisch vermogen stookinstallatie centrale?

7.7.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college de omgevingsvergunning verleend op grond van de aanvraag voor het oprichten van een centrale met een maximaal thermisch vermogen van 14 MW. De Afdeling ziet geen grond om het vermogen van 2 MW dat, naar SVP ter zitting heeft toegelicht, uit de rookgassen wordt teruggewonnen, aan de stookinstallatie toe te rekenen en op grond van die redenering te concluderen dat het thermisch vermogen 16 MW bedraagt. Bepalend is namelijk niet het thermisch vermogen van alle installaties gezamenlijk, maar uitsluitend dat van de stookinstallatie. Ingevolge bijlage I, onderdeel A, bij het Bor gelezen in samenhang met artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, wordt onder stookinstallatie verstaan, een technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken. De warmteterugwinning in de rookgasreinigingsstraat is geen essentieel onderdeel van de stookinstallatie.

De door MOB overgelegde subsidiebeschikking van 23 december 2019 waarin 16 MW is vermeld, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Zoals SVP ook ter zitting heeft opgemerkt, geldt daarvoor een ander toetsingskader dan voor de omgevingsvergunning, die hier aan de orde is.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat indien en voor zover blijkt dat de centrale niet in werking is overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning, het bevoegd gezag in beginsel gehouden is handhavend op te treden.

7.8.

Omdat het thermisch vermogen van de stookinstallatie van de centrale lager is dan 15 MW, heeft de rechtbank terecht het standpunt van het college onderschreven dat geen omgevingsvergunning milieu is vereist.

Het betoog slaagt niet.

Maken van milieueffectrapport verplicht?

8. MOB betoogt, onder verwijzing naar haar pleitnota in beroep, dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de houtsnippers die in de centrale zullen worden gestookt, niet zijn aan te merken als afvalstoffen in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer en dat daarom categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet van toepassing is. MOB voert aan dat de rechtbank voorbij is gegaan aan het door MOB gestelde ter zitting in beroep dat deels, namelijk voor 5%, afval wordt meegestookt. MOB voert aan dat de sector steevast via de media naar voren brengt dat de Nederlandse biomassacentrales uitsluitend gebruik maken van houtafval van plantsoenen, parken en van organisaties als Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en van provinciale landschappen. MOB leidt hieruit af dat tenminste een deel hiervan kwalificeert als afval van bosbouw, zoals opgenomen in de Europese afvalstoffenlijst, Euralcode 02 01 07.

MOB leidt verder af uit de reacties van het college en van SVP en de Handreiking onbehandeld hout van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (thans: het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat) van 12 oktober 2017 (hierna: de Handreiking), dat tot maximaal 5% aan naalden, gras, aanhangende grond, rottend of geschimmeld hout aanwezig mag zijn. Volgens MOB is ook dat afval op grond van de Eural.

8.1.

Het college en SVP stellen zich op het standpunt dat de houtsnippers niet moeten worden aangemerkt als afval maar als product. Zij onderschrijven daarom het oordeel van de rechtbank dat categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet van toepassing is, zodat geen MER behoefde te worden opgesteld.

8.2.

Het betoog van MOB berust op een onjuiste lezing van de Eural. Eerst moet worden vastgesteld of sprake is van een afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Pas als dit vaststaat, kan de Eural worden toegepast. De Eural is niet bedoeld om te bepalen of een stof een afvalstof is, maar om te bepalen, aan de hand van de afvalstofcode van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, of sprake is van een gevaarlijke stof. Uit vermeldingen van bijvoorbeeld "afval van de bosbouw" en "afval van plantaardige weefsels" in de Eural, kan dus niet worden geconcludeerd dat de houtsnippers die SVP wil verstoken, moeten worden aangemerkt als afval.

8.3.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:665), moet het begrip afvalstof worden uitgelegd met inachtneming van de door het Hof van Justitie over dit begrip gevormde jurisprudentie. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat de vraag of een stof een afvalstof is, moet worden beantwoord met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (arrest van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland en anderen, ECLI:EU:C:2000:318, en het arrest van 18 april 2002, Palin Granit, ECLI:EU:C:2002:232). Bij beantwoording van die vraag is vooral het gedrag van de houder in relatie tot de betekenis van de woorden "zich ontdoen van" relevant (arrest van 18 december 2007, Commissie/Italië, ECLI:EU:C:2007:808, punt 32, en het arrest van 24 juni 2008, Commune de Mesquer, ECLI:EU:C:2008:359, punt 53). In dit verband verdient volgens het Hof bijzondere aandacht of de stof in kwestie voor de houder ervan geen nut heeft of meer heeft, zodat deze stof een last is waarvan hij zich wil ontdoen (arrest van 12 december 2013, Shell Nederland, ECLI:EU:C:2013:821, punt 42).

Zoals de Afdeling verder eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:483, dient bij de uitleg van het begrip afvalstof rekening te worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn 2008/98/EG (hierna: de richtlijn) van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (Pb 2008 L 312; hierna: de kaderrichtlijn afvalstoffen), zonder afbreuk te doen aan de doeltreffendheid daarvan. Verder is in die uitspraak overwogen dat maatschappelijke opvattingen grond kunnen vormen voor de conclusie dat een stof een afvalstof is indien de houder van de stof onder druk van de openbare opinie ervan zou afzien de stof te gebruiken of daartoe bij wet zou worden verplicht. In een dergelijk geval zou immers moeten worden geoordeeld dat de houder van de stof zich ervan ontdoet dan wel voornemens of verplicht is zich ervan te ontdoen (beschikking van 15 januari 2004, Saetti en Frediani, ECLI:EU:C:2004:26, punt 46.

8.4.

In de Handreiking geeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu richtsnoeren om de definities van afvalstof en bijproduct volgens de richtlijn toe te passen. In de Handreiking is vermeld dat onduidelijkheid in de markt en bij overheden bestaat over de vraag of sprake is van 'zich ontdoen' en of het verkregen hout dus een afvalstof is. Er is in de maatschappij ook een toenemend aantal initiatieven die een verschuiving inhouden van 'zich ontdoen' naar 'waarde benutten’. In dit licht heeft het ministerie de term 'zich ontdoen van’ nader geduid, omdat het actuele juridische kader, waaronder de richtlijn, niet hierin voorziet.

In de Handreiking is opgemerkt dat met de "houder" in dit verband wordt bedoeld, in eerste instantie de eigenaar of beheerder van het perceel waar de bomen staan en die opdrachtgever is voor de velling of snoei en in volgende stadia degene die het hout onder zijn beheer heeft door de zorg voor bijvoorbeeld kappen of snoeien, be- of verwerken, vervoer of opslag.

In de Handreiking zijn vier criteria aangereikt om te kunnen bepalen of hout dat vrijkomt bij velling of snoei van bomen als product, dus niet als afval, kan worden aangemerkt. Het eerste criterium is dat de perceelbeheerder zich ervan heeft vergewist en contractueel verzekerd dat voor het hout een of meerdere vormen van verantwoorde benutting zijn voorzien. Het tweede criterium is dat de partij hout bestaat uit stamhout van meer dan 10 cm doorsnede of ter plaatse van de velling of snoei versnipperd hout. Het derde criterium is dat de partij hout niet meer dan 5 gewichtsprocent bevat aan takken dunner dan 10 cm, bladeren, naalden of gras, aanhangende grond, hout dat is aangetast door rot, schimmel of ziekte en dat de partij hout geen andere materialen, zoals metaal, kunststof, papier en stenen bevat. Het vierde criterium is dat er geen sprake is van hout dat krachtens de wetgeving een specifieke afvalbehandeling dient te ondergaan. Wordt niet aan een of meer van de vier criteria voldaan, dan is dit volgens de Handreiking een aanwijzing dat het hout een afvalstof is.

8.5.

In de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling (hierna: de m.e.r.-beoordeling) is vermeld dat de grondstoffen voor de centrale bestaan uit schone houtsnippers. Wanneer de inrichting volledig in bedrijf is, verbruikt de verbrandingslijn volgens de aanmeldnotitie ongeveer 162 ton houtsnippers per dag. Deze zijn volgens de aanmeldnotitie afkomstig van regulier onderhoud van Nederlandse bossen en landschappen en worden geleverd door Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer kan dus worden aangemerkt als een houder in de hiervoor vermelde zin. Gelet op wat hiervoor onder 8.3 is overwogen, is voor beantwoording van de vraag of de houtsnippers kwalificeren als afval van belang of uit het gedrag van Staatsbosbeheer blijkt dat hij zich van de houtsnippers ontdoet of zich moet ontdoen.

8.6.

In de folder "Door de bomen het bos zien, zo beheert Staatsbosbeheer de bossen" is het volgende vermeld: "We werken aan bossen waar de natuur beschermd wordt en waar mensen welkom zijn. Bossen waar onze kinderen en kleinkinderen van kunnen genieten. En bossen die ook een hernieuwbare grondstof leveren - hout vooral. Hollands hout is een prachtig natuurproduct. Daarnaast zijn de inkomsten een belangrijke financiële pijler onder ons natuurbeheer, al sinds onze oprichting. (…) We beschermen het bos, zorgen ervoor dat mensen het kunnen beleven en we benutten de producten die het levert. (…) We hebben ons eigen merk ‘Hollands hout’. Al het geoogste stamhout wordt gebruikt voor een zo hoogwaardig mogelijke toepassing. Rechte bomen van goede kwaliteit zijn het meest geschikt om balken en planken van te zagen. Ander hout wordt gebruikt voor papier of karton. Daarnaast leveren we vele duizenden tonnen houtsnippers, voor stadsverwarming en groene stroomopwekking. Samen met onderzoekers en bedrijven zoeken we naar nieuwe houttoepassingen."

Staatsbosbeheer vermeldt verder op zijn website: "Hout kent vele duurzame toepassingen. We zoeken bij Staatsbosbeheer altijd de meest hoogwaardige toepassing voor de bomen die uit onze bossen komen. Dat wil zeggen: toepassingen waarmee we zo lang mogelijk de CO2 vastleggen die in bomen is opgeslagen. Daar richten we ook onze afzet op in. Bovendien zoeken we, samen met partners, continu naar nieuwe duurzame toepassingen voor het groene materiaal dat uit het beheer van onze gebieden komt." De toepassingen betreffen volgens de website: 41% zaaghout/emballagehout, 36% plaatmaterialen, 10% papier en andere industriële toepassingen, 13% brandhout en biomassa. Ook verwijst Staatsbosbeheer op zijn website naar langjarige contracten met afnemers, waaronder sinds 2012 met SVP. Volgens de website zal Staatsbosbeheer de komende 25 jaar houtsnippers aan SVP leveren waarmee De Purmer wordt gestookt. Staatsbosbeheer duidt die houtsnippers aan als "energiehout".

8.7.

Uit het voorgaande volgt dat Staatsbosbeheer zich niet ontdoet van de houtsnippers, of moet ontdoen, maar de houtsnippers beschouwt als een van de producten van de door hem beheerde bossen. Ook volgt hieruit dat Staatsbosbeheer de leveranties aan SVP beschouwt als een integraal onderdeel van het productieproces.

8.8.

SVP is eveneens houder in de hiervoor vermelde zin. SVP heeft gesteld dat de leveranties van Staatsbosbeheer voldoen aan het geldende beleid en de regelgeving inzake de toepassing van houtsnippers in een biowarmtecentrale, waaronder de criteria van de Handreiking. SVP heeft gewezen op de contractuele relatie tussen haar en Staatsbosbeheer. Daarmee is verzekerd dat het hout zal worden gebruikt voor de stadsverwarming van Purmerend en dat dus in een vorm van verantwoorde benutting is voorzien. SVP heeft gesteld dat in de contractuele relatie met Staatsbosbeheer is vastgelegd dat de houtsnippers moeten voldoen aan de kwaliteitseisen van de Handreiking. Daarmee is volgens SVP onder meer gewaarborgd dat de houtsnippers niet het maximum van 5 gewichtsprocent aan takken dunner dan 10 cm, bladeren, naalden etc. overschrijden. Verder is van belang dat uit de hiervoor vermelde aanmeldnotitie volgt dat het schoon hout betreft dat onmiddellijk door SVP kan worden gebruikt zonder een verdere behandeling te ondergaan. De Afdeling ziet in het betoog van MOB geen aanleiding het gestelde in twijfel te trekken.

Uit het voorgaande volgt dat SVP een eindgebruiker is van de houtsnippers. SVP zal de houtsnippers als brandstof gebruiken voor de centrale, waarvoor zij een contractuele relatie heeft met Staatsbosbeheer, die de houtsnippers, die voldoen aan de kwaliteitseisen van de Handreiking, zal leveren. SVP ontdoet of moet zich dus naar het oordeel van de Afdeling evenmin ontdoen van de houtsnippers.

8.9.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de houtsnippers die Staatsbosbeheer aan SVP levert, niet moeten worden aangemerkt als afvalstof in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Dit betekent dat categorie 18.4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet van toepassing is. De rechtbank heeft terecht het standpunt van het college bevestigd dat geen MER behoefde te worden opgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Vormvrije m.e.r.-beoordeling inadequaat?

9. MOB betoogt verder dat sprake is van een inadequate m.e.r.-beoordeling, omdat hierin ten onrechte voorbij is gegaan aan de uitstoot van 26.924 kg/jaar aan zwaveldioxide (SO2), 1.346 kg/jaar aan waterstofchloride (HCI) en 673 kg/jaar aan waterstoffluoride (HF). Volgens MOB zijn in de Aeriusberekeningen alleen de stikstofdioxide (NOx) en ammoniakemissies van 19.535 en 673 kg/jaar meegenomen.

9.1.

In de m.e.r.-beoordeling zijn de milieueffecten van de voorgenomen activiteiten beoordeeld. Voor de m.e.r.-beoordeling is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Het rapport hiervan (hierna: luchtkwaliteitsrapport) is als bijlage bij de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling gevoegd en de bevindingen en conclusies van het luchtkwaliteitsrapport zijn opgenomen in de m.e.r.-beoordeling.

Het luchtkwaliteitsrapport geeft inzicht in het wettelijk kader, de te verwachten emissies van de centrale naar de lucht en het effect op de luchtkwaliteit en geur in de omgeving. Deze zijn in het luchtkwaliteitsrapport getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit en geur. In het luchtkwaliteitsrapport is vermeld dat in het Activiteitenbesluit grenswaarden zijn gesteld voor onder meer NOx, PM10 en PM2,5. Dat zijn volgens het luchtkwaliteitsrapport de parameters waarvoor in Nederland nog mogelijke knelpunten aanwezig zijn en die van belang zijn voor de voorgenomen activiteiten van de centrale. In het luchtkwaliteitsrapport is vermeld dat op basis van de Atlas Leefomgeving blijkt dat in de directe omgeving van de locatie momenteel geen sprake is van overschrijdingen van deze grenswaarden. In het luchtkwaliteitsrapport is geconcludeerd dat de voorgenomen activiteiten niet in betekende mate bijdragen aan de lokale concentraties voor PM10 en PM2,5 en NO2 en dat de lokale luchtkwaliteit blijft voldoen aan de wettelijke grenswaarden.

9.2.

Het betoog van MOB geeft geen aanleiding voor twijfel aan de m.e.r.-beoordeling of het onderliggende luchtkwaliteitsrapport. MOB heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar genoemde stoffen SO2, HCI en HF in dit geval ook van belang zijn en aanvullend hadden moeten worden beoordeeld. Dit volgt ook niet uit het rapport van het RIVM "Bio-energiecentrales, Inventariserend onderzoek naar milieuaspecten bij diverse energieopwekkingstechnieken met behulp van biomassa" dat SVP heeft overgelegd. Zoals SVP terecht opmerkt, volgt uit het rapport van het RIVM dat emissies van SO2, HCI en HF niet zijn te verwachten bij de verbranding van schone houtsnippers zoals hier aan de orde. Deze stoffen worden in dat rapport genoemd bij de verbranding van mest en sloophout, maar er is niet gebleken dat de centrale dat als brandstof zal gebruiken.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het betoog niet slaagt omdat het onvoldoende is onderbouwd.

9.3.

Ter zitting heeft MOB in dit verband ook aangevoerd dat gelet op de uitspraak van de Afdeling over het PAS van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, in de m.e.r.-beoordeling ten onrechte rekening is gehouden met benutting van ontwikkelingsruimte als bedoeld in het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (het PAS).

De Afdeling stelt vast dat de uitstoot van stikstof in de m.e.r.-beoordeling is betrokken en op grond daarvan is geconcludeerd dat een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (natuurvergunning) is vereist.

Dat de Afdeling de natuurvergunning bij uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2021:1938, heeft vernietigd, neemt niet weg dat er een verleende natuurvergunning was ten tijde van het bestreden besluit. Niet is gebleken dat geen nieuwe natuurvergunning zou kunnen worden verleend.

Het betoog over de inadequate m.e.r.-beoordeling faalt.

Normen Activiteitenbesluit

10. MOB betoogt ook dat de rechtbank ten onrechte het betoog heeft verworpen dat de in het Activiteitenbesluit voor biomassa gestelde normen niet zijn gebaseerd op de beste beschikbare technieken (BBT). MOB voert aan dat een biomassacentrale met een ketelinstallatie met een vermogen van meer dan 5 MWth, als hier aan de orde, op grond van tabel 3.10 van het Activiteitenbesluit 145 mg/Nm³ NOx en 200 mg/Nm³ SO2 mag uitstoten. Ter vergelijking wijst MOB op de NOx-emissies van de meer dan 10 jaar oude biomassacentrales van HVC in Alkmaar en van Twence in Hengelo, die veel lager zijn dan de gestelde normen, namelijk tussen 60 en 70 mg/Nm³ bedragen, en van de biomassacentrale Bioforte in Zaandam, die tussen 32,5 en 50 mg/Nm³ bedraagt. Volgens MOB moeten de emissienormen van het Activiteitenbesluit dus worden bijgesteld. MOB stelt dat uit de beantwoording van kamervragen volgt dat het kabinet die mening deelt en dat bijstelling zal plaatvinden.

10.1.

Bij brief van 14 mei 2020 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat kamervragen over biomassa beantwoord, waaruit volgt dat een onderzoek wordt uitgevoerd door TNO dat moet uitwijzen in hoeverre het mogelijk is om eisen aan te scherpen voor kleine (<1 MW) en middelgrote stookinstallaties (<50 MW). Eventuele toekomstige wijzigingen van de regelgeving op basis daarvan zijn echter niet van betekenis voor de omgevingsvergunning die hier aan de orde is. Het college was gehouden een besluit te nemen op de aanvraag op basis van de regelgeving die ten tijde van het besluit gold. Zoals het college terecht heeft opgemerkt, is het toetsingskader voor een aanvraag voor een omgevingsvergunning als hier aan de orde neergelegd in de artikelen 2.10 en 2.12 van de Wabo. Het college was gehouden zich hieraan te houden. De gestelde noodzaak tot bijstelling van de emissienormen van het Activiteitenbesluit maakt geen deel uit van het toetsingskader van het college. Dit betoog kan dus niet leiden tot weigering van de omgevingsvergunning.

Het betoog faalt.

Nader besluit

11. SVP heeft op 20 augustus 2020 een aanvraag ingediend tot wijziging van de omgevingsvergunning, voor het verhogen van de bunker van de centrale met 1 meter, van 12 naar 13 meter omdat bij eerdere berekeningen onvoldoende rekening is gehouden met de ruimte die een loopband "moving floor" inneemt. De houtsnippers worden met de loopband vanuit de bunker naar de ketel getransporteerd. Door de bunker te verhogen met 1 meter, wordt de ruimte die de loopband inneemt, gecompenseerd zodat voldoende houtsnippers in de bunker worden opgeslagen om de thermische capaciteit van de centrale te kunnen benutten.

12. Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning verleend bij besluit van 22 september 2020 (hierna: het nadere besluit), voor de activiteit bouwen en opheffen van de strijdigheid met het bestemmingsplan. Op grond van het bestemmingsplan geldt ter plaatse een maximale bouwhoogte van 12 meter, die door de wijziging met 1 meter wordt overschreden. Het college heeft artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo en artikel 23, eerste lid, onder a van het bestemmingsplan toegepast. Volgens het college strekt het bouwplan ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

13. Gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, wordt het nieuwe besluit van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

Beroep van rechtswege

14. MOB heeft op 30 oktober 2020 gronden ingediend tegen het nadere besluit. Zij betoogt dat de maximale opslag van houtsnippers met dit besluit wordt vergroot. MOB stelt dat houtsnippers brandgevaarlijk zijn en gemakkelijk tot broei en brand kunnen overgaan. Volgens MOB heeft het college in het nieuwe besluit ten onrechte geen voorschriften voor een maximaal toegestane opslaghoeveelheid houtsnippers en een continue monitoring van de temperatuur in de opslag met alarmvoorziening opgenomen. Verder betoogt MOB dat aan het nieuwe besluit ten onrechte geen advies van de Veiligheidsregio ten grondslag ligt. MOB merkt op dat het college niet weet hoeveel de vergunde houtopslag in de omgevingsvergunning bedraagt noch hoeveel er bij vergroting van het opslagvolume kan en mag worden opgeslagen. Het college had dit volgens MOB moeten nagaan en had niet klakkeloos het nieuwe besluit mogen nemen.

14.1.

In de onderbouwing van de aanvraag staat dat de wijziging geen milieugevolgen met zich brengt. De verhoging is niet bedoeld om de opslag van houtsnippers te vergroten, het aantal vervoersbewegingen van vrachtwagens in de bevoorrading blijft gelijk en de verhoging zal niet leiden tot een langere bouwperiode of tot bouwmateriaal dat zwaarder is dan voorzien.

Het college heeft naar voren gebracht dat de brandveiligheidseisen op grond van het Bouwbesluit 2012 van toepassing zijn voor de centrale en dat SVP bij de aanvraag de vereiste gegevens en bescheiden heeft overgelegd om inzichtelijk te maken dat aan die brandveiligheidseisen is voldaan. Daarbij heeft SVP een rapport van Bilfinger van 4 februari 2019 overgelegd, waarmee volgens het college voldoende inzichtelijk is gemaakt dat zij zal voldoen aan de geldende brandveiligheidseisen. Er is volgens het college niet gebleken van een noodzaak om in het kader van het nieuwe besluit advies te vragen aan de Veiligheidsregio. Daartoe acht het college van belang dat het nieuwe besluit, in tegenstelling tot wat MOB betoogt, geen verandering aanbrengt in de opslagcapaciteit die het uitgangspunt is geweest voor de bij besluit van 23 oktober 2019 verleende omgevingsvergunning. Om deze reden behoefde SVP volgens het college niet opnieuw advies aan de brandweer te vragen.

14.2.

Gelet op de onderbouwing van de aanvraag en de toelichting van het college, ziet de Afdeling in de enkele stellingen van MOB geen grond voor het oordeel dat nieuwe voorschriften in het nadere besluit hadden moeten worden opgenomen en nader onderzoek naar de brandveiligheid had moeten worden verricht.

Het betoog slaagt niet.

Verwijzing naar stukken in beroep

15. MOB heeft verwezen naar het beroepschrift van 11 november 2019 en de pleitnotitie in beroep van 28 januari 2020.

15.1.

Het hoger beroep dient gericht te zijn tegen de aangevallen uitspraak. MOB moet aanvoeren waarom zij zich niet kan vinden in het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die hieraan ten grondslag liggen en kan niet volstaan met de enkele verwijzing naar stukken in beroep.

Conclusie

16. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het nadere besluit is ongegrond.

17. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak

II. verklaart het van rechtswege ontstane beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 september 2021

615.

Wettelijk kader

Richtlijn 2008/98/EG (PB 2008, L 312)

Artikel 3 Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. afvalstof": elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

(…)

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 1.1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

afvalstoffen: afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;

(…)

beste beschikbare technieken: voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die — kosten en baten in aanmerking genomen — economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld;

inrichting: inrichting, behorende tot een categorie die is aangewezen krachtens het derde lid;

(…)

IPPC-installatie: installatie voor industriële activiteiten als bedoeld in bijlage I van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334);

2. Met betrekking tot de betekenis van de begrippen ‘gevolgen voor het milieu’ en ‘bescherming van het milieu’ in deze wet en de daarop berustende bepalingen is artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden categorieën inrichtingen aangewezen als bedoeld in artikel 1.1, vierde lid, van de Wet milieubeheer, waarvan het oprichten, het veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben moet worden onderworpen aan een voorafgaande toetsing, gezien de aard en de omvang van de nadelige gevolgen die de inrichtingen voor het milieu kunnen veroorzaken. Bij de maatregel worden als categorie in ieder geval aangewezen de inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort.

(…)

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

(…)

a. het bouwen van een bouwwerk,

(…)

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan

(…)

e. 1° het oprichten,

2° het veranderen of veranderen van de werking of

3° het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

(…)

Artikel 2.7

1. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. (…)

Wet milieubeheer

Artikel 1.1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

afvalstoffen: alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

(…)

3. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

4. Elders in deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inrichting verstaan een inrichting, behorende tot een categorie die krachtens het derde lid is aangewezen. Daarbij worden als één inrichting beschouwd de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn gelegen. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder inrichting wordt verstaan.

(…)

Artikel 10.3

Onze Minister stelt ten minste eenmaal in de zes jaar een afvalbeheerplan vast.

Besluit omgevingsrecht (Bor)

Artikel 1.1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

BBT-conclusies: document met de conclusies over beste beschikbare technieken, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde lid en zevende lid, van de EU-richtlijn industriële emissies;

(…)

wet: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

(…)

3. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder onderscheidenlijk afvalstoffen, (…), nuttige toepassing, (…) hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer.

Artikel 2.1 Inrichting

1. Als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer worden aangewezen de categorieën inrichtingen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

2. Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen worden aangewezen de categorieën inrichtingen waartoe een IPPC-installatie behoort en de categorieën inrichtingen die als zodanig zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C.

Bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht

Aanwijzing van categorieën inrichtingen en van vergunningplichtige inrichtingen, alsmede van gevallen waarin een ander bestuursorgaan dan burgemeester en wethouders het bevoegd gezag is

Onderdeel A

In deze bijlage wordt verstaan onder:

(…)

biomassa:

— producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten;

— de volgende afvalstoffen:

1° plantaardig afval uit land- of bosbouw;

2° plantaardig afval van de levensmiddelenindustrie, indien de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;

3° vezelachtig plantaardig afval afkomstig van de productie van ruwe pulp en van de productie van papier uit pulp, indien het op de plaats van productie wordt meeverbrand en de opgewekte warmte wordt teruggewonnen;

4° kurkafval, en

5° houtafval, met uitzondering van houtafval dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten;

(…)

stookinstallatie: stookinstallatie als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

(…)

Onderdeel B

1. Onverminderd het bepaalde in onderdeel C van deze bijlage, worden als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, aangewezen:

a. inrichtingen waarop een van de onderstaande besluiten en regelingen van toepassing is:

— Besluit externe veiligheid inrichtingen;

(…)

Onderdeel C

(...)

Categorie 1

(…)

1.4.

Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, worden inrichtingen aangewezen:

a. waar een of meer stookinstallaties met een nominaal vermogen groter dan 20 kilowatt aanwezig zijn, waarin een andere stof wordt verstookt dan:

(…)

- biomassa, voor zover het verstoken plaatsvindt in stookinstallatie met een thermisch vermogen kleiner dan 15 megawatt;

(…)

Categorie 28

(…)

28.10

Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van dit besluit, worden aangewezen de inrichtingen voor nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, met de volgende uitzonderingen:

(…)

32°. het verbranden van biomassa in een stookinstallatie met een thermisch vermogen van 15 megawatt of kleiner, waarbij de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt, en de verbranding materiaalhergebruik niet belemmert;

(…)

Activiteitenbesluit milieubeheer

Artikel 1.1

1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

biomassa:

a. producten die bestaan uit plantaardig landbouw- of bosbouwmateriaal dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten;

b. de volgende afvalstoffen:

1°. plantaardig afval uit land- of bosbouw;

(…)

houtafval, met uitzondering van houtafval dat ten gevolge van een behandeling met houtbeschermingsmiddelen of door het aanbrengen van een beschermingslaag gehalogeneerde organische verbindingen dan wel zware metalen kan bevatten;

(…)

grote stookinstallatie: stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer, ongeacht het toegepaste brandstoftype;

stookinstallatie: technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd ten einde de aldus opgewekte warmte te gebruiken;

(…)

Afdeling 1.2. Melding

Artikel 1.9b

Deze afdeling is van toepassing op degene die:

a. een inrichting type B drijft, of

b. een inrichting type C drijft, voor zover deze afdeling betrekking heeft op activiteiten die verricht worden binnen de inrichting waarop hoofdstuk 3 van toepassing is.

Artikel 1.10

1. Degene die een inrichting opricht, meldt dit ten minste vier weken voor de oprichting aan het bevoegd gezag.

Artikel 2.14a

1. Het is verboden afvalstoffen te verbranden.

(…)

Hoofdstuk 3. Bepalingen met betrekking tot activiteiten, tevens geldend voor inrichtingen type C

Afdeling 3.0. Reikwijdte hoofdstuk 3

Artikel 3. Dit hoofdstuk is van toepassing op degene die:

a. een inrichting type A of een inrichting type B drijft, of

b. een inrichting type C drijft, met uitzondering van de artikelen 3.113 tot en met 3.121.

Afdeling 3.2. Installaties

& 3.2.1. Het in werking hebben van een middelgrote stookinstallatie, gestookt op een standaard brandstof

Artikel 3.7

1. Deze paragraaf is niet van toepassing op:

a. het stoken van brandstoffen in stookinstallaties die ingevolge bijlage I, onderdeel C, categorie 1.4, onder a, van het Besluit omgevingsrecht er toe leiden, dat een inrichting vergunningplichtig is;

(…)

6. Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer als één stookinstallatie aangemerkt en worden de vermogens opgeteld indien:

a. de afgassen van die stookinstallaties via één schoorsteen worden afgevoerd, of

b. de afgassen van die stookinstallaties, met inachtneming van technische en economische factoren, volgens het oordeel van het bevoegd gezag via een gemeenschappelijke schoorsteen kunnen worden uitgestoten.

Indien toepassing wordt gegeven aan onderdeel b, stelt het bevoegd gezag in een maatwerkvoorschrift vast welke stookinstallaties deel uitmaken van het samenstel van stookinstallaties.

(…)

8. Onverminderd de emissie-eisen in deze paragraaf kan het bevoegd gezag in het belang van de bescherming van het milieu bij maatwerkvoorschrift eisen stellen aan de emissies van een stookinstallatie.

Artikel 3.10

1. Het rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen vanaf 1 MWth voldoet aan de emissiegrenswaarden, genoemd in tabel 3.10.

(…)

Tabel 3.10

Ketelinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 1 MWth of meer

Artikel 3.10n

In afwijking van artikel 2.14a, eerste lid, is het verbranden van biomassa die tevens afvalstof is, toegestaan indien:

a. het de verbranding in een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 15 MWth of minder betreft;

b. het verbranden van de biomassa materiaalhergebruik niet belemmert, en

c. de vrijkomende warmte nuttig wordt gebruikt.

2. In afwijking van artikel 2.12, tweede en derde lid, is het toegestaan verschillende categorieën van afvalstoffen, zijnde biomassa, te mengen bij de verbranding van biomassa mits wordt voldaan aan het eerste lid.

(…)

Afdeling 5.1. Industriële emissies

& 5.1.1 Grote stookinstallatie

1. Deze paragraaf is van toepassing op het in werking hebben van een grote stookinstallatie, met uitzondering van:

(…)

j. stookinstallaties waarvoor emissie-eisen zijn gesteld in paragraaf 5.1.2.

2. Voor de toepassing van deze paragraaf worden twee of meer stookinstallaties met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 15 MW of meer als één stookinstallatie aangemerkt en worden de nominale thermische ingangsvermogens opgeteld indien:

a. de afgassen van die stookinstallaties via één schoorsteen worden afgevoerd, of

b. die stookinstallaties zodanig zijn gelegen dat de afgassen, naar het oordeel van het bevoegd gezag, op technisch en economisch aanvaardbare wijze via één schoorsteen kunnen worden afgevoerd.

(…)

Artikel 5.2

Een grote stookinstallatie wordt op een zodanige wijze ontworpen, uitgerust, onderhouden en geëxploiteerd, met inbegrip van een op berekeningen gebaseerde hoogte van de schoorsteen, dat afgassen op gecontroleerde wijze door de schoorsteen worden afgevoerd en wordt voorkomen dat de emissies in de lucht leiden tot overschrijding van:

a. de bij of krachtens dit besluit geldende emissiegrenswaarden;

b. de in bijlage 2 van de wet opgenomen grenswaarden.

Besluit milieueffectrapportage

Hoofdstuk 2. Activiteiten, plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapport verplicht is of ten aanzien waarvan de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de wet moeten worden toegepast

Artikel 2

Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder a, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel C van de bijlage is omschreven, met uitzondering van activiteiten die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.

(…)

4. Als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.2, derde en vierde lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën die in kolom 4 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage zijn omschreven.

5. Voor zover in de bijlage, onderdeel C, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport in zodanige gevallen. (…)

Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage

Onderdeel C Activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is

(…)