Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1917

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
202005651/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2020 heeft het college de locatie nabij Molenwerf 14 in Edam, aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer. Bij besluit van 29 juni 2020 heeft het college de locatie nabij [locatie] en het Klein Westerbuiten aangewezen voor het plaatsen van een orac. Ten tijde van het plaatsen van deze orac bleek dat in de grond een stroomkabel ligt, waardoor het plaatsen van de orac op deze locatie onmogelijk is. Het college heeft vervolgens op 7 september 2020 een nieuw aanwijzingsbesluit genomen. Hierin is de locatie in de groenstrook vlakbij Molenwerf 14, ongeveer ter hoogte van de oprit van [locatie], als vervangende locatie aangewezen. [appellanten] wonen aan [locatie]. Zij kunnen zich niet verenigen met de plaatsing van de orac op de locatie vlakbij Molenwerf 14, omdat zij onder meer vrezen voor onveilige verkeerssituaties en er volgens hen een geschiktere alternatieve locatie is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005651/1/R1.

Datum uitspraak: 25 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te Edam, gemeente Edam-Volendam,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Edam-Volendam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2020 heeft het college de locatie nabij Molenwerf 14 (hierna: de locatie) in Edam, aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: orac).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juni 2021, waar [appellanten], en het college, vertegenwoordigd door H. de Vries en mr. J.P. Lakerveld, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Bij besluit van 29 juni 2020 heeft het college de locatie nabij [locatie] en het Klein Westerbuiten aangewezen voor het plaatsen van een orac. Ten tijde van het plaatsen van deze orac bleek dat in de grond een stroomkabel ligt, waardoor het plaatsen van de orac op deze locatie onmogelijk is. Het college heeft vervolgens op 7 september 2020 een nieuw aanwijzingsbesluit genomen. Hierin is de locatie in de groenstrook vlakbij Molenwerf 14, ongeveer ter hoogte van de oprit van [locatie], als vervangende locatie aangewezen.

[appellanten] wonen aan [locatie]. Zij kunnen zich niet verenigen met de plaatsing van de orac op de locatie vlakbij Molenwerf 14, omdat zij onder meer vrezen voor onveilige verkeerssituaties en er volgens hen een geschiktere alternatieve locatie is.

Toetsingskader

2.       Bij de keuze van een locatie voor orac’s dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2506), komt het college bij de keuze voor locaties voor de plaatsing van orac's beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling, aan de hand van de beroepsgronden, beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze voor de locatie heeft kunnen komen.

Daarbij beoordeelt zij allereerst of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een orac. Als dat zo is, beoordeelt de Afdeling vervolgens of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

3.       Bij het bepalen van de locatie van orac’s heeft het college de richtlijnen gehanteerd zoals neergelegd in het "Beleidskader aanwijzen locaties ondergrondse containers". De richtlijnen houden in:

"- de locatie is voor de inzamelaar voldoende bereikbaar en toegankelijk.

- achteruitrijden met het ledigingsvoertuig wordt in verband met de veiligheid zoveel mogelijk vermeden.

- de locatie is voor bewoners voldoende bereikbaar en toegankelijk.

- de locatie is voor bewoners veilig te bereiken.

- parkeermogelijkheden en groen worden zoveel mogelijk behouden.

- een container wordt niet recht voor een raam van een woning geplaatst.

- om de locatie te bepalen, wordt de ondergrond onderzocht op de aanwezigheid van obstakels, zoals kabels en leidingen.

- bovengronds wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met bomen, lichtmasten, looproutes en dergelijke;

- er worden minimaal 40 en maximaal 150 huishoudens per container bediend, waarbij uitzonderingen zijn voorbehouden;

- er wordt gestreefd naar een maximale afstand van circa 150 meter vanaf de erfgrens;

- indien - rekening houdend met de bovenstaande punten - geen geschikte locatie kan worden gevonden, wordt gestreefd naar een maximale afstand van circa 250 meter vanaf de erfgrens."

Geschiktheid locatie

Verkeersveiligheid

4.       [appellanten] betogen dat de aanwezigheid van de orac zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Zij voeren aan dat de locatie vlakbij een viersprong ligt met veel verkeersbewegingen en waar de situatie nu al onoverzichtelijk en gevaarlijk is. Na het plaatsen van de orac zal volgens hen het aantal verkeersbewegingen toenemen met als gevolg dat de verkeerssituatie op de viersprong nog gevaarlijker wordt. Volgens hen zullen de verkeersbewegingen toenemen, omdat een aantal bewoners met de auto het restafval naar de orac zal brengen, aangezien de loopafstand tot de locatie voor een aantal aangesloten adressen ongeveer 250 meter en wellicht meer bedraagt. Ook zullen de bewoners die met de auto het afval wegbrengen volgens hen moeten keren in de doodlopende straat Molenwerf. [appellanten] vrezen dat hiervoor gebruik zal worden gemaakt van hun oprit. Volgens [appellanten] heeft het college de verkeerssituatie niet onderzocht en is dit aspect onvoldoende betrokken bij de besluitvorming. Verder voeren zij aan dat door het plaatsen van de orac ook onveilige situaties ontstaan voor wandelaars en kinderen omdat de straat Molenwerf maar aan één kant een trottoir heeft.

4.1.    Het college stelt dat de verkeerssituatie nabij de locatie is onderzocht en de locatie geschikt is voor het plaatsen van een orac. Meer specifiek heeft het college op de zitting toegelicht dat voor de verkeerssituatie advies is gevraagd aan de afdeling verkeer van de gemeente. Uit dit advies is volgens het college naar voren gekomen dat naar aanleiding van het plaatsen van de orac geen grote toename van het verkeer wordt verwacht. Daarnaast wijst het college erop dat de Molenwerf een lage verkeersintensiteit heeft. Het college stelt voorts dat nu nog een groot deel van het restafval bestaat uit herbruikbare grondstoffen. Bepaalde herbruikbare grondstoffen moeten gescheiden aangeboden worden. Het goed scheiden van afval zorgt voor minder restafval en dit zorgt volgens het college weer voor minder verkeersbewegingen naar een orac.

4.2.    In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor ondergrondse afvalcontainers. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van verschillende soorten afval gebruik te maken van dergelijke containers, ligt niet ter beoordeling voor.

Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een afvalcontainer, toeneming van verkeer van en naar een dergelijke container en (verkeers-)hinder die gepaard gaat met het legen van een container. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ondergrondse afvalcontainers en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van de containers maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2320. De Afdeling zal daarom enkel beoordelen of locatie-specifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.

4.3.    De Afdeling overweegt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plaatsen van de orac op de locatie niet zal leiden tot een verkeerssituatie die onaanvaardbaar is. Hierbij is van belang dat, zoals in rechtsoverweging 4.2 is overwogen, de verkeersaantrekkende werking van orac’s in het algemeen beperkt is. Indien er bewoners zijn die het afval met de auto wegbrengen zal dit niet tot een onaanvaardbare verkeerssituatie leiden aangezien het aantal aangesloten adressen beperkt is en bovendien de verkeersintensiteit in de Molenwerf laag is. Verder kunnen bewoners die ervoor kiezen om hun afval met de auto weg te brengen aan het einde van de Molenwerf keren, aangezien daar genoeg ruimte is.

Voor zover [appellanten] betogen dat de orac voor onveilige situaties zorgt voor wandelaars en kinderen omdat de Molenwerf maar aan één kant een trottoir heeft, overweegt de Afdeling dat ook na het plaatsen van de orac genoeg ruimte overblijft om van het trottoir gebruik te maken.

Gelet op het voorgaande biedt wat [appellanten] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de locatie geschikt heeft kunnen achten.

Het betoog faalt.

Verlies groen

5.       [appellanten] betogen dat de locatie ongeschikt is voor het plaatsen van een orac, omdat dit ten koste gaat van het aanwezige groen. Dit is volgens hen in strijd met de richtlijnen.

5.1.    De Afdeling overweegt dat het college de richtlijnen heeft betrokken bij het aanwijzen van de locatie. Het college heeft op zitting toegelicht dat gestreefd wordt naar het aanwijzen van een locatie die aan zoveel mogelijk richtlijnen voldoet, maar dit niet altijd mogelijk is. Volgens de richtlijnen dient het groen zoveel mogelijk behouden te worden. Dit betekent echter niet dat nooit ten behoeve van het plaatsen van een orac groen verwijderd mag worden. In dit geval heeft het college in het kader van de algehele belangenafweging het verwijderen van groen op deze locatie acceptabel geacht. Hierbij is van belang dat de inbreuk op het aanwezige groen beperkt is, aangezien het gaat om het plaatsen van één orac. Het college heeft zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

Het betoog faalt.

Alternatieve locatie

6.       [appellanten] betogen dat het college de locatie niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen, omdat een geschiktere alternatieve locatie voorhanden is. In dit verband wijzen zij op de locatie Klein Westerbuiten, langs de parkeerstrook. Volgens [appellanten] is de locatie bij de parkeerstrook geschikter voor het plaatsen van de orac, omdat op deze locatie geen groen verwijderd hoeft te worden en de verkeerssituatie niet verandert. Daarnaast vinden hier volgens [appellanten] geen extra verkeersbewegingen plaats en is de orac voor voetgangers en auto’s veilig te bereiken. Volgens [appellanten] heeft het college onvoldoende onderzoek verricht naar de geschiktheid van de voorgestelde alternatieve locatie.

6.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de alternatieve locatie Klein Westerbuiten bij de parkeerstrook niet geschikt is, aangezien dit alternatief is gelegen in de nabijheid van een zebrapad. Het inzamelvoertuig zal voor het legen van de container nabij de oversteekplaats stil moeten staan en dit acht het college ongewenst vanwege de verkeersveiligheid. Het college acht de alternatieve locatie alleen al om die reden niet geschikter dan de aangewezen locatie. Het college wijst er verder op dat de locatie nabij Molenwerf 14 beter aansluit op het sluitende netwerk van orac’s in de wijk.

Alleen al vanwege het feit dat de alternatieve locatie zich in de nabijheid van een zebrapad bevindt ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college de door [appellanten] voorgestelde alternatieve locatie in redelijkheid geschikter had moeten achten dan de aangewezen locatie.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.       Het beroep is ongegrond.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2021

191-966