Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1908

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
201907862/1/R1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2015 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan het Utrechtsch Studenten Corps omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een kantoor tot kamerverhuurwoning en het wijzigen van de gevels van het pand Boothstraat 1 te Utrecht. Het bouwplan voorziet in de verbouw van het pand ten behoeve van kamerverhuur aan studenten en in 25 onzelfstandige kamers. [appellant] is eigenaar van het kantoorpand [locatie], dat is gelegen naast het pand Boothstraat 1. [appellant] vreest dat na realisering van het bouwplan sprake zal zijn van een brandonveilige situatie in het pand, alsmede voor de omgeving. Hij vreest verder onder meer geluidsoverlast van de studenten die in het pand gaan wonen en waardedaling van zijn pand als gevolg van de realisering van het bouwplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907862/1/R1.

Datum uitspraak: 25 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Utrecht,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2015 heeft het college aan het Utrechtsch Studenten Corps (hierna: USC) omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van een kantoor tot kamerverhuurwoning en het wijzigen van de gevels van het pand Boothstraat 1 te Utrecht (hierna: het pand).

Bij uitspraak van 14 mei 2019 heeft de Afdeling het door [appellant] ingestelde beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van [appellant] kennelijk gegrond verklaard.

[appellant] heeft daarna opnieuw beroep ingesteld bij de Afdeling wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar.

Bij besluit van 22 november 2019 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 16 februari 2015 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2020, waar het college, vertegenwoordigd door R. Alblas, en het USC, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het bouwplan voorziet in de verbouw van het pand ten behoeve van kamerverhuur aan studenten en in 25 onzelfstandige kamers. [appellant] is eigenaar van het kantoorpand [locatie], dat is gelegen naast het pand Boothstraat 1. [appellant] vreest dat na realisering van het bouwplan sprake zal zijn van een brandonveilige situatie in het pand, alsmede voor de omgeving. Hij vreest verder onder meer geluidsoverlast van de studenten die in het pand gaan wonen en waardedaling van zijn pand als gevolg van de realisering van het bouwplan.

Voorgeschiedenis

2.       Het college heeft eerder bij besluit van 9 juli 2015 het onder meer door [appellant] tegen het besluit van 16 februari 2015 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De Afdeling heeft, na de tussenuitspraak van 4 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1116) en de daarop volgende aanvullende motivering van het besluit van 9 juli 2015 van het college, in de einduitspraak van 18 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3373) dit besluit van 9 juli 2015 vernietigd, het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en bepaald dat tegen dat besluit alleen bij de Afdeling beroep kon worden ingesteld.

[appellant] heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2018. De Afdeling heeft bij uitspraak van 14 mei 2019 het door [appellant] ingestelde beroep wegens het niet tijdig beslissen gegrond verklaard, bepaald dat de door het college op grond van artikel 8:55c, gelezen in samenhang met artikel 4:17, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht(hierna: Awb) verbeurde dwangsom wordt vastgesteld op een bedrag van € 1.442,00, bepaald dat het college op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb alsnog een besluit dient te nemen en dit aan [appellant] bekend te maken en daartoe een termijn van twee weken gesteld en, met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb, bepaald dat het college een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat het in gebreke blijft de uitspraak na te leven. De Afdeling heeft de hoogte van deze dwangsom vastgesteld op een bedrag van € 100,00 per dag, met een maximum van

€ 15.000,00.

Beroep niet tijdig beslissen

3.       [appellant] wijst op de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2019, in zaak nr. 201902293/2/A1, waarin is bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen op straffe van een dwangsom. [appellant] verzoekt de Afdeling te bepalen dat het college een bedrag van € 15.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd en deze aan [appellant] dient te betalen. Hij verzoekt de Afdeling verder het college een aanvullende dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 37.500,00 op te leggen voor iedere dag dat het in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

3.1.    Het college heeft bij besluit van 22 november 2019 alsnog opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist en dat besluit is van rechtswege mede onderwerp van dit geding. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat [appellant] in dit geval geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het daarbij behorende verzoek om het college opnieuw een dwangsom op te leggen.

Voor zover [appellant] de Afdeling verzoekt om het college te veroordelen tot betaling van de dwangsom die volgens hem is verbeurd door de niet tijdige bekendmaking van het nieuwe besluit op bezwaar overweegt de Afdeling als volgt. Aan de Afdeling is geen bevoegdheid toegekend om een partij - in dit geval het college - te veroordelen tot betaling van een door de Afdeling aan haar uitspraak verbonden dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb. De Afdeling komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van het daartoe strekkende verzoek van [appellant], waarbij onder meer dient te worden beoordeeld of het college de dwangsom heeft verbeurd. Ter beslechting van een geschil over de verschuldigdheid van de desbetreffende dwangsom kan [appellant] zich tot de burgerlijke rechter wenden. De Afdeling is in zoverre onbevoegd om van het beroep kennis te nemen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1862).

3.2.    Gelet op wat in 3.1 is overwogen, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk.

Beroep tegen het besluit van 22 november 2019

4.       Het college heeft bij besluit van 22 november 2019 alsnog opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5.       [appellant] betoogt dat het college ten onrechte geen nieuwe hoorzitting heeft gehouden. Volgens hem is ten onrechte in het besluit van 22 november 2019 vermeld dat [appellant] toestemming zou hebben gegeven een hoorzitting achterwege te laten.

5.1.    Een bestuursorgaan is bij het opnieuw nemen van een besluit op bezwaar, ter voldoening aan een uitspraak van de bestuursrechter, op grond van artikel 7:2 van de Awb niet verplicht opnieuw te horen. Dit kan echter uit oogpunt van zorgvuldigheid, op grond van artikel 3:2 van de Awb, anders zijn. Dit is het geval bij nieuwe feiten en omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 7:9 van de Awb. [appellant] stelt dat het inspectierapport van 5 november 2019 noopte tot het opnieuw horen.

Het college stelt zich op het standpunt dat uit de beroepsgronden blijkt dat het college [appellant] per brief in de gelegenheid heeft gesteld om uiterlijk in het begin van de week van 18 november 2019 aan hem te laten weten of hij een nieuwe hoorzitting wilde over het inspectierapport van 5 november 2019. [appellant] ontkent volgens het college niet dat hij daarna niet aan het college heeft laten weten een hoorzitting te willen. Het college stelt gehandeld te hebben in overeenstemming met artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb.

De brief waar het college naar verwijst bevindt zich niet bij de door het college dan wel [appellant] overgelegde stukken. De inhoud daarvan is dan ook onbekend. Niet kan worden vastgesteld of het college zoals het stelt in overeenstemming met artikel 7:3, aanhef en onder d, van de Awb heeft gehandeld. Deze onduidelijkheid komt voor risico van het college en het dient er voor gehouden te worden dat het college in strijd met artikel 7:3 van de Awb heeft gehandeld door [appellant] niet te horen naar aanleiding van het inspectierapport van 5 november 2019.

5.2.    De Afdeling ziet evenwel aanleiding om voormeld gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Aannemelijk is dat [appellant] niet is benadeeld door de schending van artikel 7:3 van de Awb. Het besluit van 22 november 2019, waar het inspectierapport van 5 november 2019 aan ten grondslag is gelegd, is aan [appellant] toegezonden en hij heeft daartegen beroep ingesteld. Gelet hierop is [appellant] voldoende in de gelegenheid geweest om zijn standpunten over het inspectierapport van 5 november 2019 kenbaar te maken.

6.       [appellant] betoogt dat ten onrechte nog steeds een bouwveiligheidsplan en een asbestrapportage ontbreken.

6.1.    Vast staat dat het college in de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 18 oktober 2018 noch in onderhavige procedure een bouwveiligheidsplan of een asbestrapportage heeft overgelegd.

Het college heeft ten aanzien van het bouwveiligheidsplan verwezen naar de nota van toelichting bij het Bouwbesluit. Uit deze nota van toelichting (Stb. 2011, 416) en de wijziging van het Bouwbesluit, waarbij onder meer artikel 8.7 is toegevoegd (Stb. 2014, 51), kan worden afgeleid dat de bedoeling van de regeling in artikel 8.7 van het Bouwbesluit is, dat de bouw- en sloopwerkzaamheden zodanig worden uitgevoerd, dat voor de omgeving onveilige situaties of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder zoveel mogelijk worden voorkomen. Het gaat met name om het voorkomen van letsel van personen, of beschadigingen dan wel belemmeringen van wegen, werken of roerende zaken die zich in de omgeving van het bouw- of sloopterrein bevinden. Uit de Nota van toelichting kan verder worden opgemaakt dat het Bouwbesluit - voor zover het het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade aan onroerende zaken op nabijgelegen percelen aangaat - ziet op het voorkomen van schade die de veiligheid van de op die percelen aanwezige bouwwerken in gevaar brengt.

Vast staat dat de verbouw al voltooid is. Verder is niet gebleken van schade of gevaarzetting door de verbouw. [appellant] heeft volstaan met de vaststelling dat een bouwveiligheidsplan ontbreekt. Gelet op het doel van het indienen van een bouwveiligheidsplan, te weten het voorkomen van het toebrengen van schade of gevaarzetting tijdens de (ver)bouw, en de omstandigheid dat de verbouw al voltooid is en niet is gebleken van schade of gevaarzetting, kan deze beroepsgrond van [appellant] niet leiden tot vernietiging van het besluit van 22 november 2019.

Het college heeft voorts toegelicht dat in oktober 2014 een sloopmelding is ingediend met een asbestinventarisatierapport van Oesterbaai van 23 april 2012 in overeenstemming met artikel 1.26, eerste en zesde lid, van het Bouwbesluit 2012. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de sloopmelding los staat van de omgevingsvergunning en geen onderdeel uitmaakt van het toetsingskader in deze. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:336) is de bestrijding van de gezondheidsrisico’s van asbest niet een belang dat bij de beoordeling van een omgevingsvergunning als hier aan de orde een rol speelt. In de bestrijding daarvan wordt voorzien in specifieke wettelijke regelingen. Verlening van de omgevingsvergunning laat onverlet dat aan die regelingen moet worden voldaan. Het ontbreken van een asbestrapportage biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de gevraagde omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

7.       [appellant] betoogt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd aan welke geluidseisen uit het Bouwbesluit 2012 getoetst moet worden en dat een akoestisch onderzoek ten onrechte ontbreekt. [appellant] betoogt verder dat onvoldoende is gemotiveerd dat aan de brandveiligheidseisen wordt voldaan.

7.1.    Artikel 2.12 van het Bouwbesluit 2012 luidt:

"Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 2.10 en 2.11 van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in artikel 2.10 aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau en waarbij, in afwijking van artikel 2.11, eerste lid, wordt uitgegaan van de buitengewone belastingscombinaties die volgens NEN 8700 kunnen optreden bij brand."

Artikel 3.18 luidt:

"Op het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk zijn de artikelen 3.16 tot en met 3.17a van overeenkomstige toepassing, waarbij in plaats van het in die artikelen aangegeven niveau van eisen wordt uitgegaan van het rechtens verkregen niveau."

7.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 18 oktober 2018, volgt uit de omstandigheid dat het om de verbouw van een bestaand pand gaat, gelet op de artikelen 2.12 en 3.18 van het Bouwbesluit 2012, dat ten aanzien van de toepasselijke voorschriften van het Bouwbesluit 2012 met betrekking tot het geluidsaspect en de brandveiligheid dient te worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau.

Zoals de Afdeling verder eerder heeft overwogen in de uitspraak van 18 oktober 2018, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3249, dient, blijkens de nota van toelichting bij het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416, blz. 180-181), voor het bepalen van het rechtens verkregen niveau, bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, te worden gekeken naar de technische voorschriften en de vergunning die op de oorspronkelijke oprichting van het bouwwerk en op eventuele latere verbouwing(en) daarvan van toepassing waren. In de uitspraak van 18 oktober 2018 heeft de Afdeling overwogen dat niet duidelijk is wanneer het pand is gebouwd en of het daarna is verbouwd.

In het besluit van 22 november 2019 heeft het college toegelicht dat het na de uitspraak van 18 oktober 2018 onderzoek heeft gedaan en heeft geconstateerd dat het pand in 1926 is opgericht, oorspronkelijk ten behoeve van het bouwen van twee pakhuizen met bovenwoning en een autogarage. Uit de oprichtingstekeningen is volgens het college op te maken dat het pand aan de linkerzijde is aangebouwd tegen de bestaande bebouwing. Het toegepaste materiaal betreft een eensteensmuur van ongeveer 210 mm dikte. Eind 1960/begin 1961 is een vergunning verleend voor het uitbreiden van de studentensociëteit aan het Janskerkhof. Deze verbouwing had ook betrekking op de bebouwing aan de Boothstraat 1. Op de plattegronden is volgens het college te zien dat aan de linkerzijde van het pand nieuw metselwerk is aangebracht. Met het besluit van 16 mei 2003, verzonden op 20 mei 2003, is een lichte bouwvergunning (kenmerk VTH: BV2030569) verleend voor het bouwen van twee nooduitgangen in de westgevel en het intern verbouwen van een studentensociëteit op het perceel Boothstraat 1A/1B/1C te Utrecht. De nooduitgangen bevinden zich niet in de gevel die is aangebouwd tegen het pand Boothstraat 3, zodat de scheidingsmuur na 1961/1962 geen bouwkundige wijzigingen meer heeft ondergaan. Voor het overige zijn geen verleende vergunningen aangetroffen, aldus het college.

De stukken waarnaar het college ter onderbouwing van haar standpunt met betrekking tot het rechtens verkregen niveau in het kader van de brandveiligheid en het geluidsaspect verwijst, zijn niet overgelegd aan de Afdeling of aan [appellant]. Ter zitting heeft het college onderkend dat dit, teneinde de juistheid van zijn stellingen na te gaan, wel had moeten gebeuren. Uit het voorgaande volgt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd wat in dit geval het rechtens verkregen niveau is. Daaruit volgt dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat aannemelijk is dat het bouwplan aan de toepasselijke voorschriften van het Bouwbesluit 2012 voldoet met betrekking tot het geluidsaspect en onvoldoende heeft gemotiveerd dat aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de toepasselijke brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit 2012.

Het betoog slaagt.

8.       Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 22 november 2019 is gegrond. Het besluit van 22 november 2019 moet worden vernietigd. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden, nu van te vergoeden proceskosten niet is gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2019 in zaak nr. 201902293/2/A1 niet-ontvankelijk;

II.       verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van 22 november 2019, kenmerk 6087624, gegrond;

III.      vernietigt het besluit van 22 november 2019, kenmerk 6087624;

IV.     draagt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht op om binnen 6 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen

V.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit op bezwaar alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2021

580.