Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
202002476/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland besloten tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang ter zake van asbestverontreiniging als gevolg van een brand op 1 juni 2018 op het perceel [locatie] in Berkel en Rodenrijs. Op 1 juni 2018 is brand uitgebroken in het [tuinbouwbedrijf] op het perceel [locatie] in Berkel en Rodenrijs. Dit perceel is in eigendom van [appellant]. Bij de brand zijn asbestdeeltjes vrijgekomen. Het college heeft op 8 juni 2018 besloten tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang. Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat de asbestdeeltjes die door de brand in de omgeving zijn verspreid, een gevaar voor de volksgezondheid en veiligheid van anderen opleveren en dat [appellant] door dit te laten gebeuren en geen maatregelen te nemen in strijd heeft gehandeld met artikel 1a van de Woningwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002476/1/R3.

Datum uitspraak: 25 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2020 in zaak nr. 19/911 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2018 heeft het college besloten tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang ter zake van asbestverontreiniging als gevolg van een brand op 1 juni 2018 op het perceel [locatie] in Berkel en Rodenrijs.

Bij besluit van 18 januari 2019 heeft het college het door [appellant]

daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 maart 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2021, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Kazem, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op 1 juni 2018 is brand uitgebroken in het [tuinbouwbedrijf] op het perceel [locatie] in Berkel en Rodenrijs (hierna: het perceel). Dit perceel is in eigendom van [appellant]. Bij de brand zijn asbestdeeltjes vrijgekomen.

2.       Het college heeft op 8 juni 2018 besloten tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang. Het college heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat de asbestdeeltjes die door de brand in de omgeving zijn verspreid, een gevaar voor de volksgezondheid en veiligheid van anderen opleveren en dat [appellant] door dit te laten gebeuren en geen maatregelen te nemen in strijd heeft gehandeld met artikel 1a van de Woningwet. Volgens het college heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij op korte termijn zelf voor beëindiging van de situatie zou zorgdragen.

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake was van een spoedeisende situatie die het toepassen van bestuursdwang zonder voorafgaande last rechtvaardigde. De rechtbank overweegt hiertoe dat asbest een gevaarlijke stof is en dat verspreiding van asbestdeeltjes nadelige gevolgen heeft voor het milieu en risico’s voor de gezondheid met zich brengt, zodat een zo spoedig mogelijke sanering is aangewezen. De rechtbank oordeelt dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat [appellant] zelf op korte termijn voor de sanering zou zorgdragen. Ook volgt de rechtbank [appellant] niet in zijn stelling dat het college de sanering door [appellant] zou hebben tegengewerkt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het betoog van [appellant] over het slopen van de gehele kas buiten de omvang van het geding valt, omdat de tenuitvoerlegging niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Spoedeisende bestuursdwang

4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte spoedeisende bestuursdwang heeft toegepast. Hij voert daartoe aan dat het college niet voortvarend te werk is gegaan. Zo stelt hij dat het na de brand een week heeft geduurd voordat het college heeft besloten tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang en dat het college pas op 20 juni 2018 is begonnen met de sanering van het perceel. Verder voert [appellant] aan dat onvoldoende is gebleken dat hij niet in staat was om de sanering zelf uit te voeren. [appellant] verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY1700) en de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: CBb) van 14 oktober 2011 (ECLI:NL:CBB:2011:BU4517).

4.1.    Artikel 5:31 van de Awb luidt:

"1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt."

4.2.    De Afdeling stelt vast dat in het primaire besluit van 8 juni 2018 staat dat het college heeft besloten tot toepassing van spoedeisende bestuursdwang en zijn bevoegdheid tot handhavend optreden heeft gebaseerd op artikel 5:31, eerste lid, van de Awb. Dit volgt ook uit het advies van de Vaste commissie van advies voor bezwaarschriften van 15 januari 2019, welk advies door het college in het besluit op bezwaar van 18 januari 2019 is opgenomen. Het college heeft de situatie zo spoedeisend geacht dat een voorafgaande last niet kon worden afgewacht. Anders dan het college in zijn schriftelijke uiteenzetting en ter zitting heeft gesteld, is niet gebleken dat sprake is van het terstond toepassen van de bestuursdwang overeenkomstig artikel 5:31, tweede lid, van de Awb.

4.3.    Partijen zijn het erover eens dat asbest een gevaarlijke stof is en dat de verspreiding van asbestdeeltjes als gevolg van de brand op het perceel nadelige gevolgen voor het milieu heeft en risico’s voor de gezondheid met zich brengt, zodat een zo spoedig mogelijke asbestsanering noodzakelijk was.

4.4.    De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het college op 8 juni 2018 niet in redelijkheid met toepassing van artikel 5:31, eerste lid, van de Awb tot spoedeisende bestuursdwang heeft kunnen besluiten. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het college op 1 juni 2018, de dag van de brand, het bedrijf Compas Asbestmanagement de opdracht heeft gegeven voor het uitvoeren van een asbestinventarisatie. Het college heeft vervolgens op 4 juni 2018 opdracht gegeven voor het aanvullend inventariseren op de mogelijke aanwezigheid van asbesthoudende toepassingen. Uit het rapport van 4 juni 2018 (hierna: het rapport) volgt dat bij de brand van 1 juni 2018 asbest is vrijgekomen en aanbevolen wordt om de toepassingen door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te laten saneren.

In het besluit van 8 juni 2018 heeft het college erop gewezen dat toezichthouders van de gemeente [appellant] meerdere keren hebben gesommeerd om een plan van aanpak te overleggen, maar dat hij tot op dat moment geen actie heeft ondernomen. Ook staat in het besluit dat het college van de tussenpersoon van de verzekeringsmaatschappij van [appellant] het bericht heeft ontvangen dat zijn lopende verzekeringspolissen mogelijk de ontstane brandschade en de opruimwerkzaamheden van het asbest niet dekken. Verder staat in het besluit dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voornemens is om de verdere gevolgen van de asbestbrand op een andere wijze dan via zijn verzekeringsmaatschappij te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken en dat hierdoor het gevaar voor de volksgezondheid en veiligheid sinds 1 juni 2018 onverminderd voortduurt. Gezien de ernst van de verontreiniging en de weervoorspelling bestaat volgens het college een reële en acute dreiging voor verdere verspreiding van het asbest, met alle nadelige gevolgen van dien voor het milieu, de veiligheid en de volksgezondheid. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd in zoverre geen aanknopingspunten om aan het standpunt van het college dat op 8 juni 2018 sprake was van een spoedeisende situatie die het toepassen van bestuursdwang zonder voorafgaande last rechtvaardigde, te twijfelen. De verwijzing van [appellant] naar de uitspraken van de Afdeling en het CBb leidt niet tot een ander oordeel. In tegenstelling tot de onderhavige situatie, hebben die uitspraken betrekking op situaties waarin het niet zeker was dat de overtreders niet de noodzakelijke maatregelen zouden treffen, indien hun dat door middel van een last zou worden aangezegd.

Het handelen van het college na 8 juni 2018 geeft evenmin aanleiding om te twijfelen aan de spoedeisendheid ten tijde van het besluit tot spoedeisende bestuursdwang. In het besluit van 8 juni 2018 staat dat het college het gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf Roessen&Roessen de opdracht heeft gegeven om het verontreinigd gebied te saneren conform de aanbevelingen in het rapport. In de factuur van Roessen & Roessen van 21 juni 2018 staat dat de saneringswerkzaamheden zijn uitgevoerd in week 24. Dit betekent dat de saneringswerkzaamheden in de week van 11 juni 2018 zijn aangevangen, 3 dagen na het besluit tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang. Ter zitting heeft het college toegelicht dat op 20 juni 2018 een aantal grote saneringswerkzaamheden, waaronder de sanering van de daken, heeft plaatsgevonden, maar dat de acute werkzaamheden eerder zijn verricht. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om aan deze stelling van het college te twijfelen.

Het betoog slaagt niet.

4.5.    Voor zover [appellant] betoogt dat onvoldoende is gebleken dat hij niet in staat was om de sanering zelf uit te voeren, overweegt de Afdeling dat gelet op de hiervoor vastgestelde spoedeisendheid ten tijde van de besluitvorming het college heeft kunnen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Dat [appellant] al dan niet in staat was om de sanering zelf uit te voeren, doet hier niet aan af.

Het betoog slaagt niet.

Feitelijke tenuitvoerlegging

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de ingrijpende gevolgen van de spoedmaatregel. Hij voert daartoe aan dat het college ten onrechte de gehele kas op het perceel heeft gesloopt. Ook voert hij dat het goedkoper zou zijn geweest als hij de sanering zelf had uitgevoerd.

5.1.    Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 20 juni 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW8821) is de tenuitvoerlegging van bestuursdwang een feitelijke handeling en is de beslissing daartoe geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen de tenuitvoerlegging van bestuursdwang kan dan ook geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. De rechtbank heeft haar beoordeling dan ook terecht beperkt tot de vraag of het besluit tot het opleggen van de last rechtmatig tot stand is gekomen en het slopen van de gehele kas daar terecht niet bij betrokken.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie en proceskosten

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.D. van Heijningen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2021

288-964.