Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1891

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
202002759/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 18 september 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar de aanvragen van [appellante] om leerlingenvervoer voor haar [kinderen] van en naar de Petrus Dondersschool in Den Haag voor het schooljaar 2018-2019 ingewilligd en daarbij een eigen bijdrage van € 530,00 per kind per schooljaar vastgesteld. [appellante] heeft bij het college voor haar [kinderen] aanvragen van 24 juli 2018 ingediend om leerlingenvervoer van en naar de Petrus Dondersschool in Den Haag. Bij onderscheiden besluiten van 18 september 2018 heeft het college aan [appellante] leerlingenvervoer toegekend voor haar kinderen van en naar de Petrus Dondersschool in Den Haag voor de maximale duur van het schooljaar 2018-2019. Omdat het gezamenlijke inkomen van [appellante] en haar partner in peiljaar 2016 gelijk is of hoger dan € 26.100,00 heeft het college voor het leerlingenvervoer een eigen bijdrage van € 530,00 per kind per schooljaar vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002759/1/A2.

Datum uitspraak: 25 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Wassenaar,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2020 in zaak nr. 19/1960 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 18 september 2018 heeft het college de aanvragen van [appellante] om leerlingenvervoer voor haar [kinderen] van en naar de Petrus Dondersschool in Den Haag voor het schooljaar 2018-2019 ingewilligd en daarbij een eigen bijdrage van € 530,00 per kind per schooljaar vastgesteld.

Bij besluit van 19 februari 2019 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2021, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.M. Stevers, advocaat te Leiden, en vergezeld van haar [zus], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. de Heij en L.G. Nollen, zijn verschenen.

Overwegingen

Relevante regelgeving

1.       De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.       [appellante] heeft bij het college voor haar [kinderen] aanvragen van 24 juli 2018 ingediend om leerlingenvervoer van en naar de Petrus Dondersschool in Den Haag. Bij onderscheiden besluiten van 18 september 2018 heeft het college aan [appellante] leerlingenvervoer toegekend voor haar kinderen van en naar de Petrus Dondersschool in Den Haag voor de maximale duur van het schooljaar 2018-2019. Omdat het gezamenlijke inkomen van [appellante] en haar partner in peiljaar 2016 gelijk is of hoger dan € 26.100,00 heeft het college voor het leerlingenvervoer een eigen bijdrage van € 530,00 per kind per schooljaar vastgesteld.

3.       Tegen de besluiten van 18 september 2018 heeft [appellante] bezwaar gemaakt. De commissie bezwaarschriften (hierna: de bezwaarcommissie) heeft op 18 december 2018 advies uitgebracht. Volgens de bezwaarcommissie is het wenselijk om in dit geval de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 23 van de Verordening Leerlingenvervoer gemeente Wassenaar 2014 (hierna: de verordening) toe te passen en de eigen bijdragen niet op te leggen. De bezwaarcommissie acht hierbij van belang dat het inkomen van [appellante] door de aangevraagde scheiding structureel is verminderd. Om deze reden adviseert de bezwaarcommissie het college om af te wijken van het peiljaar 2016. Naar het oordeel van de bezwaarcommissie heeft [appellante] aannemelijk gemaakt dat zij beschikt over een inkomen dat lager is dan de inkomensgrens. Na de rechterlijke uitspraak van de echtscheiding zal volgens de bezwaarcommissie de alimentatie voor de kinderen opgeteld moeten worden bij het inkomen van [appellante]. Verder betrekt de bezwaarcommissie er bij dat het een tijdelijke situatie betreft die is ontstaan door onvoldoende beschikbaarheid op het basisonderwijs in de gemeente Wassenaar. Voor zover het college naar voren heeft gebracht dat toepassing van de hardheidsclausule precedentwerking zal scheppen, adviseert de bezwaarcommissie het college om de toepassing van de hardheidsclausule te onderbouwen met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van [appellante] betrekking hebben. Omdat niet aannemelijk is dat er vele gevallen in Wassenaar voorkomen waarin dezelfde omstandigheden spelen als bij [appellante], is de angst voor precedentwerking ongegrond, aldus de bezwaarcommissie.

4.       Bij besluit van 19 februari 2019 heeft het college, in afwijking van het advies van de bezwaarcommissie, het bezwaar van [appellante] ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden naar zijn oordeel onvoldoende aanleiding geven om de hardheidsclausule toe te passen. In dat verband wijst het college erop dat ter ondersteuning van de aanvragen verklaringen van [appellante] en haar ex-partner en beide inkomensverklaringen zijn overgelegd. Ook is volgens het college van belang dat niet is gebleken dat de echtscheiding is uitgesproken en dat de eigen bijdragen niet in de alimentatieregeling zouden kunnen worden opgenomen. Verder neemt het college in aanmerking dat het gerechtvaardigd is om de eigen bijdragen op te leggen, nu al een uitzondering is gemaakt door [appellante] leerlingenvervoer toe te kennen en de situatie tijdelijk is. Ten slotte neemt het college in aanmerking dat het niet opleggen van een eigen bijdrage aan [appellante] ongewenste precedentwerking oplevert.

Aangevallen uitspraak

5.       De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat aan [appellante] leerlingenvervoer voor haar kinderen van en naar school voor het schooljaar 2018-2019 is toegekend, maar dat de vraag voorligt of de eigen bijdragen terecht zijn opgelegd.

De rechtbank overweegt dat het college bij vaststelling van de eigen bijdragen mocht uitgaan van de inkomens van beide ouders, omdat de ouders gezamenlijk de aanvragen voor leerlingenvervoer voor hun kinderen hebben ingediend, ondersteund met inkomensverklaringen van beide ouders. Uit de stukken blijkt volgens de rechtbank bovendien dat dit verzamelinkomen in het peiljaar 2016 ruim boven het drempelbedrag ligt, waardoor het college een eigen bijdrage in rekening kon brengen. Dat [appellante] inmiddels is gescheiden doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, waarbij van belang is dat ouders ook bij een echtscheiding gezamenlijk verantwoordelijk blijven voor de kosten van de opvoeding van hun kinderen. Dat de vader niet mede-aanvrager is of elders verblijft, doet daar niet aan af, aldus de rechtbank.

Vervolgens komt de rechtbank tot het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval geen sprake is van bijzondere omstandigheden waarin hij aanleiding had moeten zien tot toepassing van de hardheidsclausule uit artikel 23 van de verordening. Daarbij heeft het college volgens de rechtbank kunnen betrekken dat [appellante] strikt genomen niet in aanmerking zou zijn gekomen voor leerlingenvervoer en dat uit coulance is besloten dit wel toe te kennen. Verder overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat [appellante] na de peildatum is gescheiden van haar ex-echtgenoot en haar inkomsten zijn veranderd, onvoldoende is om het bestaan van bijzondere omstandigheden aan te nemen. Daarbij heeft het college mogen meewegen dat dit een ongewenste precedentwerking zou inhouden en ten koste zou komen van de gemeentelijke begroting, aldus de rechtbank. Gelet op deze overwegingen heeft de rechtbank geconcludeerd dat het college op juiste gronden de eigen bijdragen voor het leerlingenvervoer van de kinderen voor het schooljaar 2018-2019 heeft opgelegd.

Hoger beroep

6.       [appellante] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in de beoordeling heeft kunnen betrekken dat zij strikt genomen niet in aanmerking zou zijn gekomen voor leerlingenvervoer en dat uit coulance is besloten dit wel toe te kennen. Volgens [appellante] miskent de rechtbank met dit oordeel dat het noodzakelijk was leerlingenvervoer toe te kennen, omdat er voor haar een noodsituatie bestond. Zij was door een conflictsituatie gedwongen om van Den Haag naar Wassenaar te verhuizen en heeft tevergeefs gezocht naar een basisschool voor haar kinderen in Wassenaar, als gevolg waarvan voor haar kinderen hun oude basisschool in Den Haag is aangehouden. [appellante] wijst erop dat uit de verklaring van 6 september 2018 blijkt dat zijzelf en de vader van de kinderen niet konden zorgen voor het vervoer van de kinderen van en naar hun basisschool in Den Haag. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, was het college verplicht om op grond van de verordening de aanvraag in te willigen, aldus [appellante].

Verder betoogt [appellante] dat de rechtbank, bij haar oordeel dat de scheiding er niet aan af doet dat het verzamelinkomen in het peiljaar 2016 ruim boven het drempelbedrag ligt en het college daarom een eigen bijdrage in rekening kon brengen, ten onrechte van belang heeft geacht dat ook bij een echtscheiding de beide ouders gezamenlijk verantwoordelijk blijven voor de kosten van de opvoeding van hun kinderen. Volgens [appellante] miskent de rechtbank hiermee dat de eigen bijdrage alleen aan haar is opgelegd, dat het bedrag een grote aanslag op haar budget is en dat het voor haar niet mogelijk is om de eigen bijdragen geheel of deels te verhalen op de vader van de kinderen. Zijn financiële positie is sinds peiljaar 2016 aanzienlijk verslechterd en zij en haar ex-echtgenoot hebben sinds de scheiding gezamenlijk aanzienlijk hogere woonlasten, aldus [appellante].

Volgens [appellante] heeft de rechtbank, door te overwegen dat door toekenning van leerlingenvervoer aan haar een uitzondering is gemaakt wegens de vestigingsplaats van de school van haar kinderen, ten onrechte impliciet geoordeeld dat zij geen beroep kan doen op de hardheidsclausule van de verordening. [appellante] betoogt dat deze omstandigheid onverlet laat dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waarin het college aanleiding had moeten zien toepassing te geven aan de hardheidsclausule uit artikel 23 van de verordening. Volgens [appellante] zijn dergelijke omstandigheden aanwezig, nu door toedoen van het college geen openbare basisschool in Wassenaar voldoende capaciteit had om haar kinderen te plaatsen, zij en haar ex-echtgenoot zijn gescheiden en hun gezamenlijk inkomen aanzienlijk is gedaald. [appellante] wijst erop dat de verordening bovendien niet voorziet in een wijziging van het peiljaar voor het inkomen wanneer omstandigheden veranderen.

Ten slotte voert [appellante] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college heeft mogen meewegen dat toepassing van de hardheidsclausule een ongewenste precedentwerking zou inhouden, omdat de precedentwerking beperkt is. In dat verband wijst [appellante] erop dat de omstandigheden die zich in dit geval voordoen, een onvoorziene noodzakelijke verhuizing, scheiding en inkomensterugval, niet vaak zullen voorkomen. Volgens [appellante] gaat het doorgaans om een tijdelijke situatie van maximaal een jaar en kan het college beleid voeren over de tijdspanne en mate van vermindering en kwijtschelding van de eigen bijdrage.

Beoordeling hoger beroep

6.1.    Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de verordening betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, in het geval dat het college het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 24.300,00. In overeenstemming met artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs wordt ingevolge artikel 14, vierde lid, van de verordening het bedrag van € 24.300,00 met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar en treedt het aangepaste bedrag in plaats van het bedrag van € 23.400. Met inachtneming hiervan is voor het schooljaar 2018-2019 bepaald dat als peiljaar 2016 geldt en de inkomensgrens vastgesteld op € 26.100,00.

6.2.    Onder verwijzing naar de uitspraak van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1095, overweegt de Afdeling dat het college aan artikel 23 van de verordening toepassing kan geven, maar daartoe niet zonder meer verplicht is. De rechter dient de weigering van het college de in artikel 23 van de verordening opgenomen bevoegdheid toe te passen terughoudend te toetsen.

6.3.    De omstandigheid dat [appellante] na haar verhuizing van Den Haag naar Wassenaar in de zomer van 2018 tevergeefs heeft gezocht naar een basisschool voor haar kinderen in Wassenaar, als gevolg waarvan voor haar kinderen hun oude basisschool in Den Haag is aangehouden, betreft naar het oordeel van de Afdeling geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 23 van de verordening. Van belang daarbij is dat het college in de besluiten van 18 september 2018 voor de toekenning van leerlingenvervoer aan [appellante] redengevend heeft geacht dat in de verklaring van het Samenwerkingsverband Stichting Passend Primair Onderwijs regio Leiden van 3 september 2018 staat dat vanwege moeilijke plaatsbaarheid van de kinderen op de Wassenaarse basisscholen, het tot op heden niet is gelukt om - allebei - de kinderen op een juist passende school te plaatsen. Nu de toekenning door het college van een tijdelijke vervoersvoorziening is gebaseerd op de omstandigheid dat [appellante] na haar verhuizing naar Wassenaar voor de aanvang van het schooljaar 2018-2019 nog geen basisschool in Wassenaar heeft kunnen vinden voor een van haar kinderen, is deze omstandigheid geen bijzondere omstandigheid om van de verordening af te wijken. Bovendien is het, anders dan [appellante] stelt, gezien de korte termijn tussen aanmelding en aanvang van het schooljaar 2018-2019 niet aan het college toe te rekenen dat geen enkele openbare basisschool in Wassenaar op dat moment voldoende capaciteit had om een van haar kinderen te kunnen plaatsen.

6.4.    Verder heeft [appellante] ingebracht dat zij is gescheiden en dat het inkomen van haar en haar ex-echtgenoot sinds de scheiding aanzienlijk is gedaald, zodat het hanteren van het peiljaar 2016 voor haar onredelijke gevolgen heeft.

Bij de aanvragen van 24 juli 2018 zijn inkomensverklaringen van zowel [appellante] als van haar ex-echtgenoot, tevens de vader van de kinderen, ingediend. Uit deze verklaringen volgt dat zij in 2016 beschikten over een gezamenlijk inkomen van € 51.298,00. Het vastgestelde gezamenlijke inkomen in 2016 overschrijdt derhalve ruim het voor dat jaar toepasselijke drempelinkomen.

Bij beschikking van 25 april 2019 heeft de rechtbank Den Haag de scheiding van tafel en bed van [appellante] en haar ex-echtgenoot uitgesproken. De formalisering van de scheiding dateert derhalve van ná het besluit op bezwaar van 19 februari 2019. Bij zijn besluitvorming heeft het college dan ook als uitgangspunt kunnen nemen dat beide ouders gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de kosten van de opvoeding van hun kinderen. [appellante] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de financiële situatie van haar ex-echtgenoot is verslechterd een wijziging van het ouderschapsplan per 1 mei 2019 overgelegd. [appellante] heeft evenwel niet gestaafd dat het inkomen van haar ex-echtgenoot vóór 2019 is achteruitgegaan. De door [appellante] aangevoerde omstandigheid dat het voor haar niet mogelijk is om de eigen bijdragen te verhalen bij haar ex-echtgenoot, omdat zijn financiële positie aanzienlijk is verslechterd, leidt dan ook niet tot het oordeel dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen. De omstandigheid dat [appellante] en haar ex-echtgenoot voorafgaand aan hun scheiding apart zijn gaan wonen en hun gezamenlijke woonlasten daardoor zijn toegenomen, kan evenmin worden gekwalificeerd als bijzondere omstandigheid waarin het college aanleiding had moeten zien de hardheidsclausule toe te passen. Deze situatie, hoezeer ook aannemelijk dat deze leidt tot hogere woonlasten, onderscheidt zich niet in betekenende mate van de situatie van de vele andere gezinnen waarin een scheiding is voorgenomen en de echtgenoten voorafgaand aan de echtscheiding feitelijk apart zijn gaan wonen.

6.5.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college, wat ook zij van het argument van het college dat [appellante] strikt genomen niet in aanmerking zou zijn gekomen voor leerlingenvervoer en dat uit coulance is besloten dit wel toe te kennen, in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 23 van de verordening.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2021

633

 

BIJLAGE

 

Wet op het primair onderwijs

Artikel 4. Kosten van leerlingenvervoer

1. Ten behoeve van het schoolbezoek verstrekken burgemeester en wethouders aan ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag vergoeding van de door burgemeester en wethouders noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.

[…]

7. De regeling kan ten aanzien van ouders wier inkomen tezamen meer bedraagt dan € 17 700 bepalen dat slechts vergoeding wordt verstrekt voor zover de kosten van vervoer de kosten van het openbaar vervoer over de door de gemeenteraad op grond van het achtste lid vastgestelde afstand te boven gaan, welke afstand ten hoogste 6 kilometer bedraagt. Bij de berekening van het inkomen wordt uitgegaan van het inkomen in het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor vergoeding wordt gevraagd, begint. De kosten van het openbaar vervoer, bedoeld in de eerste volzin, betreffen de kosten van openbaar vervoer die op grond van de zone-indeling in de regeling die is gebaseerd op artikel 27, eerste lid, van de Wet personenvervoer, voor de afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Ingeval toepassing wordt gegeven aan het tiende lid voorziet de regeling in een overeenkomstig de derde volzin berekende financiële bijdrage van de ouders. Het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, wordt met ingang van 1 januari 1999 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar, en afgerond op een veelvoud van € 450. Het aangepaste bedrag treedt in de plaats van het in de eerste volzin bedoelde bedrag.

[…]

Verordening Leerlingenvervoer gemeente Wassenaar 2014

Artikel 2 De door het college noodzakelijk te achten vervoersvoorziening

1. Ten behoeve van het schoolbezoek kent het college aan de ouders van in de gemeente verblijvende leerlingen op aanvraag een vervoersvoorziening toe met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

2. Indien het college toepassing geeft aan het eerste lid, verlangt zij van de ouders aan wie slechts een gedeeltelijke bekostiging van de vervoerskosten toekomt, betaling van een bijdrage tot ten hoogste het bedrag dat de ouders volgens het bepaalde in deze verordening moeten bijdragen aan de kosten van het vervoer. Weigering tot of nalatigheid in de betaling van de in de vorige volzin bedoelde bijdrage doet de aanspraak op de vervoersvoorziening vervallen.

3. De bepalingen in deze verordening laten onverlet de verantwoordelijkheid van de ouders voor het schoolbezoek van hun kinderen.

4. Indien de leerling meerderjarig en handelingsbekwaam is, wordt de vervoersvoorziening op aanvraag verstrekt aan de leerling.

Artikel 3 Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

1. Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning dan wel de opstapplaats en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school, tenzij vervoer naar een verder weggelegen school voor de gemeente minder kosten met zich mee zou brengen en de ouders met het vervoer naar die school schriftelijk instemmen.

2. Indien ouders een vervoersvoorziening aanvragen voor het bezoeken van een school, die op grotere afstand van de woning is gelegen dan een andere school van dezelfde onderwijssoort, ontstaat slechts aanspraak op een vervoersvoorziening naar eerstgenoemde school als door de ouders schriftelijk wordt verklaard dat zij overwegende bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs dan wel tegen de richting van het onderwijs van alle bijzondere scholen, van de soort waarop de leerling is aangewezen, die dichterbij de woning zijn gelegen.

3. Het college betrekt bij de beoordeling van de aanvraag van een vervoersvoorziening het ondersteuningsplan, zoals dat is vastgesteld door het samenwerkingsverband na overleg met het college.

Artikel 4 Toekenning vervoersvoorziening

Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

Artikel 14 Drempelbedrag

1. Aan de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs, zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs bezoekt, van wie het inkomen tezamen meer bedraagt dan € 24.300,- wordt slechts bekostiging verstrekt voor zover de kosten van het vervoer van die leerling de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 10 bepaalde afstand te boven gaan.

2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, betalen de ouders van een leerling die een school voor basisonderwijs of een speciale school voor basisonderwijs bezoekt, per leerling per schooljaar een eigen bijdrage die gelijk is aan de kosten van het openbaar vervoer over de in artikel 10 bepaalde afstand, indien het inkomen van de ouders meer bedraagt dan € 24.300,-.

3. De kosten voor openbaar vervoer, genoemd in het eerste en tweede lid, betreffen de kosten van openbaar vervoer die bij gebruik van de OV-chipkaart of een andere binnen de gemeente geldende OV-betaalmogelijkheid voor de in artikel 10 bepaalde afstand redelijkerwijs zouden worden gemaakt, ongeacht de aanwezigheid van openbaar vervoer of het daadwerkelijk gebruik ervan. Bij het bepalen van de kosten wordt rekening gehouden met de kortingen die voor de leerling binnen het systeem kunnen gelden.

4. Het bedrag van € 24.300,- genoemd in het eerste en tweede lid, wordt met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-. Het aangepaste bedrag treedt in plaats van het in het eerste en tweede lid genoemde bedrag van € 24.300,-.

5. Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Artikel 15 Financiële draagkracht

1. Indien de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs (zoals bedoeld in de Wet op het primair onderwijs) meer dan 20 km bedraagt, wordt de vastgestelde bekostiging verminderd met een van de financiële draagkracht van de ouders afhankelijk bedrag.

2. In geval het college in plaats van bekostiging in geld toe te kennen het vervoer zelf verzorgt dan wel doet verzorgen, en de afstand van de woning naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor basisonderwijs meer dan 20 km bedraagt, betalen de ouders een van de financiële draagkracht afhankelijke bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

3. De hoogte van het bedrag als bedoeld in het eerste lid en de bijdrage als bedoeld in het tweede lid worden berekend per gezin en zijn afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouders.

Zij bedragen:

Inkomen in euro’s     Eigen bijdrage in euro's

0-32.500                 Nihil

32.500-39.500        135

39.500-45.500        570

45.500-51.500        1060

51.500-58.500        1545

58.500-65.000        2040

65.000 en verder     Voor elke extra € 5.000: € 500 erbij

4. De inkomensbedragen, genoemd in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.

5. De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, worden met ingang van 1 januari 2014 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 5,-.

6. Deze bepaling is niet van toepassing op leerlingen die wegens hun structurele lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

Artikel 23 Afwijken van bepalingen

Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer voor onderwijs aangaande, ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zonodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.