Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1882

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
202100234/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 november 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202100234/1/V1.

Datum uitspraak: 25 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1.       de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

2.       [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 januari 2021 in zaak nr. NL20.19764 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 13 november 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 6 januari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ali, advocaat te Almere, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven alsmede incidenteel hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdeling heeft de Turkse nationaliteit en heeft Turkije in 2007 verlaten om in Ghana te gaan werken. Vervolgens is hij in 2016 naar Colombia vertrokken om daar te gaan werken. Daar heeft de vreemdeling asiel aangevraagd. De vreemdeling kon de geldigheidsduur van zijn Turkse paspoort en daarmee zijn Colombiaanse werkvisum niet meer verlengen, omdat de Turkse autoriteiten volgens hem het vermoeden hebben dat hij Gülenist is. De Colombiaanse autoriteiten hebben de vreemdeling in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Daarbij hebben zij de vreemdeling in het bezit gesteld van een paspoort en een zogenoemd Travel Document. De vreemdeling heeft op 20 oktober 2020 asiel gevraagd in Nederland. Hij stelt dat hij in Colombia in de gaten werd gehouden door de Turkse geheime dienst en TIKA, een organisatie die in opdracht van de Turkse overheid Gülenisten in het buitenland opspoort. Verder stelt de vreemdeling dat hij de Colombiaanse autoriteiten heeft gevraagd zijn asielvergunning in te trekken. Hij stelt hierop een reactie van de Colombiaanse autoriteiten per e-mail te hebben ontvangen, maar omdat de e-mail in het Spaans is geschreven, heeft de vreemdeling deze reactie niet kunnen lezen. De e-mail heeft de vreemdeling niet overgelegd in deze procedure. Voorts betwist de vreemdeling dat hij bescherming heeft in Colombia en dat hij toegang kan krijgen tot Colombia, omdat hij met het Travel Document niet van Nederland naar Colombia kan reizen. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat Colombia voor de vreemdeling een veilig derde land is en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Colombiaanse autoriteiten hem niet meer zullen toelaten.

2.       Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de staatssecretaris het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd.

3.       De staatssecretaris klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zonder nader onderzoek naar de status van de vreemdeling in Colombia en naar het Travel Document er ten onrechte van is uitgegaan dat de Colombiaanse autoriteiten hem opnieuw zullen toelaten tot Colombia. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank met haar oordeel het toetsingskader voor de beoordeling of een land voor een vreemdeling een veilig derde land is dat volgt uit paragraaf C2/6.2 van de Vc 2000 en de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3380, onder 5 t/m 5.3, niet heeft onderkend. Voorts heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris niet onderkend dat de vreemdeling er niet in is geslaagd aan te tonen dat de door de staatssecretaris geschetste mogelijkheden om toegelaten te worden tot Colombia in zijn geval niet aanwezig zijn.

3.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in genoemde uitspraak van 13 december 2017, moet de staatssecretaris, als hij tegenwerpt dat een land voor een vreemdeling een veilig derde land is, aannemelijk maken dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land en moet hij hiertoe aan de hand van informatie uit algemene bronnen, of op basis van de verklaringen van die vreemdeling, redenen aandragen waarom toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Verder heeft de Afdeling overwogen dat het vervolgens aan die vreemdeling is om aan te tonen dat de door de staatssecretaris geschetste mogelijkheden om toegelaten te worden tot dat land, in zijn geval niet aanwezig zijn.

3.2.    De staatssecretaris heeft in zijn besluitvorming terecht de verklaringen van de vreemdeling betrokken en zich terecht op het standpunt gesteld dat uit die verklaringen volgt dat de vreemdeling opnieuw toegelaten wordt tot Colombia. De vreemdeling heeft immers in het nader gehoor van 1 november 2020 verklaard dat de Colombiaanse autoriteiten hem een verblijfsvergunning asiel hebben verleend en een Travel Document waarmee hij legaal kan terugreizen naar Colombia. Hierbij heeft de staatssecretaris in het besluit terecht opgemerkt dat de vreemdeling met het Travel Document eerder naar Ghana is gereisd en bij terugkomst in Colombia geen problemen heeft ondervonden. De staatssecretaris voert verder terecht aan dat de vreemdeling zijn stellingen dat hij niet langer in het bezit is van een Colombiaanse verblijfsvergunning en hij niet opnieuw toegang zal krijgen tot Colombia op basis van het Travel Document niet heeft onderbouwd. Daarbij merkt de staatssecretaris terecht op dat de vreemdeling de gestelde reactie van de Colombiaanse autoriteiten op zijn intrekkingsverzoek van de verblijfsvergunning asiel niet heeft overgelegd. Voorts voert de staatssecretaris terecht aan dat informatie van de Colombiaanse autoriteiten waarin zij expliciet verwoorden dat de vreemdeling opnieuw toegelaten zal worden tot Colombia niet is vereist.

3.3.    De grief slaagt.

4.       De staatssecretaris klaagt in de tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast door in het besluit alleen tot de conclusie te komen dat het in Colombia in het algemeen mogelijk is bescherming van de autoriteiten in te roepen en dat hij heeft nagelaten kenbaar te motiveren in hoeverre Colombia aan asielzoekers in het algemeen en aan de vreemdeling als Gülenist in het bijzonder bescherming biedt. Hij voert, onder verwijzing naar paragraaf C2/6.3 van de Vc 2000, aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij, mede aan de hand van de verklaringen van de vreemdeling, in zijn besluitvorming heeft onderzocht of Colombia een veilig derde land is.

4.1.    De staatssecretaris voert terecht aan dat hij volgens het beleid in paragraaf C2/6.3 van de Vc 2000 heeft onderzocht of Colombia voor de vreemdeling een veilig derde land is. De staatssecretaris heeft in zijn besluitvorming verschillende verdragen betrokken waarbij Colombia partij is. Zo is Colombia partij bij het Vluchtelingenverdrag, het Antifolterverdrag en het IVBPR. De staatssecretaris heeft ook terecht opgemerkt dat artikel 35 van de Colombiaanse grondwet het non-refoulementbeginsel erkent en dat Colombia partij is bij de zogenoemde Cartagena Declaration on Refugees. Tegen die achtergrond heeft de staatssecretaris zich in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat hij ervan mag uitgaan dat Colombia haar verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag naleeft. De vreemdeling heeft ook geen aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit volgt dat Colombia haar verdragsverplichtingen jegens hem niet zal naleven. De Colombiaanse autoriteiten hebben de vreemdeling al in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel met de bijbehorende reisdocumenten. De vreemdeling heeft diverse bronnen ingeroepen, maar de staatssecretaris heeft hierover terecht opgemerkt dat hieruit niet volgt dat Gülenisten in Colombia daadwerkelijk ernstige problemen ondervinden noch dat de Colombiaanse autoriteiten hen daadwerkelijk uitleveren aan Turkije. Verder heeft de staatssecretaris terecht in zijn besluitvorming betrokken dat de vreemdeling heeft verklaard dat hij tijdens zijn verblijf in Colombia geen problemen heeft ondervonden als Gülenist. Bij deze stand van zaken hoeft de staatssecretaris niet nog nader te motiveren hoe de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen bescherming bieden aan de vreemdeling als Gülenist.

4.2.    De grief slaagt.

5.       Omdat de staatssecretaris het besluit zorgvuldig heeft voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris nader onderzoek moet verrichten.

6.       Het incidenteel hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. De vreemdeling legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het incidenteel hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000). Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk.

7.       Het hoger beroep is gegrond. Het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

8.       De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een band heeft met Colombia en dat het voor hem redelijk is om terug te gaan. De vreemdeling heeft aangevoerd dat het gebruikelijk is om een sociaal netwerk op te bouwen in het geval van verblijf langer dan zes maanden.

8.1.    De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling een band heeft met Colombia. Hij heeft hiertoe terecht in zijn besluitvorming betrokken dat de vreemdeling sinds 2016 legaal in Colombia heeft verbleven en door de Colombiaanse autoriteiten in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel. Ook heeft hij in Colombia gewoond en gewerkt. De Afdeling wijst ter vergelijking op eerdergenoemde uitspraak van 13 december 2017, onder 5.1. Daarmee is ook niet aannemelijk dat de vreemdeling geen sociaal netwerk in Colombia heeft opgebouwd. De beroepsgrond faalt.

9.       Ook heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte de problemen die hij heeft met de Turkse autoriteiten in Colombia, de positie van Gülenisten in Colombia en de illegale opsporing door de organisatie TIKA niet als relevant element heeft aangemerkt. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij hierover consistent heeft verklaard en conform de bronnen die hij heeft ingeroepen. Voorts heeft hij gewezen op werkinstructie 2014/10 en de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2815, onder 6 t/m 6.6, waaruit volgt wat de staatssecretaris als relevant element moet beschouwen.

9.1.    Hoewel de staatssecretaris in het midden heeft gelaten of de vreemdeling een Gülenist is, heeft hij wel beoordeeld of Colombia een veilig derde land is voor de vreemdeling en zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling met de door hem ingeroepen bronnen niet aannemelijk heeft gemaakt dat Gülenisten in Colombia daadwerkelijk ernstige problemen ondervinden of dat de Colombiaanse autoriteiten hen daadwerkelijk uitleveren. Bovendien heeft de vreemdeling in het nader gehoor van 1 november 2020 niet verklaard dat hem persoonlijk iets is overkomen naar aanleiding van zijn gestelde lidmaatschap van de Gülenbeweging. De beroepsgrond slaagt niet.

10.     Verder heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen in de moskee niet op hem persoonlijk waren gericht en geen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM inhouden. De vreemdeling heeft aangevoerd dat hij door middel van openbare bronnen aannemelijk heeft gemaakt dat Colombia geen veilig land van herkomst is en dus ook geen veilig derde land. De vreemdeling heeft verder verwezen naar de door hem ingeroepen gezaghebbende bronnen. Deze beroepsgrond faalt in het voetspoor van wat de Afdeling onder 3.1 heeft overwogen.

11.     Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;

III.      vernietigt de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 januari 2021 in zaak nr. NL20.19764;

IV.      verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

w.g. Verbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2021

282-954.