Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1875

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
01-09-2021
Zaaknummer
201907621/1/V2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907621/1/V2.

Datum uitspraak: 24 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 september 2019 in zaak nr. 19/3291 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T.F.W. Kouwenhoven, advocaat te Amsterdam, heeft schriftelijke uiteenzettingen gegeven en nadere stukken ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1.       De vreemdeling komt uit Nigeria en beoogt verblijf bij zijn niet-biologische, door hem erkende, minderjarige dochter, die de Nederlandse nationaliteit heeft. De vreemdeling heeft een relatie met de biologische moeder van het kind. Hij stelt op grond van artikel 20 van het VWEU een van zijn kind afgeleid verblijfsrecht te hebben. Dit baseert hij op het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354 (het arrest), waarin het Hof uitleg heeft gegeven over deze bepaling.

In hoger beroep gaat het over de vraag of de staatssecretaris het juiste toetsingskader heeft toegepast en of de staatssecretaris zijn standpunt dat de door de vreemdeling overgelegde stukken niet aantonen dat hij een verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU deugdelijk heeft gemotiveerd.

Het oordeel van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris bij zijn beoordeling het ten tijde van de aanvraag in WBV 2017/9 opgenomen beleid had moeten toepassen en niet het ten tijde van de besluitvorming geldende en volgens de rechtbank aangescherpte beleid in WBV 2018/4. Daarnaast heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank zijn standpunt dat niet gebleken is van daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken ondeugdelijk gemotiveerd.

Het hoger beroep van de staatssecretaris

3.       De in de eerste grief door de staatssecretaris opgeworpen rechtsvraag welk beleid over het arrest hij had moeten toepassen, heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1235. Uit de overwegingen van die uitspraak volgt dat de staatssecretaris in het besluit van 19 april 2019 terecht het toen geldende beleid in WBV 2018/4 heeft toegepast.

De grief slaagt.

4.       De tweede grief van de staatssecretaris is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat hij zijn standpunt dat niet gebleken is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding, omdat de zorg- en opvoedtaken van de vreemdeling slechts marginaal zijn, onvoldoende heeft gemotiveerd. De staatssecretaris betoogt dat de motivering van dat standpunt voldoet, omdat de door de vreemdeling verstrekte gegevens de daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken niet aantonen.

4.1.    De voorwaarde dat zorg- en opvoedtaken een meer dan marginaal karakter moeten hebben is opgenomen in paragraaf B10/2.2 van de Vc 2000, zoals dat met inwerkingtreding van WBV 2018/4 is komen te luiden. De Afdeling begrijpt voormelde overweging daarom zo dat de rechtbank, ondanks haar conclusie dat de staatssecretaris WBV 2018/4 niet had mogen toepassen, ook van oordeel is dat de staatssecretaris zijn op dit beleid gebaseerde standpunt ondeugdelijk heeft gemotiveerd en het besluit van 19 april 2019 daarom ook om deze tweede reden heeft vernietigd.

4.2.    Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat als een ouder slechts zorg- en opvoedtaken met een marginaal karakter verricht, of alleen omgang heeft met dat kind, geen daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat en dat kind door weigering van verblijf aan die ouder niet het risico loopt feitelijk te worden gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten (zie de uitspraken van de Afdeling van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1235, onder 7 en 7.1 en 16 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:790, onder 4.1 en 4.2). Ook heeft de Afdeling eerder overwogen dat het, in een geval als hier aan de orde, in eerste instantie aan een vreemdeling is om de gegevens te verschaffen die aantonen dat een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest bestaat (uitspraken van 16 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:789, onder 5.1 en ECLI:NL:RVS:2021:790, onder 4.3).

4.3.    De staatssecretaris klaagt terecht dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, deugdelijk heeft gemotiveerd dat de door de vreemdeling verstrekte gegevens onvoldoende aantonen dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht. Niet in geschil is dat het op [geboortedatum] 2014 geboren kind tot 4 februari 2019, toen de vreemdeling op het adres van zijn partner in Amsterdam is ingeschreven, alleen met haar moeder, die het gezag heeft, in Amsterdam samenwoonde. Uit de verklaring van de vreemdeling van 16 oktober 2018 blijkt dat de op dat moment in Lelystad wonende vreemdeling in weekenden zijn kind in Amsterdam bezocht. Hieruit heeft de staatssecretaris terecht afgeleid dat het zwaartepunt van de dagelijkse zorg- en opvoedtaken toen niet bij hem, maar bij haar lag. In de door de vreemdeling overgelegde verklaring van 10 maart 2019 van de lerares van zijn kind staat slechts dat zij de vreemdeling een enkele keer heeft gezien bij oudergesprekken en gesprekken met een logopediste en zij heeft begrepen dat de vreemdeling aanwezig was bij een verjaardagsviering op school. In die verklaring staat ook dat deze lerares geen informatie kan geven over de rol van de vreemdeling in het leven van zijn kind. De overgelegde verklaringen van de vreemdeling, zijn partner en de personen die hen nabij staan, tonen weliswaar aan dat dat de vreemdeling betrokken is bij de opvoeding van zijn dochter, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat hij meer dan marginale zorg- en opvoedtaken verricht. De door de vreemdeling overgelegde foto's zijn momentopnamen en laten bovendien slechts zien dat hij tijd doorbracht met zijn kind, maar tonen niet aan dat hij daadwerkelijk zorg- en opvoedtaken heeft verricht. In het licht van het vorenstaande bieden de door de vreemdeling overgelegde stukken onvoldoende grond voor het oordeel dat zijn dochter zonder hem niet in Nederland kan blijven en dus feitelijk wordt gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten. De door de vreemdeling bij brief van 9 juli 2020 overgelegde stukken kunnen daaraan niet afdoen, omdat deze niet bij de beoordeling van het hoger beroep kunnen worden betrokken. Deze stukken dateren van na de aangevallen uitspraak en hebben betrekking op de periode na die uitspraak, terwijl die uitspraak in de Vw 2000 dwingend als object van hoger beroep is aangewezen.

4.4.    Ook deze grief slaagt.

Conclusie hoger beroep

5.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 september 2019 in zaak nr. 19/3291;

III.      verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

De voorzitter is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen.

w.g. Prins

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2021

307-942.