Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1874

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
202104395/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bladel [verzoeker] gelast om binnen 6 weken 10 paardenstallen, gemaakt van aluminium profielen, die aanwezig zijn op het perceel De Pan 14 in Hapert, te verwijderen en verwijderd te houden. [verzoeker] is eigenaar van het perceel aan [locatie] in Hapert. Op dit perceel is een paardenstal aanwezig en zijn 10 paardenstallen, gemaakt van aluminium profielen, bijgeplaatst. Na controle heeft het college op 29 oktober 2020 een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoeker], omdat de 10 paardenstallen van aluminium profielen zijn geplaatst zonder omgevingsvergunning voor bouwen. [verzoeker] moet de bouwwerken verwijderen en verwijderd houden en verbeurt een dwangsom van € 1.000 per week met een maximum van € 10.000, indien hij hier niet aan voldoet. [verzoeker] heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de dwangsom niet wordt verbeurd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202104395/2/R2.

Datum uitspraak: 24 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te Hapert, gemeente Bladel,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juni 2021 in zaak nr. 21/1099 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bladel.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2020 heeft het college [verzoeker] gelast om binnen 6 weken 10 paardenstallen, gemaakt van aluminium profielen, die aanwezig zijn op het perceel [locatie] in Hapert, te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 22 april 2021 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2021 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 augustus 2021, waar [verzoeker], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Evers-Van der Smagt, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.       [verzoeker] is eigenaar van het perceel aan [locatie] in Hapert. Op dit perceel is een paardenstal aanwezig en zijn 10 paardenstallen, gemaakt van aluminium profielen, bijgeplaatst. Na controle heeft het college op 29 oktober 2020 een last onder dwangsom opgelegd aan [verzoeker], omdat de 10 paardenstallen van aluminium profielen zijn geplaatst zonder omgevingsvergunning voor bouwen. [verzoeker] moet de bouwwerken verwijderen en verwijderd houden en verbeurt een dwangsom van € 1.000 per week met een maximum van € 10.000, indien hij hier niet aan voldoet.

[verzoeker] heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de dwangsom niet wordt verbeurd. Volgens [verzoeker] mochten de 10 paardenstallen van aluminium profielen vergunningvrij worden opgericht omdat het bijbehorende bouwwerken zijn bij de legaal aanwezige paardenstal. Die stal geldt als een hoofdgebouw.

Het verzoek

3.       [verzoeker] betoogt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de toegestane paardenstal geen hoofdgebouw is en daarmee ook ten onrechte heeft geoordeeld dat de 10 bijgeplaatste paardenstallen van aluminium profielen geen bijbehorende bouwwerken zijn die vergunningvrij zijn opgericht. Volgens [verzoeker] is de paardenstal een gebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de agrarische bestemming. [verzoeker] stelt dat hij zijn perceel verhuurt aan [huurder]. Zij exploiteert een bedrijf dat is gericht op het fokken van paarden. In de paardenstal worden de merries van het bedrijf geïnsemineerd, de embryo's gespoeld en er vinden geboortes plaats. Dit zijn handelingen die volgens [verzoeker] onontbeerlijk zijn voor het bedrijf van  [huurder]. Nu er volgens [verzoeker] een hoofdgebouw aanwezig is, mogen er 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken aanwezig zijn. De 10 paardenstallen van aluminium profielen zijn tezamen minder dan 150 m2. [verzoeker] betoogt ook dat de 10 paardenstallen functioneel behoren bij het hoofdgebouw, omdat in de bouwwerken veulens kunnen schuilen en materieel wordt opgeslagen dat gerelateerd is aan het bedrijf van [huurder].

De beoordeling van het verzoek

4.       Uit overweging 3.4 van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank volgt dat hij is uitgegaan van het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 20 ", zoals dat plan laatstelijk is gewijzigd bij het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel eerste herziening 2016" op 6 juli 2017 (hierna: het plan). Ook de voorzieningenrechter gaat uit van de toepasselijkheid van dat plan. Weliswaar heeft het college ter zitting gewezen op het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 2010", dat een afzonderlijke bestemming kent voor paardenhouderijen, maar de voorzieningenrechter heeft geen aanwijzing gevonden dat dat plan ten aanzien van het onderhavige perceel is blijven gelden. Een hiertoe strekkende bepaling ontbreekt in de planregels. Ook in het besluit van 29 oktober 2020 is het college uitgegaan van het bestemmingsplan "Buitengebied Bladel 20 ", zoals later gewijzigd.

4.1.    Op de gronden aan [locatie] rust de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden". Aan de gronden is een bouwvlak toegekend met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-paardenstal". Dit betekent op grond van artikel 6.1, aanhef en onder a en f, van de planregels dat de gronden zijn bestemd voor agrarische bedrijfsuitoefening en een bestaande schuilgelegenheid voor paarden.

Uit artikel 1.8 van de planregels volgt, voor zover van belang, dat onder een agrarisch bedrijf wordt verstaan een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van agrarische producten door middel van het houden of fokken van vee.

Uit artikel 1.116 volgt dat onder een veehouderij wordt verstaan een agrarisch bedrijf waar bedrijfsmatig dieren worden gehouden.

Uit het bovenstaande volgt dat ter plaatse een hoofdgebouw ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan dat is gericht op het fokken van dieren, waaronder paarden.

De voorzieningenrechter acht voorshands voldoende aannemelijk dat de aanwezige paardenstal strekt ten behoeve van de bedrijfsvoering van [huurder], dat die bedrijfsvoering is gericht op het fokken van paarden en dat er in de stal handelingen worden verricht die ten dienste staan aan die bedrijfsvoering. De enkele stelling van het college dat ten tijde van de controle geen paarden aanwezig waren, geeft onvoldoende aanleiding voor een ander voorlopig oordeel.

Gelet hierop is niet uitgesloten dat de aanwezige paardenstal moet worden gekwalificeerd als een hoofdgebouw, omdat het gaat om een gebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de agrarische bestemming. Dat  [huurder] ook elders percelen heeft en dat volgens het college ook op die percelen een hoofdgebouw aanwezig is, doet hier niet aan af.

Een en ander betekent dat ook niet uitgesloten is dat de 10 aanwezige paardenstallen van aluminium profielen bijbehorende bouwwerken zijn die op grond van artikel 2, aanhef en onder 3, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, vergunningvrij mochten worden opgericht en dus ter plaatse legaal aanwezig zijn.

Gelet op het bovenstaande staat allerminst vast dat het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank in stand zal blijven in de bodemprocedure. Gegeven ook de belangen aan de kant van [verzoeker] ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

5.       De voorzieningenrechter wijst er verder op dat door [verzoeker] een beroep is gedaan op het gelijkheidsbeginsel. [verzoeker] heeft gewezen op een groot aantal voorbeelden van percelen waarop volgens hem paardenstallen aanwezig zijn zonder omgevingsvergunning en heeft afbeeldingen bijgevoegd van die voorbeelden. Het college is niet op alle door [verzoeker] benoemde gevallen ingegaan en ook de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft niet alle gevallen besproken. De daarvoor door de voorzieningenrechter van de rechtbank gegeven motivering, namelijk dat bij [verzoeker] sprake is van opslag of stalling van paardenstallen en alleen al daarom geen sprake is van gelijke gevallen, komt de voorzieningenrechter, mede gelet op wat hiervoor is overwogen, niet als juist voor. Daarbij laat de voorzieningenrechter nog daar dat die motivering betrekking heeft op het gebruik van gronden en niet, zoals [verzoeker] verweten wordt, het bouwen zonder de benodigde omgevingsvergunning.

Mede aan de hand van de op de zitting gegeven toelichting heeft de voorzieningenrechter niet op voorhand kunnen uitsluiten dat op sommige van de door [verzoeker] genoemde percelen, zoals het perceel aan [locatie] ongenummerd, sprake is van gelijke gevallen. Het door [verzoeker] in dit verband gestelde kan in de door [verzoeker] aangespannen bodemprocedure nader aan de orde komen. In die procedure kan ook aan de orde komen de stelling van [verzoeker] dat hij niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen, zoals bezoekersverslagen ten behoeve van controles van de percelen die zijn genoemd in het kader van het gelijkheidsbeginsel. Ook de stelling van [verzoeker] dat de last onder dwangsom en het besluit op bezwaar onbevoegd zijn genomen, omdat de "Mandaatregeling VTH de Kempen" van 21 februari 2021 is ingetrokken, kan in die procedure aan de orde komen. Deze betogen lenen zich minder goed voor behandeling in de voorlopigevoorzieningsprocedure.

Conclusie

6.       Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Bladel van 22 april 2021, documentnummer 21.S003636 en van 29 oktober 2020, documentnummer: 20.S010720;

II.       gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bladel aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het betaalde griffierecht ten bedrage van € 270,00 (zegge: tweehonderdzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op: 24 augustus 2021

45-932