Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1848

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
202005979/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers in het stadsdeel Scheveningen in de wijk Geuzenkwartier (buurt 8) te Den Haag. Bij het bestreden besluit heeft het college, door vaststelling van het plaatsingsplan, concrete locaties in het Geuzenkwartier aangewezen waar ORAC’s worden geplaatst. Onder meer wordt voorzien in de plaatsing van drie ORAC’s ter hoogte van de [locatie 2] in Den Haag (locatie 08-16A). [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1]. De tuin aan de zijkant van haar woning ligt op enkele meters van de locatie 08-16A. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] direct tegenover de locatie 08-16A. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich niet met de aanwijzing van de locatie 08-16A verenigen. In het ontwerp-plaatsingsplan waren deze drie ORAC’s voorzien aan de overzijde van de Douzastraat schuin tegenover de Jan van Houtstraat 96.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005979/1/R1.

Datum uitspraak: 18 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Den Haag (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2.       [appellant sub 2], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2019 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in het stadsdeel Scheveningen in de wijk Geuzenkwartier (buurt 8) te Den Haag.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2021, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M.J. de Buck, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Buijs, W. van der Eijk en ir. P. Haasnoot, zijn verschenen.

Buiten bezwaar van partijen heeft [appellant sub 2] op zitting nog een stuk overgelegd.

Overwegingen

Inleiding

1.       Bij het bestreden besluit heeft het college, door vaststelling van het plaatsingsplan, concrete locaties in het Geuzenkwartier aangewezen waar ORAC’s worden geplaatst. Onder meer wordt voorzien in de plaatsing van drie ORAC’s ter hoogte van de [locatie 2] in Den Haag (locatie 08-16A). [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1]. De tuin aan de zijkant van haar woning ligt op enkele meters van de locatie 08-16A. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] direct tegenover de locatie 08-16A.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich niet met de aanwijzing van de locatie 08-16A verenigen. In het ontwerp-plaatsingsplan waren deze drie ORAC’s voorzien aan de overzijde van de Douzastraat schuin tegenover de Jan van Houtstraat 96. Vanwege onder meer een negatief advies van de Adviescommissie Openbare Ruimte (hierna: ACOR) is er in het definitieve plaatsingsplan voor gekozen om de drie ORAC’s te verplaatsen naar de locatie 08-16A.

Beoordelingskader

2.       Artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening Den Haag 2010 luidt: "Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."

3.       Bij de keuze van een locatie voor ORAC's moet het college een afweging maken van alle betrokken belangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2506), komt het college bij de keuze voor locaties voor de plaatsing van ORAC's beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling, aan de hand van de beroepsgronden, beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze voor de aangewezen locatie heeft kunnen komen. Daarbij beoordeelt zij allereerst of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een ORAC. Als dat zo is, beoordeelt de Afdeling vervolgens of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

4.       In deze procedure gaat het om de aanwijzing van locaties voor ORAC’s. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van ORAC’s, ligt niet ter beoordeling voor.

Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook gaan over nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een ORAC, toeneming van verkeer van en naar een ORAC en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van een ORAC. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van ORAC’s maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2320. De Afdeling zal daarom alleen beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.

Randvoorwaarden

5.       Bij het bepalen van de locaties voor de ORAC's heeft het college de randvoorwaarden gehanteerd, zoals neergelegd in het "Voorstel van het college inzake 5e Programma Ondergrondse Restafvalcontainers (ORAC's): 900 extra". Deze randvoorwaarden houden in:

- Loopafstand: Als loopafstand van perceel tot de container wordt bij het ontwerp 75 m aangehouden, dit kan oplopen tot maximaal 125 m. Wanneer er binnen de 125 m geen locatie beschikbaar is kan het college gemotiveerd besluiten hiervan af te wijken.

- Parkeren: Het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.

- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.

- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van  aanwezige kabels, leidingen en riolering.

- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen.

- Bereikbaarheid wagen: De inzamelwagen moet voldoende ruimte hebben om de ORAC’s te kunnen legen.

- Veiligheid: Bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden.

Ontvankelijkheid

6.       De termijn voor het instellen van beroep liep tot en met 21 januari 2020. De beroepschriften van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] zijn op 5 november 2020 door de Afdeling ontvangen. Hun beroepen zijn dus te laat ingesteld. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of deze termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht.

6.1.    Het bestreden besluit is op 11 december 2019 bekend gemaakt. In de bekendmaking staat dat naar aanleiding van ingediende zienswijzen en het negatieve advies van de ACOR de ORAC’s met locatienummer 08-16 worden gewijzigd. De containers worden verplaatst naar de Douzastraat tegenover huisnummer 55. Deze wijziging wordt aangeduid met locatienummer 08-16A, aldus de publicatie.

In de bijlage "Programma ORAC’s 5e programma 900 Extra; 08 Geuzenkwartier (Scheveningen); Het Definitief Plaatsingsplan" bij het bestreden besluit is op een bestektekening vermeld waar welke ORAC’s zullen worden geplaatst. Daaruit blijkt dat de drie ORAC’s met locatienummer 08-16A zijn ingetekend direct tegenover de woning aan de [locatie 2]. Het college heeft erkend dat in de bekendmaking een foutieve beschrijving van de geplande locatie 08-16A staat en dat de ORAC’s inderdaad zijn voorzien op de locatie tegenover [locatie 2].

De Afdeling is van oordeel dat uit de inhoud van de bekendmaking niet blijkt dat met de gewijzigde locatie 08-16A is bedoeld de locatie direct tegenover de woning aan de [locatie 2]. Nadat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hadden vernomen dat de ORAC’s op deze locatie zouden worden geplaatst, hebben zij zo spoedig als redelijkerwijs van hen kon worden verlangd beroep ingesteld. Onder deze omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] in verzuim zijn geweest en zijn hun beroepen ontvankelijk.

Procedureel

7.       [appellant sub 2] betoogt dat het college het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid. Daartoe voert zij aan dat zij ten onrechte niet is geïnformeerd over de voorgenomen wijziging van de locatie ten opzichte van het onderwerp-plaatsingsplan en haar bezwaren over de beoogde aanwijzing van de locatie 08-16A niet kenbaar heeft kunnen maken.

7.1.    Het bestreden besluit is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Aan de voorbereidingsprocedure is inherent dat het college een andere locatie kan aanwijzen dan waarvan in het ontwerpbesluit is uitgegaan, al dan niet naar aanleiding van over het ontwerpbesluit door derden naar voren gebrachte zienswijzen. Afdeling 3.4 van de Awb voorziet niet in een verplichting voor het college om omwonenden op de hoogte te stellen van de voorgenomen wijziging van een locatie ten opzichte van het ontwerp-plaatsingsplan of om omwonenden in de gelegenheid te stellen om daarover zienswijzen naar voren te brengen. Van een onzorgvuldig genomen besluit is wat dat betreft geen sprake.

Het betoog faalt.

Inhoudelijk

8.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de aanwezigheid van ondergrondse kabels en leidingen op de locatie 08-16A. Verder wijzen zij erop dat het college te veel gewicht heeft toegekend aan het advies van de ACOR. Volgens hen is dit advies achterhaald, omdat in het definitieve plaatsingsplan de ORAC’s op de locatie 08-17 zijn verplaatst naar de locatie 08-17B waardoor in de Douzastraat aan de zijde van de even huisnummers geen sprake meer is van het op één lijn plaatsen van ORAC’s.

8.1.    Het college heeft in de Nota van Antwoord en in het verweerschrift toegelicht dat is gekozen voor de gewijzigde locatie 08-16A, omdat de ACOR negatief heeft geadviseerd over de in het ontwerp voorziene locatie 08-16. Ook hoeven er op de locatie 08-16A - anders dan bij de in het ontwerp voorziene locatie 08-16 - geen kabels en leidingen verlegd te worden en worden de loopafstanden voor bewoners uit de Jan van Houtstraat korter.

8.2.    Vaststaat dat de ORAC’s inmiddels zijn geplaatst. Op zitting heeft het college toegelicht dat tijdens de werkzaamheden bleek dat er op de locatie 08-16A toch twee rioolaansluitingen van de woningen [locatie 2] en [locatie 1] lagen die verlegd moesten worden, wat ook is gebeurd. Het college heeft verder erkend dat de ORAC’s ook op zeer korte afstand - minder dan 50 cm - van een gasleiding zijn geplaatst. Onduidelijk is of hierover met de netbeheerder contact is geweest en deze hiervoor toestemming heeft gegeven.

Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding voor het oordeel dat het college voorafgaand aan het bestreden besluit onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de geschiktheid van de locatie 08-16A voor het plaatsen van de ORAC’s. Dit betekent dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

8.3.    De Afdeling stelt verder vast dat de ACOR heeft geadviseerd over de in het ontwerp-plaatsingsplan opgenomen locaties. In het ontwerp-plaatsingsplan waren ook op twee andere locaties in de Douzastraat aan de zijde van de even huisnummers, locaties 08-17 en 08-18A, ORAC’s voorzien. Volgens de ACOR is het voor de continuïteit gewenst als ORAC’s in dezelfde lijn worden geplaatst en zij heeft om die reden negatief geadviseerd over de in het ontwerp-plaatsingsplan voorziene locatie 08-16 aan de overzijde van de Douzastraat. In het definitieve plaatsingsplan is er echter voor gekozen om de ORAC’s op de locatie 08-17 te verplaatsen naar de locatie 08-17B. Deze locatie ligt niet in de Douzastraat, maar in de Burgemeester van der Werffstraat ter hoogte van de blinde muur direct naast de woning op nummer 118. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd waarom het bij de aanwijzing van de locatie 08-16A zonder meer heeft vastgehouden aan het advies van de ACOR.

Het betoog slaagt.

9.       Omdat aanwijzing van een nieuwe locatie een andere beoordeling zal vergen dan aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, hoeven de overige door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangevoerde beroepsgronden geen bespreking.

Conclusie

10.     In wat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de locatie 08-16A is aangewezen, in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is vastgesteld.

11.     De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd.

12.     Het college moet de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden. De vergoeding heeft betrekking op de kosten voor het raadplegen van uittreksels uit de openbare registers en de kosten voor rechtsbijstand.

Het college hoeft geen proceskosten aan [appellant sub 1] te vergoeden, omdat geen sprake is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen gegrond;

II.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 3 december 2019, voor zover dat ziet op de locatie 08-16A;

III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.534,72 (zegge: vijftienhonderdvierendertig euro en tweeënzeventig cent), waarvan € 1.496,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor [appellant sub 2].

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2021

634.