Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
202003628/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht locaties voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers in de wijk West aangewezen. Bij brief van 14 oktober 2019 heeft het college de bewoners van de wijk West onder meer medegedeeld dat het voornemens is de locatie Leidseweg 30 F-G in Utrecht aan te wijzen als locatie voor een ORAC. De bewoners zijn in de gelegenheid gesteld hierover een schriftelijke reactie naar voren te brengen. Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college de locatie Leidseweg 30 F-G aangewezen voor het plaatsen van een ORAC. Deze locatie wordt in het besluit aangeduid als locatie 38. De VvE kan zich niet met de aanwijzing van deze locatie verenigen, omdat zij vreest dat door de komst van de ORAC stank- en geluidhinder zal optreden en als gevolg van het plaatsen van de ORAC de riolering zal verzakken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003628/1/R1.

Datum uitspraak: 18 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Vereniging van Eigenaars Leidseweg 29A tot en met 31A te Utrecht, gevestigd te Utrecht (hierna: de VvE),

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college locaties voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk West aangewezen.

Bij besluit van 14 mei 2020 heeft het college de door de VvE hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de VvE beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 augustus 2021, waar de VvE, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door M. Akkersdijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Bij brief van 14 oktober 2019 heeft het college de bewoners van de wijk West onder meer medegedeeld dat het voornemens is de locatie Leidseweg 30 F-G in Utrecht aan te wijzen als locatie voor een ORAC. De bewoners zijn in de gelegenheid gesteld hierover een schriftelijke reactie naar voren te brengen. Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college de locatie Leidseweg 30 F-G aangewezen voor het plaatsen van een ORAC. Deze locatie wordt in het besluit aangeduid als locatie 38 (hierna: de locatie).

De VvE kan zich niet met de aanwijzing van deze locatie verenigen, omdat zij vreest dat door de komst van de ORAC stank- en geluidhinder zal optreden en als gevolg van het plaatsen van de ORAC de riolering zal verzakken.

Beoordelingskader

2.       Artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010 bepaalt: "Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."

3.       Bij de aanwijzing van locaties voor de plaatsing van ORAC’s dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Daarbij heeft het college beleidsruimte. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een ORAC. Als dat zo is, beoordeelt de Afdeling of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

Richtlijnen

4.       De belangrijkste richtlijnen die het college hanteert bij de afweging van de bij de keuze voor een locatie van een ORAC betrokken belangen zijn:

- de ORAC is goed bereikbaar voor het inzamelvoertuig;

- de ORAC past logisch in het inrichtingsplan;

- de ORAC mag niet hoger zijn dan 1,5 m;

- verkeer en voetgangers worden niet belemmerd;

- de ORAC is goed bereikbaar voor alle woningen;

- de loopafstand is niet te groot. De streefafstand is 125 m;

- de afstand tot de erfgrens bedraagt minimaal 2 m;

- de afstand van de ORAC tot de gevel van de woning bedraagt

3 m (vanaf de kern van de container). Van deze regel kan worden afgeweken indien het een dichte muur betreft, in dat geval kan de afstand minimaal 2 m zijn;

- bij voorkeur wordt een ORAC niet geplaatst aan de zuidwestkant van tuinen waar een terras is aangelegd. In Nederland komt de wind vaak uit de zuidwestelijke richting. Een container aan de zuidwestkant kan dan stankoverlast veroorzaken.

Procedureel

5.       Allereerst voert de VvE aan dat tijdens de voorfase de website van de gemeente meerdere malen onbereikbaar was en de voorlopige locaties niet zichtbaar waren op de website waardoor het mogelijk is dat omwonenden geen schriftelijke reactie hebben kunnen indienen over de voorlopige locaties.

5.1.    Op het besluit van het college van 6 januari 2020 tot aanwijzing van locaties voor de plaatsing van ORAC’s is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Het voorafgaand aan de reguliere voorbereidingsprocedure bieden van inspraak maakt geen deel uit van deze procedure. Dat tijdens de inspraakfase de website van de gemeente meerdere malen onbereikbaar was en de voorlopige locaties niet zichtbaar waren op de website heeft dan ook geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de procedure en het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

6.       Verder voert de VvE aan dat bij het digitaal indienen van het bezwaarschrift op de website van de gemeente werd vermeld dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift was verlopen, terwijl dat niet het geval was. Hierdoor is het volgens haar mogelijk dat omwonenden hebben afgezien van het maken van bezwaar.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat de termijn waarbinnen bezwaar kon worden gemaakt tegen het besluit van 6 januari 2020 liep tot en met 19 februari 2020. Naar het oordeel van de Afdeling lag het op de weg van degenen die binnen die termijn bezwaar wilden maken, om bij eventuele verwarring door een foutieve vermelding op de website daarover contact op te nemen met de gemeente. Deze omstandigheid heeft dan ook geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de procedure en het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

Herinrichting gebied

7.       Op zitting heeft de VvE erop gewezen dat de Graadt van Roggenweg en een deel van de Leidseweg in de toekomst heringericht zullen worden. Volgens haar had het college moeten wachten tot de plannen hiervoor definitief zijn alvorens een locatie aan te wijzen voor het plaatsen van een ORAC.

7.1.    Niet in geschil is dat de herinrichting van de Graadt van Roggenweg en een deel van de Leidseweg pas over enkele jaren gereed is. Het college heeft toegelicht dat hij het wenselijk vindt dat bestaande woningen zo snel mogelijk gebruik kunnen maken van ORAC’s en dat hij niet wil wachten totdat over de herinrichting definitieve besluitvorming heeft plaatsgevonden. De Afdeling acht deze keuze niet onredelijk.

Het betoog faalt.

Stank- en geluidoverlast

8.       De VvE betoogt dat het college niet in redelijkheid de locatie heeft kunnen aanwijzen voor het plaatsen van de ORAC, omdat deze locatie ongeschikt is. Zij vreest dat de ORAC niet op tijd zal worden geleegd, zodat huisvuil naast de container zal worden geplaatst waardoor stankoverlast ontstaat. Zij wijst er hierbij op dat de ORAC op een intensief gebruikte route naar het station wordt geplaatst waardoor deze ook zal worden gebruikt door voorbijgangers. Volgens de VvE ligt op plekken in de buurt waar al ORAC’s zijn geplaatst veel afval naast de containers en wordt dit afval - anders dan het college stelt - niet of niet tijdig door de gemeente weggehaald.

De VvE vreest verder dat het gebruik en het legen van de ORAC zal leiden tot geluidsoverlast, te meer omdat de ORAC op 5 m van een slaapkamerraam wordt geplaatst.

8.1.    In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor een ORAC. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van ORAC‘s, ligt niet ter beoordeling voor.

Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een ORAC, toeneming van verkeer van en naar een ORAC en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van een ORAC. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van ORAC’s maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2320. De Afdeling zal daarom enkel beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.

8.2.    Het college heeft in de zienswijzennota bij het besluit van 6 januari 2020 toegelicht dat de ORAC’s één keer per jaar van binnen en buiten worden schoongemaakt, hetgeen overlast voorkomt. Bij incidenten vindt dit schoonmaken vaker plaats. Verder hebben ORAC’s twee tegen elkaar indraaiende schalen om stankoverlast te beperken. Daarnaast ontvangt het college naar eigen zeggen bijna geen klachten over stankoverlast bij ORAC’s, terwijl al op vele plekken in de stad ORAC’s zijn geplaatst. Wat betreft de vrees voor hinder door zwerfvuil heeft het college te kennen gegeven dat het niet kan garanderen dat er geen afval naast de ORAC wordt geplaatst, maar dat de sensoren van de ORAC signaleren hoe vol de container is, zodat de ORAC tijdig kan worden geleegd. Daarnaast wordt de ORAC dagelijks gecontroleerd. Staat er afval naast dan wordt dat verwijderd. Als toch sprake is van zwerfvuil, dan kunnen bewoners daar melding van doen. Bij meldingen vóór 12.00 uur streeft het college ernaar om eventuele bijplaatsingen dezelfde dag weg te halen.

Wat betreft de door de VvE gevreesde geluidsoverlast heeft het college toegelicht dat geluid dat ontstaat bij het legen van de ORAC lastig te voorkomen is. De ORAC wordt naar verwachting één of twee keer per week tussen 07:00 uur en 17:00 uur geleegd en het legen duurt slechts maximaal 10 minuten. Het college stelt verder dat het plaatsen van een huisvuilzak in de ORAC nauwelijks geluidhinder veroorzaakt, omdat de ORAC is voorzien van een dubbelschalige trommel met rubberen dempers waardoor het geluid dat kan ontstaan bij het openen en sluiten van de ORAC wordt gedempt.

8.3.    De Afdeling ziet in wat de VvE heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen het college met betrekking tot de verschillende vormen van hinder naar voren heeft gebracht. De Afdeling overweegt dat niet is uitgesloten dat leden van de VvE enige hinder van het gebruik van de direct voor hun woningen voorziene ORAC zullen ondervinden, maar acht - gelet op de door het college gegeven toelichting - het niet aannemelijk dat zich ernstige stank- en geluidhinder zal voordoen. Het college heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat het bijplaatsen van afval een kwestie van handhaving betreft. Een eventueel gebrekkige handhaving tast de rechtmatigheid van het besluit tot aanwijzing van de locatie voor de plaatsing van de ORAC niet aan. Hetgeen de VvE heeft aangevoerd over stank- en geluidhinder biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de locatie heeft kunnen aanwijzen voor het plaatsen van de ORAC.

Voor zover de VvE erop heeft gewezen dat er een slaapkamerraam op ongeveer 5 m van de geplande ORAC ligt, overweegt de Afdeling dat het college zich op het standpunt heeft gesteld dat in de richtlijnen van "Het Nieuwe Inzamelen" is opgenomen dat de afstand van de ORAC tot de gevel van een woning minimaal 3 m moet zijn. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ORAC op dusdanige afstand van het slaapkamerraam is voorzien, dat in zoverre geen sprake is van een belemmering voor het plaatsen van de ORAC.

Het betoog faalt.

Riolering

9.       Verder betoogt de VvE dat de graafwerkzaamheden voor het plaatsen van de ORAC en het regelmatig legen van de ORAC door grote leegwagens leidt tot verzakking van de daar gelegen riolering en dus tot schade. Volgens haar heeft het door de gemeente uitgevoerde proefsleuvenonderzoek op een verkeerde plek plaatsgevonden. De ORAC wordt geplaatst ten oosten van het bestaande fietsenrek, terwijl er is gegraven ten westen en ten zuiden van het fietsenrek.

9.1.    Het college heeft onder verwijzing naar het door hem overgelegde overzicht van aanwezige kabels en leidingen verklaard dat ter plaatse van de aangewezen locatie geen riolering ligt. Wat betreft de manier waarop de proefsleuven zijn gegraven, heeft het college toegelicht dat hierdoor voldoende inzicht is verkregen of er op de aangewezen locatie kabels en leidingen te verwachten zijn. De strook evenwijdig aan de gevel ten zuiden van het fietsenrek laat zien of er leidingen van of naar de gevel lopen vanuit of naar het midden van de straat. De strook haaks op de gevel ten westen van het fietsenrek laat zien of er leidingen te verwachten zijn parallel aan de gevel in dit voetpad. Het is dan ook niet nodig geweest om precies op de aangewezen locatie te graven, aldus het college. De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van wat het college naar voren heeft gebracht.

Er is volgens het college verder niet gebleken dat er op de aangewezen locatie geen ruimte zou zijn voor een ORAC of dat het een risico is om daar een ORAC te plaatsen. De ORAC wordt ook geïnstalleerd door een deskundige aannemer, die onmiddellijk zal stoppen wanneer hij een mogelijk probleem ziet, aldus het college. De Afdeling ziet ook geen aanleiding hieraan te twijfelen.

Wat de VvE heeft aangevoerd over de aanwezigheid van de riolering biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de locatie 38 heeft kunnen aanwijzen voor het plaatsen van de ORAC.

Het betoog faalt.

10.     De conclusie is dat het college de aangewezen locatie in redelijkheid geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van de ORAC.

Alternatieve locatie

11.     De VvE voert aan dat het college de locatie in redelijkheid niet heeft kunnen aanwijzen, omdat er een geschiktere alternatieve locatie aanwezig is. Zij wijst naar de locatie op de kop van de Leidseweg ter hoogte van nummers 2-17. Deze locatie is volgens haar - anders dan het college stelt -  goed bereikbaar voor een leegwagen. Voor sommige bewoners van de Leidseweg zullen de loopafstanden tot deze ORAC meer dan 125 m zijn, maar deze bewoners kunnen gebruik maken van de al aanwezige ORAC’s op de Graadt van Roggenweg ter hoogte van speeltuin de Regenboog.

11.1.  Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de locatie op de kop van de Leidseweg ter hoogte van nummers 2-17 geen geschiktere locatie is voor plaatsing van de ORAC dan de aangewezen locatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit het door het college overgelegde overzicht van aanwezige kabels en leidingen volgt dat op de alternatieve locatie veel kabels en leidingen liggen, zodat het plaatsen van een ORAC daar niet mogelijk is. Het college heeft verder toegelicht dat het plaatsen van de ORAC op de alternatieve locatie ertoe leidt dat voor bepaalde bewoners van de Leidseweg de loopafstand onnodig wordt vergroot tot meer dan 125 m, wat niet in overeenstemming is met de richtlijnen. Voor zover de VvE erop heeft gewezen dat die bewoners gebruik kunnen maken van de al aanwezige ORAC’s op de Graadt van Roggenweg ter hoogte van speeltuin de Regenboog, heeft het college toegelicht dat door de herinrichting van de Graadt van Roggenweg deze ORAC’s mogelijk verplaatst zullen worden. In dat geval zouden deze ORAC’s dan niet meer gebruikt kunnen worden door de bewoners van de Leidseweg. Verder is volgens het college onduidelijk of deze bewoners zonder meer toegang hebben tot deze speeltuin, omdat de speeltuin vanaf de Leidseweg alleen te bereiken is via poorten die normaal gesproken zijn gesloten.

Het voorgaande betekent dat het college in het voorgestelde alternatief geen reden heeft hoeven zien om af te zien van aanwijzing van de locatie.

Het betoog faalt.

Conclusie

12.     Het beroep is ongegrond.

13.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2021

634.