Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1820

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2021
Datum publicatie
25-08-2021
Zaaknummer
202100553/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 29 april 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om aan hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2021/217 met annotatie van Geertsema, K.E., Hübner, H.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202100553/1/V2.

Datum uitspraak: 17 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 januari 2021 in zaak nr. NL19.9935 en NL19.9937 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 29 april 2019 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om aan hen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij aanvullend besluit van 18 juli 2019 heeft de staatssecretaris deze besluiten gehandhaafd.

Bij uitspraak van 20 januari 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. M.A. Collet, advocaat te Roosendaal, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdelingen vroeger eerder asiel aan in Nederland. De afwijzing daarvan staat in rechte vast. Aan hun opvolgende aanvraag hebben de vreemdelingen hetzelfde asielrelaas ten grondslag gelegd. Zij stellen dat zij hun relaas nu zodanig hebben onderbouwd dat het aannemelijk moet worden geacht. In deze uitspraak staat de vraag centraal of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris het relaas van de vreemdelingen niet ten onrechte nog altijd niet geloofwaardig acht.

2.       De vreemdelingen stellen te vrezen voor vervolging door de huidige Georgische autoriteiten wegens het werk van de vreemdeling voor de vorige machthebbers, dat wil zeggen de Georgische autoriteiten van vóór de verkiezingen en de daarop volgende machtswisseling in 2012. Zij voeren hiertoe aan dat de vreemdeling van 2009 tot 2012 de lijfwacht was van de toenmalig eerste plaatsvervangend minister van Defensie, N. Dzimtseishvili. In de periode 2012-2014 zou de vreemdeling bij herhaling door vertegenwoordigers van het Georgische ministerie van Binnenlandse Zaken zijn meegenomen en onder druk zijn gezet om valse, belastende verklaringen af te leggen over N. Dzimtseishvili en diens leidinggevende. Een auto met daarin de zoon van de vreemdelingen zou door toedoen van de autoriteiten opzettelijk zijn aangereden en de vreemdeling zou voorwerp zijn van geheime strafprocessen. Bij hun opvolgende aanvraag hebben de vreemdelingen nieuwe documenten overgelegd, waaronder een aanzienlijke hoeveelheid getuigenverklaringen, om hun gestelde vrees nader te onderbouwen.

3.       De staatssecretaris acht het werk van de vreemdeling als lijfwacht geloofwaardig. Hij acht ook geloofwaardig dat de vreemdeling is gevraagd om een verklaring af te leggen over zijn voormalig werkgever en diens leidinggevende. Dat de vreemdeling systematisch werd ondervraagd en onder druk is gezet en is bedreigd, acht de staatssecretaris niet geloofwaardig. Ook de bij de opvolgende aanvraag overgelegde documenten, waaronder de getuigenverklaringen, maken de gestelde vrees van de vreemdelingen voor de huidige Georgische autoriteiten volgens de staatssecretaris niet aannemelijk.

4.       De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris ondanks de inhoud van de getuigenverklaringen het relaas van de vreemdelingen niet ten onrechte nog altijd niet geloofwaardig acht. Zij heeft hierbij overwogen dat de bij de opvolgende aanvraag overgelegde getuigenverklaringen grotendeels niet zijn gebaseerd op eigen waarnemingen van de getuigen, maar op wat de vreemdelingen hen over hun gestelde problemen hebben verteld. Voor zover getuigen verklaren over gebeurtenissen die henzelf zijn overkomen, heeft de rechtbank overwogen dat deze het relaas van de vreemdelingen niet onderschrijven. Ook heeft zij overwogen dat de inhoud van de getuigenverklaringen niet wordt ondersteund door informatie uit algemene bronnen. Over de vier getuigenverklaringen die ter zitting in beroep zijn afgelegd, heeft de rechtbank hetzelfde overwogen, met de toevoeging dat sommige vaag zijn.

5.       Wat de vreemdelingen in de eerste tot en met derde en de zesde grief hebben aangevoerd over de integrale beoordeling van asielrelazen, de op hen rustende bewijslast, het gelijkheidsbeginsel en de motivering van de uitspraak van de rechtbank, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

6.       In de vierde grief klagen de vreemdelingen terecht dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de inhoud van de overgelegde en afgelegde getuigenverklaringen er niet toe leidt dat het relaas van de vreemdelingen alsnog geloofwaardig moet worden geacht.

6.1.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, berusten de getuigenverklaringen over de gestelde problemen van de vreemdelingen niet alleen op wat de vreemdelingen zelf hierover aan de getuigen hebben verteld. Dit geldt met name niet voor de verklaring van de voormalig werkgever van de vreemdeling, dat hij de vreemdeling nog in 2020 als 'person of interest' heeft zien staan op een lijst van het ministerie van Binnenlandse Zaken van 2019. Ook de voormalig buurman van de vreemdelingen verklaart deels uit eigen wetenschap over de gestelde problemen van de vreemdelingen. Daarnaast verklaart de advocaat van N. Dzimtseishvili en de vreemdeling ook uit eigen wetenschap over de zijns inziens reële mogelijkheid van nieuwe strafvervolgingen tegen de voormalig plaatsvervangend minister en de mogelijke repercussies hiervan voor de vreemdeling.

6.2.    De rechtbank heeft verder ontoereikend gemotiveerd waarom de verklaringen van verschillende getuigen over de problemen die zijzelf als ex-medewerker van het oude regime hebben gehad, het relaas van de vreemdelingen over vergelijkbare problemen niet onderschrijven. Over de verklaringen van de getuigen over wat de vreemdelingen hen hebben verteld, heeft de rechtbank tot slot niet onderkend dat zulke de auditu-verklaringen weliswaar minder bewijskracht hebben dan die van verklaringen uit eigen waarneming, maar niet geheel zonder bewijswaarde zijn.

6.3.    De grief slaagt.

7.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdelingen verder hebben aangevoerd te bespreken. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Dit betekent dat zij de ingebrachte en afgelegde getuigenverklaringen beziet met inachtneming van wat onder 6.1. en 6.2. is overwogen en op basis van de uitkomsten daarvan het standpunt van de staatssecretaris over de geloofwaardigheid van het relaas van de vreemdelingen opnieuw toetst.

8.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 20 januari 2021 in zaak nr. NL19.9935 en NL19.9937;

III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 748,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

w.g. Van Wezep

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2021

837