Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
202100470/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 3 januari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2021/168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202100470/1/V3.

Datum uitspraak: 13 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 januari 2021 in zaken nrs. NL21.18 en NL21.47 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 3 januari 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten, een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd en hem in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 19 januari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De vreemdeling heeft gebruikgemaakt van de geboden gelegenheid te repliceren. De staatssecretaris heeft gebruikgemaakt van de geboden gelegenheid te dupliceren.

Overwegingen

Inleiding

1.       Deze uitspraak gaat over de vraag of de tenuitvoerlegging van de vreemdelingenbewaring in het Cellencomplex Noord-West te Amsterdam in overeenstemming is met artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn. In de eerste volzin daarvan is bepaald dat voor bewaring in de regel gebruik wordt gemaakt van speciale inrichtingen voor bewaring. In de tweede volzin van die bepaling staat dat de onderdanen van een derde land die in bewaring worden gehouden, gescheiden worden gehouden van de gewone gevangenen, indien een lidstaat hen niet kan onderbrengen in een gespecialiseerde inrichting voor bewaring en gebruik dient te maken van een gevangenis.

2.       De vreemdeling is om 16.30 uur in bewaring gesteld op het politiebureau van de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie & Mensenhandel (AVIM) aan de Johan Huizingalaan te Amsterdam. Vervolgens is hij voor de nacht overgebracht naar het Cellencomplex Noord-West, waar hij is ingesloten in een eenpersoonspolitiecel. De volgende dag is hij om 11.30 uur overgeplaatst naar het Detentiecentrum Rotterdam.

3.       De staatssecretaris en de vreemdeling zijn het erover eens dat het Cellencomplex Noord-West geen speciale inrichting is als bedoeld in artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van de Terugkeerrichtlijn. De vraag die moet worden beantwoord is of het verblijf in dit cellencomplex voldoet aan de vereisten die daaraan in de tweede volzin van deze bepaling worden gesteld.

Beoordeling grief 5

4.       Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0985, heeft de rechtbank overwogen dat het verblijf in de politiecel geen schending van artikel 5.4 van het Vb 2000 oplevert, omdat de vreemdeling daarin één dag heeft verbleven.

In zijn vijfde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank hiermee ten onrechte is voorbijgegaan aan zijn beroepsgrond dat het verblijf in het Cellencomplex Noord-West niet voldoet aan de vereisten die de Terugkeerrichtlijn daaraan stelt, omdat hij daar te midden van strafrechtelijk gedetineerden verbleef. Daarbij verwijst hij naar de arresten van het Hof van Justitie van 17 juli 2014, Bero en Bouzalmate, ECLI:EU:C:2014:2095, en Pham, ECLI:EU:C:2014:2096.

4.1.    De vreemdeling klaagt terecht dat de rechtbank zijn beroepsgrond te beperkt heeft opgevat en ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring in het Cellencomplex Noord-West in overeenstemming is met artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Terugkeerrichtlijn. Zijn grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling overweegt daarover het volgende.

4.2.    Uit het arrest van het Hof van 2 juli 2020, WM, ECLI:EU:C:2020:511, punten 34 tot en met 39, volgt dat de Terugkeerrichtlijn uitzonderingen toestaat op de algemene regel dat vreemdelingenbewaring in een speciale inrichting ten uitvoer moet worden gelegd als de lidstaat wegens de bijzondere omstandigheden van het geval niet aan die regel kan voldoen. Die situatie doet zich in dit geval voor. De vreemdeling is, na een strafrechtelijke aanhouding, op zondag 3 januari 2021 om 16.30 uur in bewaring gesteld. De staatssecretaris moest vervolgens enige tijd worden gegund om een plaats in een huis van bewaring en het vervoer daarnaartoe te regelen. Dat is binnen 24 uur gelukt.

Uit het arrest Pham, punten 17, 19 en 21, volgt echter dat nooit uitzonderingen mogen worden gemaakt op de regel dat in bewaring gestelde vreemdelingen altijd gescheiden moeten worden gehouden van strafrechtelijk gedetineerden, zelfs niet als een vreemdeling daarmee instemt.

4.3.    In zijn schriftelijke uiteenzetting heeft de staatssecretaris toegelicht dat vreemdelingen die in het Cellencomplex Noord-West worden vastgehouden, gescheiden worden ondergebracht van strafrechtelijk gedetineerden. Er zijn geen gescheiden afdelingen, maar alle gedetineerden hebben een cel alleen voor zichzelf. In zogenoemde luchtverblijven en dagverblijven worden strafrechtelijk gedetineerden niet samen geplaatst met in bewaring gestelde vreemdelingen. Dit beleid wordt met een mondelinge instructie actief uitgedragen binnen het cellencomplex aan de arrestantenbewaarders en overig personeel. Volgens de staatssecretaris voldoet een kortdurend verblijf van in bewaring gestelde vreemdelingen in het Cellencomplex Noord-West hiermee aan artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Terugkeerrichtlijn. Hij volgt de vreemdeling niet in diens stelling dat hij in het cellencomplex te midden van strafrechtelijk gedetineerden is vastgezet en wijst erop dat de vreemdeling niet heeft onderbouwd dat hij, ondanks de voorzorgsmaatregelen in het cellencomplex, direct of indirect in aanraking is gekomen met strafrechtelijk gedetineerden.

4.4.    In zijn reactie op de schriftelijke uiteenzetting betoogt de vreemdeling terecht dat een mondelinge instructie aan het personeel van het cellencomplex onvoldoende waarborgen biedt. Een mondelinge instructie is voor zowel de vreemdeling als de bewaringsrechter niet kenbaar en verifieerbaar. De vreemdeling betwist echter niet dat hij tijdens zijn verblijf in het Cellencomplex Noord-West in de praktijk niet direct of indirect met strafrechtelijk gedetineerden in aanraking is gekomen. Daarom ziet de Afdeling geen reden om in dit geval een schending van artikel 16, eerste lid, tweede volzin, van de Terugkeerrichtlijn aan te nemen. Daarbij weegt de Afdeling mee dat het verblijf van de vreemdeling in het cellencomplex minder dan 24 uur heeft geduurd en dus heel kort is geweest.

4.5.    De grief faalt.

Beoordeling overige grieven

5.       De overige grieven leiden ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Conclusie

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

w.g. Van Laar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2021

551.