Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1794

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
202001449/1/R4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juli 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen de aanvraag van [vergunninghouder] om een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een kantoor naar 80 zelfstandige wooneenheden en het restylen van de gevel van het pand op het perceel Wolfskuilseweg 279 in Nijmegen buiten behandeling gesteld. De stichting is eigenaar van het pand dat voorheen in gebruik was als kantoor. Het bouwplan voorziet in de realisatie van een zogenaamde "comfort box" in elke woning. De comfort box is een kast waar via een rooster aan de buitenkant van de gevel en een te openen raam in de woning lucht van buiten via een tussenruimte in de comfort box naar binnen kan en lucht van binnen naar buiten. Het rooster en het geluidsabsorberend materiaal in de comfort box moeten ervoor zorgen dat wordt voldaan aan de voorkeurswaarden van de Wet geluidhinder. Alleen als dat het geval is, zijn de wooneenheden op grond van de regels van het bestemmingsplan "Nijmegen West" toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/366
Jurisprudentie Grondzaken 2021/130 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001449/1/R4.

Datum uitspraak: 11 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       Stichting Bewaar Wolfskuil, gevestigd te Nijmegen,

2.       het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2020 in zaak nr. 19/5643 in het geding tussen:

de Stichting

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juli 2019 heeft het college de aanvraag van [vergunninghouder] om een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een kantoor naar 80 zelfstandige wooneenheden en het restylen van de gevel van het pand op het perceel Wolfskuilseweg 279 in Nijmegen (hierna: het pand en het perceel) buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 19 september 2019 heeft het college het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 26 november 2019 heeft het college geweigerd aan de Stichting een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van 80

zelfstandige studio's op het perceel.

Bij uitspraak van 24 januari 2020 heeft de rechtbank het door de Stichting tegen het besluit van 19 september 2019 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en de Stichting hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 2 maart 2020 (I) heeft het college het door de Stichting tegen het besluit van 18 juli 2019 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van een kantoor naar 80 zelfstandige wooneenheden en het restylen van de gevel op het perceel.

Bij besluit van 2 maart 2020 (II) heeft het college het door de Stichting tegen het besluit van 26 november 2019 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De Stichting heeft gronden aangevoerd tegen de besluiten van 2 maart 2020.

De Stichting en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Stichting heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juli 2021, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. C.J. Schipperus, advocaat in Wijchen, en [vergunninghouder], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.W.M. Hagelaars en mr. I.S. Termaat, advocaten in Nijmegen, vergezeld door W.J. Bloemena, ing. F. van Dorresteijn, en H.A.M. Selten, zijn verschenen. Ter ondersteuning van de Stichting heeft [gemachtigde] via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1.       De stichting is eigenaar van het pand dat voorheen in gebruik was als kantoor. De Stichting wil 80 zelfstandige wooneenheden in het pand realiseren en heeft daarvoor een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend. Het bouwplan voorziet in de realisatie van een zogenaamde "comfort box" in elke woning. De comfort box is een kast waar via een rooster aan de buitenkant van de gevel en een te openen raam in de woning lucht van buiten via een tussenruimte in de comfort box naar binnen kan en lucht van binnen naar buiten. Het rooster en het geluidsabsorberend materiaal in de comfort box moeten ervoor zorgen dat wordt voldaan aan de voorkeurswaarden van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh). Alleen als dat het geval is, zijn de wooneenheden op grond van de regels van het bestemmingsplan "Nijmegen West" toegestaan.

Het college heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de Stichting volgens hem onvoldoende informatie heeft gegeven over de werking van de comfort box en, meer in het bijzonder, de aspecten geluid en brandveiligheid.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het over onvoldoende informatie beschikte om op de aanvraag te kunnen beslissen en heeft daarom het besluit op bezwaar van 19 september 2019 vernietigd.

Het college heeft hoger beroep ingesteld, omdat het van oordeel is dat wel duidelijk was waarom het niet over voldoende informatie beschikte om op de aanvraag te kunnen beslissen. De Stichting heeft hoger beroep ingesteld, omdat het college volgens haar ook om andere redenen de aanvraag niet buiten behandeling had mogen stellen.

Wettelijk kader

2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroepen

Geluid

3.       De kern van het geschil tussen het college en de Stichting is of bij de beoordeling of wordt voldaan aan de voorkeurswaarden van de Wgh moet worden gekeken naar de gemiddelde geluidsbelasting of naar de hoogste geluidsbelasting op het gevelvlak met het raam in de comfort box.

4.       Bij brief van 29 mei 2019 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag om omgevingsvergunning niet volledig is. Daarom heeft het college de Stichting verzocht om aanvullende gegevens te verstrekken. In bijlage 1 van het aanvullingsverzoek staat onder meer:

"Uit het geluidrapport en de notitie comfortbox kan niet worden opgemaakt of de geluidreducties van de comfortbox gemiddelden over de gehele comfortbox betreffen of de maatgevende geluidreductie ter plaatse van de locatie op het te openen raam met de hoogste geluidbelasting. Gevraagd wordt om de geluidbelastingen op alle locaties van het te openen raam op te geven."

5.       Bij het besluit van 18 juli 2019 heeft het college de aanvraag buiten behandeling gesteld. In bijlage 2 van dat besluit staat op grond van welke ontbrekende gegevens de aanvraag buiten behandeling is gesteld. Daarin staat onder meer: "Voor zover de raamzijde van de comfortbox als deel van de gevel zou gelden is van belang of overal op dat geveldeel wordt voldaan aan de voorkeurswaarde van de Wet geluidhinder. Om die reden heeft de gemeente gevraagd inzichtelijk te maken of overal op het raam de voorkeurswaarde wordt gehaald door toepassing van de comfortbox. Op deze vraag is in het overgelegde akoestisch rapport niet ingegaan."

6.       Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het geschil tussen het college en de Stichting over de beoordeling of wordt voldaan aan de voorkeurswaarden van de Wgh, geen gebrek is in de aangeleverde gegevens, maar een geschil over de toetsing aan de Wgh, en dat dit daarom geen reden is om de aanvraag niet in behandeling te nemen vanwege het ontbreken van gegevens. Volgens het college volgt uit de artikelen 44 en 82 Wgh en artikel 2.2 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 dat gerekend en gemeten moet worden op het punt van de gevel waar de hoogste geluidsbelasting optreedt. De vraag was dus of de comfort box op het gehele gevelvlak met het te openen raam voor voldoende geluidreductie zorgt, of dat de door LBP SIGHT berekende geluidreductie een gemiddelde was van de geluiddemping in de comfort box. Gelet op het wettelijk kader was die vraag relevant en kon zonder die informatie niet aan de Wgh worden getoetst, aldus het college.

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer onder 6.1 van de uitspraak van 16 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1280), is het aan het daartoe bevoegde bestuursorgaan om te beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op een aanvraag te kunnen nemen.

6.2.    Op grond van artikel 2.3 van de Regeling omgevingsrecht (hierna: de Mor) moet de aanvrager bij de aanvraag gegevens en bescheiden verstrekken die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan een bestemmingsplan. Op grond van de artikelen 10.1 en 10.2.2 van de planregels moet het bouwplan voldoen aan de voorkeurswaarden van de Wgh. Om te kunnen beoordelen of het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan, zal het college daarom moeten beschikken over berekeningen waaruit blijkt dat de voorkeurswaarden niet worden overschreden. In zoverre heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het geschil over die berekeningen geen geschil is over de juistheid en volledigheid van de aangeleverde gegevens, maar een geschil over de toetsing aan de Wgh, en dat dit daarom geen reden is om de aanvraag niet in behandeling te nemen vanwege het ontbreken van gegevens. Zonder de juiste berekeningen kan het college niet beoordelen of het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan.

6.3.    De vraag is vervolgens wat de juiste berekeningen zijn. De artikelen 44 en 82, eerste lid, van de Wgh bevatten voorkeurswaarden voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel van woningen. In artikel 2.2, tweede lid, van het Reken- en meetvoorschrift staat dat indien de vaststelling van de geluidsbelasting in dB(A) vanwege een industrieterrein plaatsvindt ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting van de gevel van woningen, het immissiepunt zich op het punt van de gevel bevindt waar de hoogste geluidsbelasting optreedt. Gelet op de tekst van deze artikelen is het college er terecht vanuit gegaan dat niet moet worden gekeken naar de gemiddelde geluidsbelasting, maar naar de hoogste geluidsbelasting op het gevelvlak met het te openen raam.

Dit wordt naar het oordeel van de Afdeling bevestigd door de toelichting bij artikel 2.2 van het Reken- en meetvoorschrift waar de Stichting naar verwijst (Stcrt. 2012, 11810). Daarin staat dat in het algemeen een hoogte van 5 m boven het maaiveld wordt aangehouden. Het equivalent geluidsniveau wordt echter op een andere hoogte bepaald, indien redelijkerwijs mag worden verwacht dat op die andere hoogte de geluidsbelasting hoger is dan de geluidsbelasting op 5 m boven maaiveld, aldus de nota van toelichting. Er moet daarom ook volgens de nota van toelichting worden gekeken naar het punt waar de geluidsbelasting het hoogst is.

De verwijzing door de Stichting naar de definitie van equivalent geluidsniveau in artikel 5.2 in het Reken- en meetvoorschrift leidt niet tot een ander oordeel. Het in dat artikel genoemde gemiddelde gaat over het gemiddelde van het geluidsniveau over tijd, en niet over het gemiddelde van de geluidsniveaus op verschillende delen van de gevel.

De verwijzing door de Stichting naar de toetsing door het college in andere gevallen leidt ook niet tot een ander oordeel. Bij de toetsing van het bouwplan aan de Wgh en het bestemmingsplan is niet van belang op welke wijze het college in andere zaken heeft getoetst. Daarnaast zien die andere gevallen niet op een comfort box als hier aan de orde. Dat zijn alleen al daarom geen gelijke gevallen.

6.4.    Gelet op het voorgaande moet worden gekeken naar de hoogste geluidsbelasting. Dat betekent niet dat bij bouwplannen zonder meer voor alle punten van de gevel een berekening van de geluidsbelasting moet worden gemaakt. Het college heeft onder 4.55 en 4.56 van de schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat een punt moet worden gekozen dat representatief is voor het beoordelen van de hoogste geluidsbelasting. Bij veel gevels maakt het weinig verschil waar wordt beoordeeld, of kan eenvoudig worden vastgesteld waar een voor de beoordeling representatief punt ligt. Bij de toepassing van de comfort box is dat echter niet aan de orde. Zoals Cauberg Huygen inzichtelijk heeft gemaakt, heerst in de comfort box geen eenduidig geluidsniveau. Er zitten grote verschillen in de geluidsbelasting van verschillende geveldelen door de resonantie van het geluid in de box en afhankelijk van de instralingshoek van het geluid. Hier valt het dus niet mee om op zoek te gaan naar een representatief punt, te weten het punt waar de geluidsbelasting het hoogst is, aldus het college.

Naar het oordeel van de Afdeling is aannemelijk dat het vanwege het bijzondere karakter van de comfort box niet eenvoudig is een representatief punt voor de hoogste geluidsbelasting te kiezen. Gelet hierop heeft het college in redelijkheid aan de Stichting kunnen vragen om de geluidsbelastingen op alle locaties van het te openen raam op te geven. Niet in geschil is dat de Stichting dat niet heeft gedaan. Hierdoor kon het college niet beoordelen of wordt voldaan aan de voorkeurswaarden van de Wgh en daardoor ook niet of wordt voldaan aan het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft het college de aanvraag buiten behandeling mogen stellen.

Het college heeft de Stichting niet nog een extra gelegenheid hoeven geven om geluidsberekeningen te verstrekken. In het aanvullingsverzoek heeft het college duidelijk omschreven welke gegevens het nog nodig had om op de aanvraag te kunnen beslissen.

Het betoog slaagt.

Brandveiligheid

7.       De Stichting betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college aan het besluit tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag andere ontbrekende gegevens ten grondslag heeft gelegd dan aan het aanvullingsverzoek van 29 mei 2019.

7.1.    In bijlage 2 van het besluit van 18 juli 2019 staat op grond van welke ontbrekende gegevens de aanvraag buiten behandeling is gesteld. Daarin staat onder meer dat doorsnedetekeningen met de brandcompartimentering ontbreken.

In bijlage 1 van het aanvullingsverzoek van 29 mei 2019 staat welke gegevens alsnog moesten worden verstrekt. Daarin staat onder 2.3 dat horizontale- en verticale principe details ter plaatse van de kritische brandcompartiment scheidingen en aansluitingen op vloeren, plafonds en wanden ontbreken.

7.2.    Hoewel het duidelijker was geweest als het college precies dezelfde bewoordingen had gebruikt in het besluit tot het buiten behandeling stellen als in het aanvullingsverzoek, is naar het oordeel van de Afdeling duidelijk dat het college in dat besluit met de doorsnedetekeningen bedoelt de in het aanvullingsverzoek genoemde verticale principe details ter plaatse van de kritische brandcompartiment scheidingen en aansluitingen op vloeren, plafonds en wanden. Het college heeft dit op de zitting bevestigd. De rechtbank heeft in zoverre dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college aan het besluit tot het buiten behandeling stellen andere ontbrekende gegevens ten grondslag heeft gelegd dan aan het aanvullingsverzoek.

Het betoog slaagt niet.

8.       Het college betoogt dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door te overwegen dat het niet is ingegaan op het rapport van LBP SIGHT van 15 maart 2019 over de beoordeling van de brandveiligheid van het pand en niet heeft gemotiveerd waarom dit rapport onvoldoende onderbouwing zou vormen voor het aspect "brandcompartimentering". Volgens het college heeft de Stichting zich nergens op het standpunt gesteld dat uit de tekst van het rapport van LBP SIGHT blijkt wat de verticale brandcompartimentering is, maar heeft de Stichting zich in het beroepschrift van 2 oktober 2019 slechts op het standpunt gesteld dat de brandcompartimentering blijkt uit tekeningen die als bijlage bij dat rapport zitten.

8.1.    In beroep heeft de Stichting betoogd dat het college ten onrechte de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld vanwege het ontbreken van doorsnedetekeningen met de brandcompartimentering. Volgens de Stichting heeft het alle benodigde gegevens over de brandcompartimentering aan het college gegeven. Ter onderbouwing van dat betoog heeft de Stichting het rapport van LBP SIGHT van 15 maart 2019 overgelegd. Alleen al hierom ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil is getreden door niet alleen de bijlagen, maar ook de tekst van het rapport van LBP SIGHT te betrekken bij de beoordeling van het betoog van de Stichting.

Het betoog slaagt niet.

9.       Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit de Mor niet volgt dat voor de brandcompartimentering een doorsnedetekening moet worden aangeleverd. Brandcompartimentering is naar zijn aard een aspect dat op een tekening dient te worden aangegeven. Alleen dan is voldoende duidelijk waar de compartimenten zich precies bevinden, wat van belang is om te kunnen beoordelen of aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012 wordt voldaan. In het Bouwbesluit 2012 worden immers eisen gesteld aan de oppervlakte van brandcompartimenten en de functies die binnen en buiten een brandcompartiment moeten liggen. Verder is de brandcompartimentering onder andere van belang voor het beoordelen van vluchtroutes, aldus het college.

Het college betoogt ook dat de rechtbank heeft miskend dat het rapport van LBP SIGHT van 15 maart 2019 geen opgave bevat van de brandcompartimentering. Op pagina 5 van dat rapport wordt voor de brandcompartimentering verwezen naar de tekeningen van bijlage I, zodat het college daarvan uit mocht gaan. De informatie op pagina 11 van het rapport waar de rechtbank naar verwijst, gaat over de sterkte van de draagconstructie en niet over de brandcompartimentering. De rechtbank heeft miskend dat voor de sterkte van de draagconstructie bij brand andere eisen gelden dan voor brandcompartimentering, aldus het college.

9.1.    Om een goed en inzichtelijk beeld te krijgen van de brandcompartimentering van de 80 wooneenheden en te kunnen beoordelen of de brandcompartimentering voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit, kan het college naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid om verticale doorsnedetekeningen van de brandcompartimentering vragen. Dit is slechts anders als de benodigde informatie over de brandcompartimentering al duidelijk uit andere stukken blijkt.

De rechtbank heeft overwogen dat in het rapport van LBP SIGHT van 15 maart 2019 wordt ingegaan op de sterkte van de hoofddraagconstructie, en dus op de compartimentering van de verdiepingen. Het college voert terecht aan dat pagina 11 van het rapport van LBP SIGHT waarop de rechtbank zich baseert, gaat over de sterkte van de hoofddraagconstructie bij brand en niet over de brandcompartimentering. Die pagina geeft ook overigens niet een duidelijk beeld van de brandcompartimentering van dit concrete bouwplan. De Stichting heeft nog gewezen op paragraaf 3.3 van het rapport van 15 maart 2019. Die paragraaf gaat over weerstand tegen brandoverslag en daarin wordt in algemene zin toegelicht aan welke brandwerendheidseisen moet worden voldaan. Daaruit blijkt niet hoe de brandcompartimentering er in dit concrete geval uitziet. De enige op dit concrete geval toegespitste informatie in die paragraaf is dat een borstwering van 1,65 m wordt gerealiseerd. Het college heeft dat in redelijkheid onvoldoende kunnen achten om een inzichtelijk beeld van de brandcompartimentering te kunnen krijgen.

Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid om verticale doorsnedetekeningen van de brandcompartimentering kunnen vragen. Aangezien de Stichting die niet heeft verstrekt, mocht het college de aanvraag buiten behandeling stellen. Het college heeft de Stichting niet nog een extra gelegenheid hoeven geven om de doorsnedetekeningen te verstrekken. In het aanvullingsverzoek heeft het college duidelijk omschreven welke gegevens het nog nodig had om op de aanvraag te kunnen beslissen.

Het betoog slaagt.

Conclusie

10.     Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat het college in redelijkheid  heeft kunnen vragen om aanvullende informatie over de geluidsbelasting op verschillende posities op het gevelvlak van het te openen raam en om verticale doorsnedetekeningen met de brandcompartimentering. Omdat de Stichting die gegevens niet heeft verstrekt, mocht het college de aanvraag buiten behandeling stellen.

Gelet hierop is het hoger beroep van de Stichting ongegrond en het hoger beroep van het college gegrond. De andere gronden die de Stichting en het college hebben aangevoerd, hoeven niet meer te worden besproken.

De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de Stichting tegen het besluit van 19 september 2019 ongegrond verklaren.

11.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Besluit 2 maart 2020 (I) naar aanleiding van uitspraak rechtbank

12.     Bij besluit van 2 maart 2020 (I) heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van de Stichting tegen het besluit van 18 juli 2019. Het college heeft dat bezwaar gegrond verklaard en geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het wijzigen van een kantoor naar 80 zelfstandige wooneenheden en het restylen van de gevel op het perceel.

Het besluit van 2 maart 2020 (I) wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

13.     Omdat het beroep van de Stichting tegen het besluit op bezwaar van 19 september 2019 ongegrond is, hoefde het college geen nieuw besluit op bezwaar te nemen. Aan het besluit van 2 maart 2020 (I) is dan ook de grondslag komen te ontvallen. Gelet hierop moet dat besluit worden vernietigd.

14.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Besluit van 2 maart 2020 (II)

15.     Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag met aanvullende gegevens heeft het college bij besluit van 26 november 2019 geweigerd aan de Stichting een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van 80 zelfstandige studio's op het perceel.

Bij besluit van 2 maart 2020 (II) heeft het college het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

16.     De rechtbank heeft het beroep van de Stichting tegen het besluit van 2 maart 2020 (II) vanwege de samenhang met de hoger beroepen van de Stichting en het college ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

Vooringenomenheid

17.     De Stichting betoogt dat het college vooringenomen is en in strijd met het fair play beginsel handelt. Volgens de Stichting wil het college koste wat kost voorkomen dat de aangevraagde omgevingsvergunning verleend moet worden.

17.1.  Ter onderbouwing van haar betoog heeft de Stichting gewezen op verschillende lopende procedures tussen haar en het college en de handelwijze van het college in die procedures. Het is de Afdeling duidelijk dat de Stichting en het college in verschillende procedures lijnrecht tegenover elkaar staan. De Afdeling ziet echter geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat het college in deze procedure vooringenomen is. Het college heeft geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen, omdat volgens hem niet aan de wettelijke eisen wordt voldaan. Of het college zich terecht op dat standpunt heeft gesteld, kan de Stichting in deze procedure bestrijden.

Het betoog slaagt niet.

Hoor en wederhoor

18.     De Stichting betoogt dat het college ten onrechte weigert om met haar overleg te voeren over de aanvraag en haar ten onrechte niet in de gelegenheid stelt om te reageren op adviezen.

18.1.  Voor zover het betoog gaat over de fase voorafgaand aan het primaire besluit van 26 november 2019, faalt het. Zelfs als het college de Stichting in die fase ten onrechte niet de gelegenheid heeft geven om te reageren op bepaalde rapporten of adviezen, heeft zij die gelegenheid in bezwaar alsnog gekregen. Voor zover het betoog betrekking heeft op de bezwaarfase, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de Stichting meer gelegenheid had moeten krijgen om te reageren dan zij heeft gehad of dat het college meer overleg met de Stichting had moeten voeren. Ook hier geldt dat partijen simpelweg lijnrecht tegenover elkaar staan. In beroep heeft de Stichting de gelegenheid om de standpunten van het college en de daaraan ten grondslag liggende adviezen te bestrijden.

Het betoog slaagt niet.

Bestemmingsplan

19.     Het college heeft zich onder verwijzing naar het rapport van Cauberg Huygen van 20 november 2019 op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan de voorkeurswaarden van de Wgh en daarom in strijd is met het bestemmingsplan "Nijmegen West".

20.     De Stichting betoogt dat LBP SIGHT de berekeningen van Cauberg Huygen niet kan beoordelen, omdat Cauberg Huygen gebruik heeft gemaakt van een ander rekenprogramma.

20.1.  In de schriftelijke uiteenzetting heeft het college onder 5.10 en 5.11 toegelicht dat Cauberg Huygen een nadere toelichting op de berekeningen heeft gegeven aan LBP SIGHT en dat Cauberg Huygen en LBP SIGHT ook fysiek overleg hebben gehad. Daarnaast wijst het college erop dat de Stichting ook had kunnen kiezen voor een deskundige die wel beschikt over het door Cauberg Huygen gebruikte rekenprogramma. Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de berekeningen van Cauberg Huygen niet kunnen worden beoordeeld.

Het betoog slaagt niet.

21.     De Stichting betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het bouwplan niet voldoet aan de voorkeurswaarden van de Wgh. Onder verwijzing naar de notitie van LBP SIGHT van 20 maart 2020 voert de Stichting aan dat het college heeft miskend dat bij de beoordeling van de geluidsbelasting moet worden gekeken naar de gemiddelde geluidsbelasting in plaats van naar de hoogste geluidsbelasting op het te openen deel van de gevel.

21.1.  Uit de bespreking van het hoger beroep van het college volgt dat bij de beoordeling van de geluidsbelasting niet moet worden gekeken naar de gemiddelde geluidsbelasting, maar naar de hoogste geluidsbelasting op het te openen deel van de gevel. Dat heeft Cauberg Huygen gedaan in haar rapport van 20 maart 2020. Uit dat rapport volgt dat niet wordt voldaan aan de voorkeurswaarden van de Wgh. De door de Stichting overgelegde stukken bieden geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van het rapport van Cauberg Huygen, zodat de Afdeling geen aanleiding ziet om zelf een deskundige te benoemen, zoals de Stichting heeft verzocht. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674. Omdat niet wordt voldaan aan de voorkeurswaarden van de Wgh, is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

22.     De aanvraag is in strijd met het bestemmingsplan en de Stichting heeft de weigering van het college om van het bestemmingsplan af te wijken niet bestreden. Omdat het college alleen al vanwege de strijd met het bestemmingsplan de gevraagde omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd, hoeven de andere beroepsgronden van de Stichting niet meer te worden besproken.

Conclusie

23.     Het beroep tegen het besluit van 2 maart 2020 (II) is ongegrond.

24.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

I.        verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen gegrond;

II.       verklaart het hoger beroep van de Stichting Bewaar Wolfskuil ongegrond;

III.      vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 januari 2020 in zaak nr. 19/5643;

IV.      verklaart het door de Stichting Bewaar Wolfskuil bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

V.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 2 maart 2020, kenmerk JZ20/ Z19.050046/D200288409;

VI.      verklaart het beroep van de Stichting Bewaar Wolfskuil tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 2 maart 2020, kenmerk JZ20/Z19.065051/ D200288363, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2021

457

 

BIJLAGE - wettelijk kader

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 2:4

1 Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid.

2 Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden.

Artikel 4:5

1 Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

[…]

Bestemmingsplan "Nijmegen West"

Artikel 10.1

De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, bedrijven, kantoren, dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen, met dien verstande dat nieuwe geluidsgevoelige functies alleen zijn toegestaan voor zover voldaan wordt aan de Wet geluidhinder;

[…]

Artikel 10.2.1

Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd:

a. gebouwen en overkappingen;

b. bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde."

Artikel 10.2.2

De in artikel 10.2.1 genoemde bouwwerken zijn toegestaan voor zover voldaan wordt aan de volgende regels:

[…]

e. bij de realisering van de in deze bestemming toegelaten geluidsgevoelige bestemmingen en/of functies moet worden voldaan aan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Als de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeurswaarde mogen geluidsgevoelige bestemmingen en/of functies alleen worden gerealiseerd als voldaan wordt aan de van toepassing zijnde vastgestelde hogere waarde en de daarin opgenomen voorwaarden.

Wet geluidhinder

Artikel 1

[…]

gevel: bouwkundige constructie die een ruimte in een woning of gebouw scheidt van de buitenlucht, daaronder begrepen het dak;

[…]

Artikel 44

De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting vanwege het betrokken industrieterrein, van de gevel van woningen binnen een krachtens artikel 40 vast te stellen zone is, behoudens artikel 45, 50 dB(A).

Artikel 82

Behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde is de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB.

Artikel 110e

Onze Minister kan regels stellen omtrent al hetgeen betrekking heeft op de wijze waarop de akoestische onderzoeken, bedoeld in deze wet, worden uitgevoerd.

Reken en meetvoorschrift geluid 2012

Artikel 2.2

[…]

2 Indien de vaststelling van de geluidsbelasting in dB(A) vanwege een industrieterrein plaatsvindt ten behoeve van de vaststelling van de geluidsbelasting van de gevel van woningen, of andere geluidsgevoelige gebouwen, bevindt het immissiepunt zich op het punt van de gevel, waar de hoogste geluidsbelasting optreedt.

Artikel 5.2

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

[…]

equivalent geluidsniveau: gemiddelde geluidsniveau over lange termijn ten behoeve van de berekening van Lday, Levening en Lnight als bedoeld in bijlage I van richtlijn nr. 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PbEG L 189);

[…]

Regeling omgevingsrecht

Artikel 2.2

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012:

1. uit het oogpunt van veiligheid:

[…]

f. de brandcompartimentering. De opgave bevat tevens gegevens betreffende deuren en daglichtopeningen in uitwendige scheidingsconstructies. Voor zover van belang voor het vluchten bij brand, worden tevens de deuren en daglichtopeningen in inwendige scheidingsconstructies opgegeven;

[…]

Artikel 2.3

In of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit verstrekt de aanvrager de volgende gegevens en bescheiden ten behoeve van de toetsing aan het bestemmingsplan of de beheersverordening, en, voor zover van toepassing, de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening:

[…]

h. overige gegevens en bescheiden welke samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan een bestemmingsplan, beheersverordening dan wel een besluit als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

[…]