Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1778

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-08-2021
Datum publicatie
12-08-2021
Zaaknummer
202102092/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 1 juli 2021 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 9 februari 2021 heeft ingetrokken en dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale asielprocedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) is verstreken. In reactie daarop heeft de vreemdeling laten weten dat hij het hoger beroep intrekt en heeft hij de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202102092/1/V3.

Datum uitspraak: 9 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van:

[de vreemdeling],

verzoeker,

om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:75a van de Awb).

Procesverloop

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D.S. Harhangi-Asarfi, advocaat te Rotterdam, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 maart 2021 in zaak nr. NL21.2038.

De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.

De vreemdeling heeft het hoger beroep ingetrokken en de Afdeling verzocht om de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       Bij brief van 1 juli 2021 heeft de staatssecretaris aan de Afdeling laten weten dat hij het besluit van 9 februari 2021 heeft ingetrokken en dat de asielaanvraag van de vreemdeling in de nationale asielprocedure zal worden behandeld, omdat de overdrachtstermijn als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening (PB 2013, L 180) is verstreken. In reactie daarop heeft de vreemdeling laten weten dat hij het hoger beroep intrekt en heeft hij de Afdeling verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten.

2.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 8 april 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1084) en 5 augustus 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1855) kan aanleiding bestaan de staatsecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen als hij aan de vreemdeling tegemoetgekomen is. Het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag is geen tegemoetkoming, maar louter een gevolg van tijdsverloop.

3.       Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Schipper

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2021

765-945