Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
202103549/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

[verzoeker] heeft op grond van artikel 8:55f van de Awb beroep ingesteld tegen het uitblijven van de bekendmaking van een volgens hem van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. [verzoeker] is eigenaar van het perceel [locatie] in Weesp. Het perceel is gelegen aan de Vecht in een bebouwingslint ten zuidoosten van de kern van Weesp. Op grond van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Weesp" rust op het perceel de enkelbestemming "Wonen". Op het perceel staat echter geen woning, maar alleen een bijgebouw, omdat het perceel is afgesplitst van een ander perceel waarop wel een woning staat. Op 16 januari 2020 heeft [verzoeker] een omgevingsvergunning aangevraagd om in strijd met het bestemmingsplan het bijgebouw op het perceel als recreatieverblijf te kunnen gebruiken. Bij brief van 22 mei 2020 heeft [verzoeker] het college van burgemeester en wethouders van Weesp te kennen gegeven dat de door hem aangevraagde omgevingsvergunning inmiddels van rechtswege is verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202103549/2/R4.

Datum uitspraak: 11 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 mei 2021 in zaak nr. 20/2350 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weesp.

Procesverloop

[verzoeker] heeft op grond van artikel 8:55f van de Awb beroep ingesteld tegen het uitblijven van de bekendmaking van een volgens hem van rechtswege gegeven omgevingsvergunning.

Bij uitspraak van 26 mei 2021 heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[verzoeker] heeft een nader stuk ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 22 juli 2021, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. M. Gideonse, advocaat te Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door H. de Groot en mr. K. Baoubo, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.       [verzoeker] is eigenaar van het perceel [locatie] in Weesp (hierna: het perceel). Het perceel is gelegen aan de Vecht in een bebouwingslint ten zuidoosten van de kern van Weesp. Op grond van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Weesp" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de enkelbestemming "Wonen". Op het perceel staat echter geen woning, maar alleen een bijgebouw, omdat het perceel is afgesplitst van een ander perceel waarop wel een woning staat. Op 16 januari 2020 heeft [verzoeker] een omgevingsvergunning aangevraagd om in strijd met het bestemmingsplan het bijgebouw op het perceel als recreatieverblijf te kunnen gebruiken. Bij brief van 22 mei 2020 heeft [verzoeker] het college te kennen gegeven dat de door hem aangevraagde omgevingsvergunning inmiddels van rechtswege is verleend. Bij die brief heeft [verzoeker] het college ook in gebreke gesteld, omdat het college die verlening van rechtswege in strijd met artikel 4:20d, eerste lid, van de Awb nog niet heeft bekendgemaakt. Omdat het college niet op die brief heeft gereageerd, heeft [verzoeker] op grond van artikel 8:55f van de Awb beroep bij de rechtbank ingesteld en de rechtbank verzocht de hoogte van de door het college verbeurde dwangsom vast te stellen. De rechtbank heeft dat beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is niet van rechtswege een omgevingsvergunning verleend, omdat op de aanvraag, anders dan [verzoeker] stelt, niet de reguliere, maar de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. De rechtbank heeft daarbij bepalend geacht dat artikel 4, aanhef en onder negen, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht in dit geval niet van toepassing is, omdat het perceel buiten de bebouwde kom ligt en niet wordt voldaan aan de in die bepaling gestelde vereisten. Omdat geen sprake is van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning heeft het college terecht geweigerd een zodanige vergunning bekend te maken en heeft het college geen dwangsom verbeurd als bedoeld in artikel 4:20d, eerste lid, van de Awb, aldus de rechtbank.

Een beslissing op de aanvraag wordt door het college voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure.

3.       [verzoeker] heeft het bijgebouw op het perceel inmiddels voorzien van een nieuwe overkapping en zijaanbouw. Omdat die bouwwerken naar het oordeel van het college door voormelde afsplitsing van het perceel niet dienstbaar zijn aan de bestemming "Wonen", heeft het college op 11 mei 2021 bekend gemaakt dat het voornemens is [verzoeker] onder oplegging van een dwangsom te gelasten die nieuwe overkapping en zijaanbouw af te breken.

4.       Met het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening wil [verzoeker] bereiken dat de voorzieningenrechter een oordeel geeft over de vraag of het perceel binnen de bebouwde ligt. Gelet op het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom en de omstandigheid dat nog steeds niet op zijn aanvraag is beslist, heeft hij een spoedeisend belang bij een zodanig oordeel, aldus [verzoeker].

5.       Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft het college te kennen gegeven dat hangende de bodemprocedure niet tot handhaving zal worden overgegaan. [verzoeker] heeft zich op het standpunt gesteld dat die toezegging niet afdoet aan de door hem gestelde spoed, omdat het college hangende de hoofdzaak door derden zou kunnen worden gedwongen tot handhaving over te gaan. Ter zitting is komen vast te staan dat het college geen verzoek om handhaving heeft ontvangen.

6.       De voorzieningenrechter is van oordeel dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat met het uitblijven van de bekendmaking van de omgevingsvergunning, die volgens [verzoeker] van rechtswege is gegeven, een spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. Voor zover hangende de bodemprocedure een verzoek om handhaving wordt gedaan en het college besluit alsnog tot handhaving over te gaan, staat het [verzoeker] vrij om in die handhavingsprocedure een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening in te dienen.

7.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. 

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2021

610.