Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1763

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
04-08-2021
Zaaknummer
202001557/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2019 heeft de raad van de gemeente Vaals het bestemmingsplan "Cottessen 10c" vastgesteld. Het plan voorziet in de uitbreiding van de boerderijcamping Vakantiehoeve Bellet op het perceel Cottessen 10c in Vijlen. Met het plan wordt het aantal toegestane kampeerplaatsen verhoogd van 15 naar 20 kampeerplaatsen. Het voornemen is om 2 vaste en 3 flexibele kampeerplaatsen te realiseren. Het plan wijzigt de bestemming van de gronden. Verder voorziet het plan in een parkeerterrein, 2 bedrijfswoningen, een recreatiewoning en natuur. [appellant] is eigenaar van 3 gezinswoningen en 2 vakantiewoningen op de aangrenzende percelen ten zuiden van het plangebied. Het betreft onder meer woningen in een deel van de hoeve, waarvan het andere deel tot de camping behoort. [appellant] woont in een woning op het aangrenzende perceel [locatie A]. Hij vreest dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woningen en de natuurwaarden in de omgeving door het plan worden aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001557/1/R2.

Datum uitspraak: 4 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Vijlen, gemeente Vaals,

appellant,

en

de raad van de gemeente Vaals,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Cottessen 10c" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad, [appellant] en [partijen] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [partij]) hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 april 2021, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. S. Pieters en mr. T. Keulders, zijn verschenen. Verder is [partij], bijgestaan door mr. P.H.J. Soogelee, rechtsbijstandverlener te Voerendaal, als partij gehoord.

De raad en [partij] hebben ter zitting nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant] schriftelijk gereageerd op de ter zitting ingediende nadere stukken van de raad en [partij].

Conform wat ter zitting is afgestemd, is vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wettelijke bepalingen en planregels

1.       De voor deze zaak relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de uitspraak of in de bij deze uitspraak behorende bijlage.

Inleiding

2.       Het plan voorziet in de uitbreiding van de boerderijcamping Vakantiehoeve Bellet op het perceel Cottessen 10c in Vijlen. Met het plan wordt het aantal toegestane kampeerplaatsen verhoogd van 15 naar 20 kampeerplaatsen. Het voornemen is om 2 vaste en 3 flexibele kampeerplaatsen te realiseren. Het plan wijzigt de bestemming van de gronden waarop de kampeerplaatsen zijn voorzien van "Agrarisch met waarden - Natuur en landschap" naar "Recreatie". Verder voorziet het plan in een parkeerterrein, 2 bedrijfswoningen, een recreatiewoning en natuur.

Ter compensatie van groenverlies als gevolg van de voorziene ontwikkeling maakt het plan de aanleg van nieuwe natuur met een oppervlakte van ongeveer 3.600 m2 op een afstand van ongeveer 90 m ten noordoosten van de camping mogelijk.

[appellant] is eigenaar van 3 gezinswoningen en 2 vakantiewoningen op de aangrenzende percelen ten zuiden van het plangebied. Het betreft onder meer woningen in een deel van de hoeve, waarvan het andere deel tot de camping behoort. [appellant] woont in een woning op het aangrenzende perceel [locatie A]. Hij vreest dat het woon- en leefklimaat ter plaatse van zijn woningen en de natuurwaarden in de omgeving door het plan worden aangetast.

Ingetrokken beroepsgrond

3.       [appellant] heeft op de zitting de beroepsgrond ingetrokken over de vraag of de geldende geluidnormen ter plaatse van zijn woning worden overschreden.

Goede procesorde

4.       [partij], de initiatiefnemer, heeft aangevoerd dat de door [appellant] op 31 maart 2021 ingediende nadere stukken dusdanig complex en omvangrijk zijn, dat het indienen daarvan op zo een korte termijn voor de zitting in strijd moet worden geacht met de goede procesorde.

4.1.    Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), nieuwe gronden worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. De goede procesorde laat het indienen van een nieuwe beroepsgrond niet toe als andere partijen onvoldoende op die beroepsgrond kunnen reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor wordt belemmerd.

Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nieuwe argumenten worden aangevoerd en stukken, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval als die argumenten, gegevens of stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor wordt belemmerd.

4.2.    [appellant] heeft op 31 maart 2021, dertien dagen voor zitting, nadere stukken ingediend waarbij het beroep is aangevuld met nieuwe beroepsgronden, argumenten en meerdere bijlagen, waaronder een nieuwe AERIUS-berekening. [partij] heeft deze nadere stukken op dezelfde datum ontvangen. De Afdeling overweegt dat de door [appellant] aangevoerde argumenten over de gevolgen voor het Natura 2000-gebied Geuldal en de nieuwe AERIUS-berekening die in dat kader is opgesteld, in het verlengde liggen van hetgeen [appellant] eerder heeft aangevoerd en waarover [partij] een schriftelijke uiteenzetting heeft kunnen geven. Voor het overige zijn de aanvullende beroepsgronden, argumenten en bijlagen naar het oordeel van de Afdeling niet zodanig complex of omvangrijk dat [partij] daarop ter zitting niet voldoende heeft kunnen reageren. Onder deze omstandigheden laat de Afdeling deze nadere stukken dan ook niet wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing.

Toetsingskader

5.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Bestemmingsplan "Buitengebied 2013"

6.       [appellant] betoogt dat vaststelling van het plan in strijd is met artikel 4.6.4 en artikel 4.6.5 van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013". De raad heeft niet onderkend dat het plan in strijd is met de in die bepalingen opgenomen gebruiksregels en afwijkingsbevoegdheid.

6.1.    Ter plaatse gold voorheen het bestemmingsplan "Buitengebied 2013", vastgesteld door de raad op 29 juni 2015. In het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" was aan de gronden in het plangebied onder meer de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en landschap" toegekend. Op grond van deze bestemming was een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. Ook waren de aanduiding "paardenhouderij" en de aanduiding "kampeerboerderij" aan een deel van de gronden toegekend. Ingevolge artikel 4.1, aanhef en onder i, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" was op gronden ter plaatse van de aanduiding "kampeerboerderij" verblijfsrecreatie in de vorm van kamperen op de boerderij toegestaan met maximaal 15 kampeermiddelen tijdens de periode 15 maart tot en met 31 oktober. In artikel 4.6.4 van de planregels was een bevoegdheid opgenomen om, in afwijking van artikel 4.1 van de planregels, een omgevingsvergunning te verlenen voor het toestaan van maximaal 20 kampeerplaatsen. Aan die bevoegdheid was onder meer de voorwaarde verbonden dat de activiteiten onderschikt dienen te zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten. Verder bevatte artikel 4.6.5 van de planregels een bevoegdheid voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het vergroten van de oppervlakte aan verblijfsrecreatie ten behoeve van het kamperen op de boerderij.

6.2.    In het voorliggende bestemmingsplan "Cottessen 10c" zijn aan de gronden van het plangebied de bestemming "Recreatie", voor zover het de gronden van de camping betreft, en "Natuur" toegekend. Binnen de bestemming "Recreatie" zijn onder meer de aanduidingen "kampeerterrein", "recreatiewoning", "specifieke vorm van recreatie - seizoenskamperen" en "parkeren" toegekend.

In de plantoelichting van het bestemmingsplan "Cottessen 10c" staat dat geen gebruik kan worden gemaakt van de bevoegdheid als opgenomen in artikel 4.6.4 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" vanwege de ligging in een natuurgebied. Ook heeft de raad toegelicht dat niet zal kunnen worden voldaan aan het vereiste van ondergeschiktheid, omdat de agrarische activiteiten in de afgelopen jaren zijn afgebouwd.

Het handhaven van de agrarische bestemming doet volgens de raad geen recht aan de bestaande situatie ter plaatse. De raad heeft ook waarde gehecht aan de kleinschaligheid van de voorziene ontwikkeling. De kleinschaligheid is gelegen in enerzijds het aantal kampeerplaatsen en anderzijds het seizoensgebonden karakter van de voorziene recreatie. Daarmee heeft de raad beoogd zoveel mogelijk aan te sluiten bij de bestaande situatie. Verder is volgens de raad destijds per abuis de aanduiding "paardenhouderij" toegekend, want van een productiegerichte paardenhouderij is nooit sprake geweest. De raad heeft op grond van deze overwegingen een geheel nieuw plan vastgesteld.

6.3.    In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In zoverre heeft de raad ook ruimte om ontwikkelingen toe te staan zonder dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4.6.4 en artikel 4.6.5 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013". Met voorbijgaan aan de bevoegdheden als bedoeld in voornoemde planregels en de daarbij aan de orde komende voorwaarden heeft de raad bij het bestreden besluit een nieuw plan vastgesteld. Aan de hand van de overige beroepsgronden zal de Afdeling in het vervolg van deze uitspraak beoordelen of de raad dit plan heeft mogen vaststellen.

Overigens golden - anders dan [appellant] betoogt - de voorwaarden als bedoeld in artikel 4.6.4 en artikel 4.6.5 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013", waaronder een gebod om het kamperen op de boerderij te beëindigen bij beëindiging van het agrarische bedrijf, alleen voor een kamperen op de boerderij-ontwikkeling in de vorm van bijvoorbeeld een uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen van 15 naar 20, die bij toepassing van de bevoegdheid, als opgenomen in die artikelen, mogelijk is gemaakt. Voor de in artikel 4.1 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" bij recht toegestane 15 kampeerplaatsen golden die voorwaarden niet. Bij de beoordeling van de gevolgen van de uitbreiding van de camping is de raad er dan ook terecht van uitgegaan dat het bestreden plan leidt tot een toename van 5 kampeerplaatsen ten opzichte van het aantal kampeerplaatsen, waarin het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" reeds bij recht voorzag.

Het betoog faalt.

Behoefte aan permanente vestiging

7.       [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat er behoefte is aan de in het plan voorziene permanente vestiging van een camping. In het buitengebied van Vaals bestaan al 3 grote campings en 7 boerderijcampings. Bovendien leidt het plan volgens [appellant] tot precedentwerking om andere boerderijcampings - waar de kampeerfunctie ondergeschikt is aan de agrarische functie - in het buitengebied te wijzigen naar een camping met een permanent karakter.

7.1.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus dat hij met "permanente vestiging" bedoelt dat het kamperen op de boerderij niet hoeft te worden beëindigd bij beëindiging van het agrarische bedrijf. Zoals hiervoor is overwogen gold deze voorwaarde in het bestemmingsplan "Buitengebied 2013" al niet voor de in dat plan bij recht toegestane 15 kampeerplaatsen. Het plan voorziet in 5 extra kampeerplaatsen waarvoor een dergelijke voorwaarde ook niet geldt.

In de plantoelichting is beschreven dat de bestaande boerderijcamping een goede reputatie geniet. Om die reputatie te behouden is het noodzakelijk om het aantal kampeerplaatsen uit te breiden van 15 naar 20, aldus de plantoelichting. De Afdeling acht aannemelijk dat er behoefte bestaat, althans binnen afzienbare tijd zal bestaan aan deze extra plaatsen. Verder doet, zoals hiervoor is overwogen, de voorheen geldende agrarische bestemming volgens de raad geen recht meer aan de bestaande situatie en bestaat daardoor in het licht van het voorgaande planologische regime geen mogelijkheid om een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen mogelijk te maken. Gelet daarop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat binnen afzienbare tijd behoefte bestaat aan de voorgenomen ontwikkeling. Vanwege de beperkte omvang van de voorziene uitbreiding en omdat niet is gebleken van andere gevallen in de omgeving waarbij zich een vergelijkbare situatie voordoet, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling ook geen gevaar voor precedentwerking behoeven aan te nemen.

Het betoog faalt.

Omgevingsverordening Limburg 2014

8.       [appellant] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2.6.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (hierna: de Verordening), omdat het plan voorziet in nieuwe activiteiten die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten. Er wordt niet voldaan aan de uitzonderingen als genoemd in de Verordening. De raad heeft ter compensatie van het natuurverlies ter grootte van een oppervlakte van 29 m2 binnen de Goudgroene natuurzone ten onrechte een herbegrenzingsovereenkomst gesloten, op grond waarvan [partij] verplicht is nieuwe natuur aan te leggen ten oosten van de camping. De gronden waarop de nieuwe natuur is voorzien zijn immers al sinds 27 september 2018 aangewezen als gerealiseerde natuur op grond van de Provinciale Subsidieregeling Natuurbeheer.

8.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het plan leidt tot een kwalitatieve versterking van de Goudgroene natuurzone. Verder wijst de raad op het oordeel van het provinciebestuur van Limburg dat sprake is van een kleinschalige ontwikkeling. Volgens de raad vormt een dergelijke ontwikkeling een uitzondering op het principe dat geen inbreuk is toegestaan op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone.

8.2.    Artikel 2.6.2 van de Verordening (Bescherming Goudgroene natuurzone) luidt: "Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten."

Artikel 2.6.5 van de Verordening (Kleinschalige ingrepen) luidt:

"1. Het verbod van artikel 2.6.2 is niet van toepassing op een individuele, kleinschalige ingreep die leidt tot een verbetering van de Goudgroene natuurzone in het desbetreffende gebied.

2. Toepassing van het eerste lid vindt alleen plaats indien uit het ruimtelijk plan blijkt dat:

a. de voorgestelde ingreep slechts leidt tot een beperkte aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van de Goudgroene natuurzone in het desbetreffende gebied;

b. de voorgestelde ingreep leidt tot een kwalitatieve versterking van de Goudgroene natuurzone;

c. de oppervlakte natuur van de Goudgroene natuurzone ten minste gelijk blijft, en

d. de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van de Goudgroene natuurzone."

8.3.    De Afdeling stelt vast dat de bedoelde gronden binnen het plangebied met een oppervlakte van 29 m2 zijn gelegen binnen de Goudgroene natuurzone als bedoeld in de Verordening. De gronden zijn feitelijk in gebruik als grasland en grenzen direct aan de camping.

8.4.    Het plan lijkt in strijd met artikel 2.6.2 van de Verordening. Echter, ter compensatie van het natuurverlies heeft de gemeente met de provincie Limburg en [partij] een herbegrenzingsovereenkomst gesloten. Op grond van die overeenkomst is [partij] verplicht het natuurverlies te compenseren door op een afstand van ongeveer 90 m ten noordoosten van de campinglocatie gronden met een oppervlakte van 3.571 m2 als natuur te beheren. In het plan is de bestemming van die gronden gewijzigd van "Agrarisch met waarden - Natuur en landschap" naar "Natuur". In de plantoelichting heeft de raad uiteengezet dat dit leidt tot versterking van de natuurwaarden ter plaatse. De landbouwgronden worden omgevormd tot vochtig hooiland. Daarvoor zijn het "Beheerplan/-richtlijnen. Omvorming landouwgrond naar vochtig hooiland" van juni 2014 opgesteld door Bosgroep Zuid Nederland, in opdracht van [partij] (hierna: het beheerplan). Het beheerplan voor de omvorming naar het beheertype vochtig hooiland is bijgevoegd als bijlage 8 bij de plantoelichting. Door de voorgeschreven wijze van beheer ontstaan diverse positieve ontwikkelingen voor de natuur ter plaatse. Ter zitting heeft de raad daarbij nog toegelicht dat het agrarisch gebruik is gestaakt.

Gelet op het voorgaande, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat sprake is van een kleinschalige ingreep waarvoor het plan waarborgt dat deze leidt tot een kwalitatieve versterking van de Goudgroene natuurzone en dat ook aan de overige in artikel 2.6.5 van de Verordening genoemde voorwaarden is voldaan. De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn stelling dat de desbetreffende gronden eerder waren aangewezen als natuur en om die reden niet als compensatie voor natuurverlies kunnen worden aangemerkt. De door [appellant] bedoelde  overeenkomst op grond van de Provinciale Subsidieregeling Natuurbeheer behelst niet de planologische situatie ter plaatse. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met artikel 2.6.2 van de Verordening.

Het betoog faalt.

Intergemeentelijke Structuurvisie Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul

9.       [appellant] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met de Intergemeentelijke Structuurvisie Gulpen-Wittem, Vaals en Valkenburg aan de Geul (hierna: de Structuurvisie). Hij brengt in dit verband naar voren dat het aanbrengen van nieuwe verhardingen ten behoeve van de camping volgends de Structuurvisie moet worden gecompenseerd door het aanleggen van nieuwe natuur in de verhouding 1:5. Het plan maakt 1.421 m2 aan verharding mogelijk, zodat volgens de Structuurvisie 7.155 m2 nieuwe natuur moet worden aangelegd. Het plan voorziet echter in 3.571 m2 nieuwe natuur. De raad heeft volgens [appellant] ten onrechte een factor van 1:2,5 nieuwe natuur aanvaardbaar geacht. Hij wijst erop dat de Stichting Kwaliteitscommissie Limburg negatief heeft geadviseerd om van de factor 1:5 af te wijken.

9.1.    De Structuurvisie is van toepassing op ontwikkelingen buiten de rode contouren van de gemeenten. Het plangebied ligt in het buitengebied en buiten de rode contouren, zodat de Structuurvisie op de voorgenomen ontwikkeling van toepassing is. De raad heeft toepassing gegeven aan het "Limburgs Kwaliteitsmenu", opgenomen in hoofdstuk 4 van de Structuurvisie. Daaruit volgt onder meer dat de voorgenomen ontwikkeling per saldo moet leiden tot een kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Anderzijds dient er compensatie van het verlies aan omgevingskwaliteit plaats te vinden elders in het buitengebied, indien er sprake is van niet gebiedseigen functies of grootschalige gebiedseigen functies. In het Limburgs Kwaliteitsmenu wordt een camping aangemerkt als "gebiedseigen recreatie en toerisme". Dit is alleen met maatwerk mogelijk. Voor gebiedseigen recreatie en toerisme worden als kwaliteitsverbeterende maatregelen genoemd de sloop van bestaande opstallen, landschappelijke inpassing conform Landschapsvisie Zuid-Limburg en het aanleggen van nieuw groen met een factor van 1:5 ten opzichte van verharde en bebouwde oppervlakten. De raad heeft toegelicht dat aan de Structuurvisie wordt voldaan, maar dat wordt afgeweken van de factor van 1:5. In de plaats daarvan wordt een factor van 1:2,5 gehanteerd. De Stichting Kwaliteitscommissie Limburg heeft een negatief advies uitgebracht om de aanleg van halfverharding te compenseren met een factor van 1:2,5 in plaats van 1:5

De raad heeft er desondanks voor gekozen om de factor van 1:2,5 te hanteren. De raad hecht in dit verband waarde aan de omstandigheid dat de verharding in dit geval halfverharding is en welke verharding een minder grote impact op de omgeving heeft dan bijvoorbeeld dakverharding of asfaltverharding. Ook stelt de raad dat het plan voorziet in de aanleg van nieuwe natuur met een oppervlakte van 5.976 m2. Verder heeft de raad van belang geacht dat het plan een voortzetting is van een bestaande voorziening met hetzelfde ruimtebeslag.

Gelet op de door de raad naar voren gebrachte motivering, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad in zoverre in redelijkheid van de Structuurvisie heeft kunnen afwijken. Het betoog faalt.

Landschappelijke waarden; dorpsgezicht

10.     [appellant] betoogt dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarden ter plaatse onaanvaardbaar worden aangetast door het plan. Hij stelt in dit verband dat het ondergeschikte karakter van de camping aan het voorheen gevestigde agrarische bedrijf door het plan wijzigt naar een volwaardige camping met een permanent karakter. Ook is het aanleggen van halfverharde paden in strijd met de bestemming "Waarde - beschermd dorpsgezicht".

10.1.  In de plantoelichting is als uitgangspunt van het plan beschreven dat het waardevolle en karakteristieke omliggende landschap wordt behouden en het plan goed aansluit op het cultuurhistorische ensemble van de bestaande hoeve en boerderijcamping. Voor een goede landschappelijke inpassing van de voorgenomen ontwikkeling is het "Landschapsplan Camping Hoeve Bellet Cottessen" van 13 november 2019 opgesteld door adviesbureau Pouderoyen Compagnons, in opdracht van [partij] (hierna: het landschapsplan). Het landschapsplan is als bijlage 1 bij de planregels gevoegd. In het landschapsplan is opgenomen dat de kampeerplaatsen worden omringd door een geschoren beukenhaag met een hoogte van minimaal 1 m. Dit type haag sluit aan op het omliggende landschap. Ook zorgt het ervoor dat de caravans en campers niet kaal in het landschap komen te liggen. Verder worden er diverse soorten beplantingen aangeplant. Hierdoor wordt het karakteristieke rasterpatroon van de boomgaard in stand gehouden en een zichtas gecreëerd vanaf de hoger gelegen weg ten noordoosten van het plangebied naar de hoeve. Er wordt ook 129 m2 halfverharding in de vorm van grasbetontegels gerealiseerd ten behoeve van 2 permanente kampeerplaatsen, parkeerruimte en een pad richting de plaatsen. De parkeerplaatsen worden ook omringd door geschoren beukenhagen.

10.2.  Artikel 4.4.2 van de planregels luidt: "Het bouwen op, verharden van en het (doen/laten) gebruik(en) van gronden binnen de bestemming "Recreatie", is uitsluitend toegestaan op voorwaarde dat de landschappelijke inpassing van het plangebied, welke is weergegeven in het landschapsplan in Bijlage 1 van deze regels, uiterlijk 1 jaar na het onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan is uitgevoerd en kwalitatief en kwantitatief in stand wordt gehouden.

Onder landschapsplan wordt in deze planregels verstaan het "Landschapsplan Camping Hoeve Bellet Cottessen", opgesteld door Bureau Pouderoyen Compagnons met kenmerk M154730 en gedateerd 13 november 2019 (Bijlage 1 bij de regels)."

Artikel 7.4.1, aanhef en onder a, van de planregels luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

a. het aanleggen, verharden of wijzigen van wegen, paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; […]."

Artikel 7.4.3 van de planregels luidt: "Een in 7.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien:

a. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de waarden van het beschermd dorpsgezicht;

b. met het oog op een zorgvuldige afweging door Burgemeester en wethouders advies is ingewonnen bij de gemeentelijke Welstands-/ Monumentencommissie."

10.3.  Gelet op de toename van maximaal 5 kampeerplaatsen en de in het landschapsplan genoemde maatregelen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de landschappelijke en cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied niet onevenredig worden aangetast door het plan. Daarbij is van belang dat met het opnemen van de voorwaardelijke verplichting in artikel 4.4.2 van de planregels is gewaarborgd dat het landschapsplan wordt uitgevoerd en in stand gehouden. Onder deze omstandigheden heeft de raad zich ook niet op voorhand in redelijkheid op het standpunt hoeven stellen dat voor het aanleggen of verharden van paden of parkeergelegenheden geen omgevingsvergunning zal kunnen worden verleend, in welk geval niet aan de voorwaardelijke verplichting zou worden voldaan en het plan om die reden niet uitvoerbaar zou moeten worden geacht.

Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat

11.     [appellant] betoogt dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties. Hij stelt in dat verband dat de camping bereikbaar is via een eenbaansweg, maar deze weg is te smal voor auto's met een caravan of campers. Het plan voorziet niet in een goede infrastructuur om het verkeer op een veilige manier af te wikkelen.

Ook is de bewegwijzering voor bezoekers van de camping onvoldoende geregeld, waardoor bezoekers voor de woning van [appellant] parkeren en op die manier overlast veroorzaken.

11.1.  In de plantoelichting staat dat voor de beoordeling van de verkeersaantrekkende werking als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling gebruik is gemaakt van de CROW-publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (hierna: de CROW-kencijfers). In de CROW-kencijfers is voor een camping de verkeersgeneratie bepaald op 0,4 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal) per standplaats. De uitbreiding van 5 kampeerplaatsen leidt volgens deze cijfers tot een totale toename van 2 mvt/etmaal. De raad heeft toegelicht dat de CROW-kencijfers als laag worden ervaren, omdat de camping niet beschikt over een campingwinkel en bezoekers daarom zijn aangewezen op de voorzieningen in Vaals en Vijlen. De raad is om die reden uitgegaan van 2 mvt/etmaal per standplaats en een totale toename van 10 mvt/etmaal als gevolg van het plan. Volgens de raad kan het verkeer op verantwoorde en veilige wijze via de bestaande wegenstructuur worden afgewikkeld.

Voor de beoordeling van de parkeerbehoefte heeft de raad eveneens gebruik gemaakt van de CROW-kencijfers. Op basis hiervan is de raad uitgegaan van minimaal 1,1 parkeerplaats per standplaats. Een camping met maximaal 20 standplaatsen dient volgens de raad te beschikken over minimaal 22 parkeerplaatsen. In de bestaande situatie zijn al 21 parkeerplaatsen aanwezig. Het plan voorziet in 3 nieuwe parkeerplaatsen en daarmee in totaal 24 parkeerplaatsen.

De Afdeling overweegt dat de toename van het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte als gevolg van het plan beperkt is. Ter zitting heeft de raad ook toegelicht dat in het plangebied voldoende ruimte beschikbaar is om het verkeer veilig af te wikkelen en waar de nieuwe parkeerplaatsen mogen worden aangelegd.

Voor zover [appellant] stelt dat de situatie ter plaatse onduidelijk is voor bezoekers van de camping, is de Afdeling van oordeel dat plaatsing van bewegwijzering ziet op de uitvoering van het plan. Uitvoeringskwesties kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Niet gebleken is dat het plan eraan in de weg staat dat de bewegwijzering ter plaatse wordt verbeterd, waardoor voor bezoekers van de camping duidelijk is waar de parkeervoorzieningen zich bevinden. Overigens staat er in de plantoelichting dat de entree naar de camping zal worden verbeterd door het plaatsen van een extra bord met verwijzing naar de ligging van de receptie en dat in de reserveringsbevestiging zal worden opgenomen dat bezoekers bij aankomst moeten doorrijden naar de receptie.

Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot verkeersonveilige situaties dan wel een onaanvaardbare parkeersituatie in het plangebied en de omgeving ervan.

Het betoog faalt.

Stiltegebied

12.     [appellant] betoogt dat het plan niet uitvoerbaar is, omdat de nieuwvestiging van een camping in strijd is met de gebiedsaanduiding "milieuzone - stiltegebied" en in verband daarmee met artikel 16.2, aanhef en onder c, van de planregels.

12.1.  Aan de gronden in het plangebied is in het plan de gebiedsaanduiding "milieuzone - stiltegebied" toegekend.

Artikel 16.2, aanhef en onder c, van de planregels luidt: "Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - stiltegebied' zijn geen nieuwe ontwikkelingen toegelaten die het natuurlijk heersende geluidsniveau van 40 dB(A) structureel aantasten. Dit betekent in ieder geval dat onderstaande functies niet zijn toegestaan:

[…] c. nieuwvestiging van niet-agrarische bedrijvigheid; […]."

12.2.  Het plan voorziet in de uitbreiding van een bestaande camping. Anders dan [appellant] stelt, is dat geen nieuwvestiging in de zin van artikel 16.2, aanhef en onder c, van de planregels. De raad heeft verder gesteld dat de geluidstoename als gevolg van de uitbreiding met 5 kampeerplaatsen gering is. Daarover heeft de raad toegelicht dat de camping zich richt op rustzoekende verblijfsrecreanten. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is vanwege de gebiedsaanduiding voor een stiltezone.

Het betoog faalt.

Evidente privaatrechtelijke belemmering?

13.     [appellant] betoogt dat zijn erfdienstbaarheid van weg onevenredig wordt verzwaard door verwezenlijking van het plan. De bestemming, exploitatie en inrichting van het heersend erf zijn compleet gewijzigd en de wijze van uitoefening is daardoor aanzienlijk geïntensiveerd. Dit moet volgens [appellant] worden gezien als een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 5:78, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW). [appellant] verwijst in dit verband ook naar een passage uit een akte van splitsing van 31 december 1991, waar de erfdienstbaarheid is vastgelegd.

13.1.  Artikel 5:78, aanhef en onder a, van het BW luidt: "De rechter kan op vordering van de eigenaar van het dienende erf een erfdienstbaarheid wijzigen of opheffen:

op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de erfdienstbaarheid niet van de eigenaar van het dienende erf kan worden gevergd: […]."

13.2.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel van de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg staat, alleen aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit, waarbij de bewijslast wordt beheerst door de in die procedure geldende regels. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957.

De aanwezigheid van een zakelijk recht, zoals een erfdienstbaarheid, is in beginsel voor de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan niet doorslaggevend. Dit is slechts anders indien zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het plan leidt tot strijd met de zakelijke rechten en tevens vaststaat dat niet tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3227.

13.3.  De erfdienstbaarheid heeft betrekking op de toegangsweg tot de hoeve. De toegangsweg is deels eigendom van [appellant] en deels van [partij], waarbij wederzijds erfdienstbaarheden zijn gevestigd. De omstandigheid dat volgens [appellant] de erfdienstbaarheid, waarmee zijn weggedeelte is belast, wordt verzwaard, doordat bezoekers van de camping rijden of parkeren op het weggedeelte dat eigendom is van [appellant], is naar het oordeel van de Afdeling geen evidente privaatrechtelijke belemmering. Het staat immers ter beoordeling van de burgerlijke rechter of [appellant] op grond hiervan met succes wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid op zijn gronden kan vorderen. Dit betekent dat geen sprake is van een situatie dat zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat het plan leidt tot strijd met zakelijke rechten en waarin vaststaat dat niet tot opheffing van het zakelijk recht kan worden overgegaan.

Het betoog faalt.

Financiële schade

14.     [appellant] betoogt dat verwezenlijking van het plan leidt tot waardedaling van zijn woningen. De raad heeft onvoldoende rekening gehouden met deze nadelige financiële gevolgen.

14.1.  Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

Gevolgen voor het Natura 2000-gebied Geuldal

15.     [appellant] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb), omdat de raad geen passende beoordeling heeft gemaakt van de gevolgen van het plan voor het Natura 2000-gebied Geuldal. Hij stelt dat het plan significante gevolgen heeft voor dat natuurgebied.

[appellant] voert aan dat het onderzoek dat in dit verband aan het plan ten grondslag is gelegd, niet door een objectieve deskundige is verricht. De "Voortoets Natura 2000 Wet natuurbescherming Cottessen 10c gemeente Vaals" van 6 december 2019 is opgesteld door adviesbureau Ecoplanning, in opdracht van [partij] (hierna: de Voortoets). Daarmee is volgens [appellant] geen sprake van onafhankelijk onderzoek. De raad is ten onrechte volledig afgegaan op onderzoek dat in opdracht van [partij] is verricht, aldus [appellant].

In de Voortoets wordt volgens [appellant] geen rekening gehouden met de vestiging van een nieuwe, permanente camping. Door de wijziging van de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur en landschap" naar "Recreatie" worden de binnenplanse mogelijkheden voor een functiewijziging naar "Natuur" definitief teniet gedaan. Ook is toepassing van de Provinciale Subsidieregeling Natuurbeheer niet meer mogelijk. Dit heeft significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied Geuldal.

Ook staat in de Voortoets ten onrechte dat de agrarische bedrijfsvoering pas bij dit plan wordt beëindigd. Deze activiteiten zijn al jaren geleden beëindigd toen subsidie werd verleend voor het ontwikkelen en beheren van de natuur. De conclusie in de Voortoets dat het plan leidt tot een afname van de stikstofdepositie van 9,28 mol N/ha/jaar door wijziging van de bestemming is daarom onjuist.

Verder gaat de in de Voortoets gehanteerde AERIUS-berekening uit van licht wegverkeer. Daarbij is geen rekening gehouden met een toenemend aantal campers die een hogere uitstoot hebben dan regulier wegverkeer. Ook is - naast de verkeersbewegingen - geen rekening gehouden met de stikstofdepositie als gevolg van de gehele ontwikkeling en de achtergronddepositie. [appellant] verwijst naar een door hem opgestelde AERIUS-berekening, waaruit volgens hem naar voren komt dat het plan leidt tot een depositie van 0,12 mol N/ha/jaar.

- Objectiviteit van het onderzoek

15.1.  De Afdeling overweegt dat het bestuursorgaan op het advies van een deskundige mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.

Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de partij over het advies heeft aangevoerd.

Het enkele feit dat onderzoeken worden uitgevoerd in opdracht van het bevoegd gezag of de initiatiefnemer van een project geeft geen reden om op voorhand te twijfelen aan de juistheid en de objectiviteit van de inhoud van het advies of de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gelet op het vorenstaande, voldaan aan de uit artikel 3:2 van de Awb voortvloeiende plicht.

Het betoog faalt .

- Significante gevolgen voor Natura 2000-gebied?

15.2.  Uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212, onder 6.1, is dat het geval als een plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen kunnen hebben. Onder referentiesituatie wordt de feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan.

Als een plan ten opzichte van de referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan dienen de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan te worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dient een passende beoordeling te worden gemaakt. Het plan kan in dat geval worden vastgesteld als en nadat de raad uit de aldus gemaakte passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

15.3.  Het plangebied ligt gedeeltelijk in het Natura 2000-gebied Geuldal. De gevolgen van het plan voor dit natuurgebied zijn beoordeeld in de Voortoets.

In de Voortoets is als uitgangspunt genomen dat een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die ten opzichte van de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, een plan is dat significante gevolgen kan hebben en dat passend beoordeeld moet worden. In de Voortoets is uiteengezet dat de agrarische activiteiten in het plangebied worden beëindigd als gevolg van het omvormen naar een minicamping. De omvorming van agrarische gronden naar natuur betekent onder andere dat geen mest meer wordt toegediend. In de Voortoets is berekend tot welke afname van de stikstofdepositie dit leidt. Als gevolg van het plan worden 2 agrarische percelen met een oppervlakte van 3.571 m2 en 2.405 m2 herbestemd tot natuur. Het perceel direct grenzend aan de camping met een oppervlakte van 2.405 m2 is in de berekening betrokken. Op dit perceel kon volgens de Voortoets maximaal 250 kg stikstof per ha per jaar met een zodebemester worden aangebracht. Als gevolg van het plan is dit volgens de Voortoets niet meer mogelijk. Het meest noordelijke perceel met een oppervlakte van 3.571 m2 is bij de berekening buiten beschouwing gelaten, omdat dit perceel niet geschikt is voor bemesting met een zodebemester en dit ook al enkele decennia niet meer heeft plaatsgevonden. Volgens de Voortoets leidt het aanleggen van 2.405 m2 nieuwe natuur direct grenzend aan de camping tot een maximale afname van stikstofdepositie van 9,28 mol N/ha/jaar. Verder leidt volgens de Voortoets de in het plan voorziene uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen tot een toename van 15 verkeersbewegingen per etmaal. Rekening houdend met het kampeerseizoen van 230 dagen in een jaar, is dit 3.450 verkeersbewegingen per jaar. Volgens de AERIUS-berekeningen die aan de Voortoets en het plan ten grondslag zijn gelegd, leidt het verkeer van de uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen tot een toename van 0,01 mol N/ha/jaar. Er is ook een berekening gemaakt voor de stikstofdepositie als gevolg van het verkeer van de totale bedrijfsvoering. Daarbij wordt uitgegaan van 60 verkeersbewegingen per etmaal, dus 6.900 verkeersbewegingen per jaar, en 10 vrachtwagens per jaar. Volgens de AERIUS-berekening leidt dit tot een bijdrage aan stikstofdepositie van 0,03 mol N/ha/jaar. De conclusie van de Voortoets is dat het plan leidt tot een afname van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, zodat een passende beoordeling niet nodig is.

15.4.  Over het betoog dat in de Voortoets geen rekening is gehouden met de wijziging van een kleinschalige camping met een tijdelijk karakter naar een volwaardige, permanente camping, overweegt de Afdeling, zoals hiervoor ook is overwogen, dat de raad voor de beoordeling van de gevolgen van de uitbreiding van de camping terecht is uitgegaan van een toename van het aantal toegestane kampeerplaatsen van 15 naar 20. Nu in de feitelijke, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan al 15 kampeerplaatsen aanwezig zijn, bestaat de ruimtelijke ontwikkeling in zoverre immers uit een toename van het aantal toegestane kampeerplaatsen van 15 naar 20. Anders dan [appellant] stelt, waren de 15 kampeerplaatsen onder het voorheen geldende plan bij recht toegestaan. De door [appellant] genoemde binnenplanse mogelijkheden voor een functiewijziging naar "Natuur" in het voorheen geldende plan, zijn hierbij niet relevant.

In het door [appellant] aangevoerde over toepassing van de Provinciale Subsidieregeling Natuurbeheer, ziet de Afdeling ook geen concreet aanknopingspunt voor het oordeel dat de Voortoets op onjuiste wijze is uitgevoerd.

Over de vraag of in de Voortoets ten onrechte ervan is uitgegaan dat de agrarische bedrijfsvoering pas bij dit plan wordt beëindigd, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens de Voortoets kon ten tijde van de vaststelling van het plan op het perceel direct grenzend aan de camping met een oppervlakte van 2.405 m2 maximaal 250 kg stikstof per ha per jaar met een zodebemester worden aangebracht. In de plantoelichting staat dat de agrarische bedrijfsactiviteiten dusdanig beperkt van omvang zijn, dat het handhaven van de agrarische bestemming niet wordt gerechtvaardigd. Ter zitting hebben de raad en [partij] desgevraagd te kennen gegeven dat het agrarisch bedrijf voorafgaand aan de vaststelling van het plan feitelijk al was afgeschaald, maar dat de Voortoets aansluit op de op 7 december 2004 vergunde situatie, waarin de agrarische bedrijfsvoering mogelijk was op basis van een op 9 december 2002 verleende milieuvergunning. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat in de Voortoets niet is uitgegaan van de feitelijke, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan als referentiesituatie voor de beoordeling van de vraag of het plan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. De conclusie van de Voortoets dat het plan leidt tot een afname van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied vanwege de omzetting van landbouwgrond naar natuur is daarom gebaseerd op onjuiste uitgangspunten en kan niet worden gedragen door de berekeningen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. Het standpunt van de raad dat geen passende beoordeling nodig is, kan op grond hiervan niet worden gevolgd.

Het betoog slaagt.

- Nieuwe AERIUS-berekening en motivering van de raad

15.5.  De raad heeft na vaststelling van het plan op 9 april 2021 een AERIUS-berekening laten maken en deze ter zitting overgelegd en nader toegelicht.

De Afdeling zal uit een oogpunt van finale geschilbeslechting beoordelen of de rechtsgevolgen van het besluit van 16 december 2019 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, in stand kunnen worden gelaten.

15.6.  In de nieuwe AERIUS-berekening wordt geconcludeerd dat het plan niet leidt tot meer stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. In de referentiesituatie is uitgegaan van totaal 8.010 verkeersbewegingen lichtverkeer per jaar en 16 verkeersbewegingen vrachtverkeer. Ook is uitgegaan van de emissie van 25 kg ammoniak als gevolg van een paardenstal waar 5 paarden kunnen worden gehouden. Voor de nieuwe situatie na realisering van het plan wordt uitgegaan van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Er wordt gerekend met jaarlijks 12.240 verkeersbewegingen lichtverkeer, 1.380 verkeersbewegingen middelzwaar verkeer en 20 verkeersbewegingen zwaar verkeer. Verder wordt uitgegaan van het houden van 2 paarden in de aanwezige stal. Op basis hiervan concludeert de raad dat de berekening geen verschillen oplevert boven 0,00 mol N/ha/jaar, zodat een passende beoordeling niet nodig is.

15.7.  [appellant] heeft op 20 april 2021 een nieuwe AERIUS-berekening gemaakt. Daarin komt een stikstofdepositiewaarde van 0,12 mol N/ha/jaar als gevolg van de totale bedrijfsvoering naar voren. Volgens [appellant] gaat de nieuwe AERIUS-berekening van de raad van 9 april 2021 eveneens uit van een onjuiste referentiesituatie, omdat ten tijde van de vaststelling van het plan niet 5 paarden aanwezig waren.

15.8.  In de plantoelichting is vermeld dat in de bestaande situatie 3 paardenboxen aanwezig zijn. Het gebruik van deze paardenboxen voor de stalling van paarden zal eindigen binnen afzienbare tijd. Dit gebruik zal dan om die reden onder het overgangsrecht komen te vallen. Na het beëindigen van het gebruik als paardenstalling zullen de stallen enkel worden gebruikt voor opslag ten behoeve van de vakantiehoeve en privé-opslag, aldus de plantoelichting.

15.9.  Ter zitting hebben de raad en [partij] toegelicht dat in de berekening van 9 april 2021 in aanmerking is genomen dat in de referentiesituatie op basis van de op 9 december 2002 verleende milieuvergunning het houden van 5 paarden toegestaan was. Op grond van het verhandelde ter zitting is echter niet aannemelijk geworden dat in de op het perceel Cottessen 10c aanwezige paardenstal met paardenboxen ten tijde van de vaststelling van het plan nog meer dan 3 paarden aanwezig waren. Gelet daarop overweegt de Afdeling dat in de nieuwe AERIUS-berekening van 9 april 2021 ook niet is uitgegaan van de feitelijke, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan als referentiesituatie voor de beoordeling van de vraag of het plan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

De Afdeling stelt verder vast dat in de berekening van 9 april 2021 wordt aangenomen dat in de nieuwe situatie het gebruik van 3 paardenboxen wordt beëindigd. Het gebruik van 3 paardenboxen blijft in de nieuwe situatie echter toegestaan op grond van het gebruiksovergangsrecht. In het plan, of op andere wijze, is niet verzekerd dat het gebruik van de 3 paardenboxen daadwerkelijk zal worden beëindigd. Daarmee is in de berekening wat betreft de nieuwe situatie niet uitgegaan van de situatie die mogelijk is op grond van het plan. Ook het beëindigen van het gebruik van 3 paardenboxen mocht daarom niet in de nieuwe AERIUS-berekening van 9 april 2021 worden betrokken.

15.10. Daarmee is ook op grond van de nieuwe AERIUS-berekening van 9 april 2021 niet uitgesloten dat het plan significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied Geuldal. Het standpunt van de raad dat geen passende beoordeling nodig is, kan daarom ook niet worden gebaseerd op de AERIUS-berekening van 9 april 2021. Daarbij wijst de Afdeling erop dat, indien in aanmerking wordt genomen dat in de referentiesituatie niet meer dan 3 paarden werden gehouden en indien bij het bepalen van de nieuwe situatie geen rekening wordt gehouden met beëindiging van het gebruik van de 3 paardenboxen, de berekening een toename van de stikstofdepositie laat zien.

15.11. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit van 16 december 2019 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb, in stand kunnen worden gelaten.

Conclusie

16.     Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 2.7, eerste lid, en 2.8, eerste lid, van de Wnb.

Opdracht

17.     De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

18.     De raad moet de proceskosten vergoeden. De vergoeding heeft betrekking op de kosten voor het raadplegen van uittreksels uit de openbare registers en reis- en verletkosten. De door [appellant] opgegeven kosten voor rechtsbijstand hoeven niet te worden vergoed, omdat [appellant] in deze procedure niet is bijgestaan door een derde.

Beslissing

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Vaals van 16 december 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Cottessen 10c";

III.      draagt de raad van de gemeente Vaals op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.      veroordeelt de raad van de gemeente Vaals tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 250,43 (zegge: tweehonderdvijftig euro en drieënveertig cent);

V.       gelast dat de raad van de gemeente Vaals aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld op 31 juli 2021 door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2021

271-911

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:58, eerste lid

Tot tien dagen voor de zitting kunnen partijen nadere stukken indienen.

Wet natuurbescherming

Artikel 2.7, eerste lid

"Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8."

Artikel 2.8, eerste lid

"Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied."

Bestemmingsplan "Buitengebied 2013"

Artikel 4.6.4

"4.6.4 Kamperen op de boerderij

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 4.1 en 4.5 , ten behoeve van het toestaan van verblijfsrecreatie in de vorm van kamperen op de boerderij in het kader van de duurzame ontwikkeling van het landelijk gebied en ter versterking van de recreatie functie in het buitengebied. De afwijking wordt alleen verleend, mits:

a.       de activiteiten, qua economische bedrijfsomvang, inkomen en ruimtegebruik, ondergeschikt zijn aan de agrarische bedrijfsactiviteiten;

b.       maximaal 7 locaties kamperen op de boerderij binnen de gemeente aanwezig mogen zijn;

c.       per locatie maximaal 20 kampeerplaatsen aanwezig mogen zijn;

d.       op de standplaatsen geen chalets, trekkershutten of stacaravans worden geplaatst;

e.       de sanitaire voorzieningen binnen het bouwvlak worden opgericht; de oppervlakte aan sanitaire voorzieningen mag niet meer dan 70 m2 bedragen;

f.        de activiteiten geen hinder of belemmeringen veroorzaken voor omliggende bedrijven of woningen;

g.       de natuurlijke-, landschappelijke- en cultuurhistorische waarden en/of het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit niet onevenredig worden aangetast;

h.       de activiteiten infrastructureel goed inpasbaar zijn en niet tot onevenredige verkeersoverlast leiden;

i.        het kamperen alleen plaatsvindt tijdens de periode 15 maart tot en met 31 oktober;

j.        in voldoende parkeerplaatsen wordt voorzien binnen het bouwvlak;

k.       de afstand tot bestaande kampeerterreinen en campings ten minste 500 m bedraagt;

l.        de afstand tot de erfgrens van naastgelegen woningen ten minste 50 m bedraagt;

m.      de ontwikkeling (uitbreiding kampeerterrein of aantal kampeerplaatsen) moet zijn gericht op verbetering van de omgevingskwaliteit als bedoeld in het GKM. Hiertoe moet een landschappelijk inpassingsplan worden overgelegd waaruit blijkt dat de nieuwe bebouwing en/ of voorzieningen worden ingepast;

n.       bij beëindiging van het agrarisch bedrijf het kamperen op de boerderij wordt beëindigd, uitgezonderd de situatie dat de kinderen van degenen, die het agrarisch bedrijf laatstelijk uitoefenden, het kamperen op de boerderij mogen voortzetten;

o.       de locatie niet is gelegen in een gebied met de dubbelbestemming Waarde - Ecologische hoofdstructuur (EHS) en Waarde - Natura 2000.

Een en ander met dien verstande dat bij de omgevingsvergunning het voor het kamperen op de boerderij te gebruiken deel van de bouwkavel wordt vastgelegd."

Artikel 4.6.5

"4.6.5 Afwijken vergroting kamperen op de boerderij

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4.1 en 4.5, en een groter oppervlakte aan verblijfsrecreatie toestaan in de vorm van een kamperen op de boerderij, ter versterking van de recreatieve functie van het buitengebied. De afwijking wordt alleen verleend, mits:

a.       de vergroting voor kamperen uitsluitend plaatsvindt aansluitend aan het bestaande kampeerterrein;

b.       het geen uitbreiding van het aantal kampeerplaatsen betreft, tenzij bij kamperen op de boerderij voldaan wordt aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 4.6.4."