Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1746

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-08-2021
Datum publicatie
04-08-2021
Zaaknummer
202004921/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leudal het verzoek van [appellant] om verlenging van de begunstigingstermijn van de bij het besluit van 28 juli 2015 aan hem opgelegde last onder dwangsom, afgewezen. Bij besluit van 7 februari 2018 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd. Het geschil gaat over de keerlus aan de Jagersweg te Haelen en het herstellen van het asfalt van een deel van die keerlus. [appellant] heeft een metaalverwerkingsbedrijf aan de [locatie 1] in Haelen. Sinds 6 juli 2012 is ook het perceel kadastraal bekend Haelen, sectie B, nummer […] (hierna: perceel [locatie 2]) eigendom van hem. Dit perceel ligt aan de andere kant van de Jagersweg ter hoogte van [locatie 3]. Op [locatie 3] heeft [partij] een metaalverwerkingsbedrijf. De keerlus is in 2003 aangelegd om beide metaalverwerkingsbedrijven te ontsluiten voor vrachtverkeer. [appellant] heeft het asfalt van een deel van de keerlus verwijderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004921/1/A3.

Datum uitspraak: 4 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellant B] (hierna: [appellant]), gevestigd te Haelen, gemeente Leudal

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 juli 2020 in zaken nrs. 18/1108, 18/1552, 18/2760 en 18/2841 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leudal.

Procesverloop

Verlenging van de begunstigingstermijn

Bij besluit van 18 december 2017 heeft het college het verzoek van [appellant] om verlenging van de begunstigingstermijn van de bij het besluit van 28 juli 2015 aan hem opgelegde last onder dwangsom (hierna: de last onder dwangsom 2015), afgewezen.

Bij besluit van 3 april 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Last onder bestuursdwang

Bij besluit van 7 februari 2018 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang opgelegd.

Bij besluit van 28 mei 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Invordering

Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college besloten tot invordering van de door [appellant] verbeurde dwangsom van in totaal € 30.000,00. Bij brief van 2 mei 2018 heeft het college de verschuldigde wettelijke rente vastgesteld.

Bij besluit van 27 september 2018 heeft het college de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Last onder bestuursdwang en last onder dwangsom

Bij besluit van 5 april 2018 heeft het college aan [appellant] een last onder bestuursdwang en een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 9 oktober 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen de besluiten op bezwaar van 3 april 2018, 28 mei 2018, 27 september 2018 en 9 oktober 2018 heeft [appellant] beroepen ingesteld.

Bij uitspraak van 28 juli 2020 heeft de rechtbank de beroepen tegen de besluiten op bezwaar van 3 april 2018, 28 mei 2018 en 27 september 2018 geheel ongegrond verklaard. Het beroep tegen het besluit op bezwaar van 9 oktober 2018 heeft de rechtbank gegrond verklaard. De rechtbank heeft dat besluit vernietigd voor zover daarbij de last onder dwangsom onder b van 5 april 2018 is gehandhaafd, dat besluit in zoverre herroepen en bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde deel van het besluit op bezwaar van 9 oktober 2018.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellante A] en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 juli 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Barentsen, zijn verschenen.

Verder is [partij], vertegenwoordigd door mr. W.J.W. van Eijk en mr. H.J.M. van Dal, beiden advocaat te Den Bosch, ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       De tekst van de in deze uitspraak aangehaalde regelgeving is opgenomen in de bijlage. Die bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

2.       Het geschil gaat over de keerlus aan de Jagersweg te Haelen en het herstellen van het asfalt van een deel van die keerlus.

3.       [appellant] heeft een metaalverwerkingsbedrijf aan de [locatie 1] in Haelen. Sinds 6 juli 2012 is ook het perceel kadastraal bekend Haelen, sectie B, nummer […] (hierna: perceel [locatie 2]) eigendom van hem. Dit perceel ligt aan de andere kant van de Jagersweg ter hoogte van [locatie 3]. Op [locatie 3] heeft [partij] een metaalverwerkingsbedrijf.

De keerlus is in 2003 aangelegd om beide metaalverwerkingsbedrijven te ontsluiten voor vrachtverkeer.

3.1.    [appellant] heeft het asfalt van een deel van de keerlus verwijderd. Volgens het college is dat in strijd met artikel 2.11 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Leudal (hierna: de APV). Het college heeft [appellant] daarom de last onder dwangsom 2015 opgelegd. De last onder dwangsom 2015 luidt: "De vernielde asfaltverharding op perceel kadastraal bekend Haelen, sectie 8, nummer [locatie 2], compleet te herstellen vóór 15 september 2015 op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 30.000,- ineens."

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 22 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3221, geoordeeld dat de keerlus inclusief het deel dat ligt op perceel [locatie 2], met de openstelling ervan voor alle verkeer de bestemming openbare weg heeft verkregen overeenkomstig artikel 4, eerste lid, onder III, van de Wegenwet. Voorts heeft de Afdeling geoordeeld dat het gedeelte van het perceel waar het weggebroken asfalt lag tot de openbare weg behoort. Door het asfalt zonder vergunning op te breken heeft [appellant] artikel 2:11, eerste lid, van de APV overtreden. Ten aanzien van de dwangsom heeft de Afdeling overwogen dat zij geen grond ziet voor het oordeel dat het vastgestelde bedrag niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Verder heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat het dwangsombesluit met terugwerkende kracht wordt geschorst tot zes weken na de dag van verzending van haar uitspraak. Dat betekent dat [appellant] een dwangsom van € 30.000,00 verbeurt als hij niet uiterlijk 3 januari 2018 aan de opgelegde last voldoet.

3.2.    [appellant] heeft op 3 januari 2018 na verwijdering van het resterende asfalt op perceel [locatie 2] daarop een nieuwe asfaltverharding laten aanbrengen. Volgens toezichthouders van de gemeente is de kwaliteit en samenstelling van dit asfalt onvoldoende voor zwaar vrachtverkeer. Het college heeft daarom aan [appellant] op 7 februari 2018 een last onder bestuursdwang opgelegd. De last houdt in dat de asfaltverharding uiterlijk op 15 maart 2018 goed moet zijn hersteld.

[appellant] heeft na overleg met de gemeente op 29 en 30 maart 2018 de asfaltverharding alsnog vervangen overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen.

3.3.    Omdat [appellant] niet goed aan de last onder dwangsom 2015 heeft voldaan en de verbeurde dwangsom niet tijdig heeft betaald, heeft het college de opgelegde dwangsom bij [appellant] ingevorderd. Op 2 mei 2018 heeft het college ook de wettelijke rente ingevorderd.

3.4.    Nadat de asfaltverharding was hersteld, heeft [appellant] zogenoemde legio-blokken geplaatst op de keerlus. Volgens het college belemmerden die de openbaarheid van de weg. Het heeft opnieuw een last onder bestuursdwang opgelegd om de legio-blokken te verwijderen.

Het college heeft ook nog een last onder dwangsom opgelegd voor de toekomst. Deze houdt, voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat elke vorm van belemmering van de openbaarheid van de weg door het plaatsen of geplaatst houden van voorwerpen, van welke aard dan ook, door [appellant] achterwege moet worden gelaten.

Hoger beroep en beoordeling door de Afdeling

Wat is niet meer in geschil?

4.       [appellant] komt niet op tegen het oordeel van de rechtbank dat het college het verzoek om verlenging van de begunstigingstermijn mocht afwijzen. Ook heeft [appellant] in hoger beroep geen gronden aangevoerd tegen de overweging van de rechtbank dat het college de wettelijke rente over de verbeurde dwangsom mocht invorderen.

Staat de last onder dwangsom 2015 vast?

5.       [appellant] voert aan dat met de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017 de last onder dwangsom 2015 nog niet vaststaat omdat daaruit niet blijkt op welk deel van het perceel [locatie 2] de keerlus ligt. Hij betoogt dat de keerlus nooit is geprojecteerd op perceel [locatie 2] en dat de keerlus ook niet feitelijk is gerealiseerd op dat perceel. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft hij informatie overgelegd die hij in 2019 naar aanleiding van zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur heeft ontvangen van Rijkswaterstaat. De last onder dwangsom 2015 is dus ten onrechte opgelegd en de opvolgende besluiten zijn gebaseerd op een onjuiste grondslag, aldus [appellant].

5.1.    Dit betoog slaagt niet.

In de uitspraak van de Afdeling staat niet op welk deel van het perceel [locatie 2] de keerlus ligt. Anders dan [appellant] betoogt, leidt dat niet tot het oordeel dat de last onder dwangsom 2015 niet in rechte vaststaat. Uit de uitspraak volgt namelijk dat een deel van de keerlus op perceel [locatie 2] ligt en dat de gehele keerlus openbare weg is. De door [appellant] overgelegde stukken brengen daarin geen verandering. Die stukken houden niet meer in dan dat het perceel [locatie 2] een potentieel bedrijfsterrein was en dat de keerlus was voorzien op een kleiner deel van perceel [locatie 2] of zelfs helemaal niet. Op onder meer de overgelegde luchtfoto, waarop de keerlus is ingetekend, is evenwel te zien dat de feitelijk aangelegde keerlus op een relevant aanzienlijk deel van het perceel [locatie 2] ligt. Die feitelijke situatie is in dit geval bepalend. Van de feitelijk aangelegde keerlus heeft [appellant], zo heeft hij ter zitting in hoger beroep bevestigd, het asfalt weggehaald voor zover dat op zijn perceel [locatie 2] lag. Nu hij dat heeft gedaan zonder te beschikken over een vergunning heeft [appellant] gehandeld in strijd met artikel 2:11, eerste lid, van de APV. Het college mocht daarom de last onder dwangsom 2015 opleggen. Voor het oordeel dat [appellant] evident geen overtreder is of dat geen overtreding is begaan, bestaat geen grond.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de last onder dwangsom 2015 na haar uitspraak van 22 november 2017 in rechte vaststaat en dat de daarop gebaseerde vervolgbesluiten berusten op een juiste grondslag.

Mocht het college de last onder bestuursdwang opleggen voor het vernieuwen van het asfalt?

6.       [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom 2015 en zijn beroep tegen de last onder bestuursdwang ongegrond heeft verklaard. Volgens hem volgt uit de last slechts dat de asfaltverharding moet worden hersteld, maar zijn daaraan geen technische eisen gesteld. Het college mocht dat niet achteraf alsnog doen. Ook heeft de rechtbank ten onrechte gewicht toegekend aan het rapport van KIWA KOAC B.V. van 28 februari 2018 en niet aan de door hem ingebrachte contra-expertise opgesteld door Ducot Engineering en Advies (hierna: Ducot) en het rapport van Kragten. In de contra-expertise staat dat het nieuwe asfalt geschikt is voor vrachtverkeer en uit het rapport van Kragten blijkt dat het asfalt op de Jagersweg niet voldoet aan de nu door het college gestelde eisen. De gelijkstelling met het asfalt dat op perceel [...] is aangelegd, gaat niet op omdat dat op een ander moment is aangelegd, aldus [appellant].

6.1.    Dit betoog slaagt niet.

Voor zover [appellant] betoogt dat de last onder dwangsom 2015 onduidelijk is omdat daarin geen eisen over de kwaliteit van het asfalt staan, had hij dat in de procedure over die last onder dwangsom kunnen aanvoeren. Dat heeft hij niet gedaan.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] met de aanleg van het asfalt op 3 januari 2018 niet heeft voldaan aan de last onder dwangsom 2015 en dat de overtreding niet is opgeheven. Dat in de last onder dwangsom niet specifiek de eisen worden genoemd, doet daar niet aan af. In die last staat namelijk dat het asfalt compleet moet worden hersteld. Dat wil zeggen dat het asfalt moet worden hersteld in de staat zoals het was toen [appellant] het heeft verwijderd. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college voldoende aangetoond dat de asfaltverharding op de percelen [locatie 2] en [...] gelijktijdig en in dezelfde samenstelling is uitgevoerd. Compleet herstellen betekende dus dat het asfalt hetzelfde moest zijn als dat wat op perceel [...] ligt. Op dat perceel ligt een zogenoemd 3-laagsasfalt. Uit de controlerapporten van de gemeente blijkt dat het aangebrachte asfalt onvoldoende is omdat het uit één laag bestaat. Dat wordt bevestigd in het rapport van KIWA KOAC, waarin staat dat de laagdikte, de verdichtingsgraad en de samenstelling van het asfalt dat [appellant] op 3 januari 2018 heeft laten aanbrengen niet voldoet aan de norm voor asfalt voor zwaar verkeer. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank geen zwaarwegend belang aan dit rapport had mogen hechten. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, weerspreekt Ducot de conclusie van KIWA KOAC niet, maar stelt het slechts dat ook één laag voldoende is voor standaard vrachtverkeer. Aan het rapport van Kragten hoefde ook geen belang te worden gehecht omdat dat ziet op een ander deel van de Jagersweg dan waarop de keerlus ligt en het asfalt daar op een ander moment is aangebracht. Omdat de overtreding niet voldoende ongedaan is gemaakt, was het college bevoegd om daartegen handhavend op te treden. Nu van bijzondere omstandigheden, die nopen tot het achterwege laten van handhaving, niet is gebleken, mocht het college de last onder bestuursdwang in dit geval opleggen.

6.2.    De rechtbank heeft terecht het beroep tegen het besluit op bezwaar waarbij de last onder bestuursdwang is gehandhaafd, ongegrond verklaard.

Mocht het college de dwangsom invorderen?

7.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet volledig en tijdig aan de last onder dwangsom 2015 heeft voldaan en dat daarmee van rechtswege de dwangsom is verbeurd. Hij voert aan dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom is verjaard omdat hij de aanmaning van 11 september 2019 niet heeft ontvangen. In het geval die bevoegdheid niet is verjaard, kon het college volgens [appellant] de dwangsom niet invorderen omdat de grondslag voor de last onder dwangsom ontbrak. Onder verwijzing naar het rapport van Kragten betoogt hij tot slot dat het college niet op deugdelijke en controleerbare wijze de overtreding heeft vastgesteld.

7.1.    Naar het oordeel van de Afdeling is de bevoegdheid tot invordering niet verjaard. Zoals de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld, was de verjaring tijdig gestuit omdat het college zowel per post als aangetekend op 11 september 2019 een aanmaning heeft gestuurd waarvoor blijkens de postregistratie van PostNL is getekend en die niet retour is gekomen. Op 1 september 2020 heeft het college opnieuw een aanmaning per post en aangetekend verstuurd aan [appellant]. Als een brief aangetekend is verzonden en de belanghebbende de ontvangst ervan ontkent, dient te worden onderzocht of het stuk door PostNL op regelmatige wijze aan het adres van de belanghebbende is aangeboden. Volgens de postregistratie van PostNL is deze brief op 2 september 2020 om 15:32 uur bezorgd op het adres [locatie 1] in Haelen en is voor de ontvangst getekend. Dat de handtekening voor ontvangst verschilt van de handtekening die in het paspoort van [appellant] staat, leidt niet tot de conclusie dat het poststuk niet ook op zijn adres is aangeboden en in ontvangst is genomen. Het college heeft voorts aannemelijk gemaakt dat de brief eveneens per gewone post aan [appellant] is verzonden.

7.2.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat de rechtmatigheid van de last onder dwangsom 2015 met de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2017 vaststaat. Zoals de Afdeling in overweging 5.1 heeft geoordeeld, leidt de nieuwe informatie niet tot het oordeel dat onduidelijk is waar de keerlus ligt. Ook het door [appellant] ingebrachte rapport van Kragten leidt niet het oordeel dat evident geen sprake is van een overtreding. Zoals hiervoor is overwogen, ziet dat rapport niet op de keerlus. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de nieuwe gegevens die zijn ingebracht, geen grond zijn voor het oordeel dat de grondslag voor de last onder dwangsom uit 2015 ontbreekt. Het college was dus bevoegd om de dwangsom in te vorderen en kon dat ook in dit geval doen.

Het betoog slaagt niet.

7.3.    De rechtbank heeft terecht het beroep tegen het besluit op bezwaar waarbij het besluit tot invordering van de dwangsom is gehandhaafd, ongegrond verklaard.

Mocht het college de last onder bestuursdwang opleggen voor het verwijderen van legio-blokken?

8.       [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de grondslag voor de last onder bestuursdwang ontbreekt omdat de keerlus niet ligt op zijn perceel [locatie 2]. De rechtbank had de door hem overgelegde nieuwe informatie moeten betrekken bij haar oordeel.

8.1.    Dit betoog slaagt niet.

De rechtmatigheid van de last onder dwangsom 2015 kan alleen in uitzonderlijke gevallen in een vervolgbesluit aan de orde worden gesteld. Zoals hiervoor overwogen geeft de nieuwe informatie geen aanleiding om een uitzonderlijk geval aan te nemen. De rechtbank kon dus oordelen dat zij geen aanleiding zag af te wijken van het oordeel van de Afdeling over de openbaarheid van de keerlus. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uitgegaan moet worden van de situatie dat de keerlus op een relevant deel van het perceel [locatie 2] ligt. Door langs de rand van dat perceel legio-blokken te plaatsen wordt de openbaarheid van de weg belemmerd. Het college was dus bevoegd handhavend daartegen op te treden. Evenals de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die ertoe leiden dat het college had moeten afzien van deze bevoegdheid.

8.2.    De rechtbank heeft terecht het beroep tegen het besluit op bezwaar waarbij de last onder bestuursdwang voor het verwijderen van de legio-blokken is gehandhaafd, ongegrond verklaard.

Mocht het college de last onder dwangsom voor het blijvend vrijhouden van de keerlus opleggen?

9.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het opleggen van een last onder dwangsom om herhaling te voorkomen een grondslag is. Volgens hem was nimmer sprake van een dreiging van het begaan van een overtreding.

9.1.    De Afdeling volgt [appellant] niet in dit betoog. Zoals uit de voorgaande overwegingen volgt, ligt de keerlus op een relevant deel van het perceel [locatie 2] en is de keerlus een openbare weg. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich, gezien de eerder opgelegde handhavingsmaatregelen in reactie op het handelen van [appellant], op het standpunt mocht stellen dat het gevaar voor overtreding nog altijd aanwezig is. Het college was dus bevoegd om een last onder dwangsom op te leggen om nieuwe belemmeringen van de openbaarheid van de keerlus te voorkomen. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college in dit geval geen gebruik van die bevoegdheid had mogen maken.

Het betoog slaagt niet.

9.2.    De rechtbank heeft terecht het besluit op bezwaar, waarbij de last onder dwangsom is gehandhaafd, in zoverre niet vernietigd.

Slotsom

10.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

11.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, mr. E.J. Daalder en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 augustus 2021

290

 

BIJLAGE

 

Awb

Artikel 4:97 luidt:

De schuldenaar is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn heeft betaald.

Artikel 4:98 luidt:

1. Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.

2. […].

Artikel 4:104 luidt:

1. De rechtsvordering tot betaling van een geldsom verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken.

2. […].

Artikel 4:106 luidt:

Het bestuursorgaan kan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 4:112, een beschikking tot verrekening of een dwangbevel dan wel door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel.

Artikel 4:110 luidt:

1. Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag.

2. […].

Artikel 5:2 luidt:

1. In deze wet wordt verstaan onder:

a.       bestuurlijke sanctie: een door een bestuursorgaan wegens een overtreding opgelegde verplichting of onthouden aanspraak;

b.       herstelsanctie: een bestuurlijke sanctie die strekt tot het geheel of gedeeltelijk ongedaan maken of beëindigen van een overtreding, tot het voorkomen van herhaling van een overtreding, dan wel tot het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding;

c.       bestraffende sanctie: een bestuurlijke sanctie voor zover deze beoogt de overtreder leed toe te voegen.

2. Geen bestuurlijke sanctie is de enkele last tot het verrichten van bepaalde handelingen.

Artikel 5:7 luidt:

Een herstelsanctie kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt.

Artikel 5:21 luidt:

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b.de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:33 luidt:

Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd.

Artikel 5:34 luidt:

1. Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.

2. Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Artikel 5:35 luidt:

1. In afwijking van artikel 4:104, eerste lid, verjaart de rechtsvordering tot betaling van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

2. Indien op de dag waarop de rechtsvordering verjaart, bezwaar, beroep of hoger beroep openstaat of aanhangig is tegen de last onder dwangsom, wordt de verjaringstermijn verlengd tot onherroepelijk op het bezwaar, beroep of hoger beroep is beslist.

Artikel 5:35 luidt:

1. In afwijking van artikel 4:104, eerste lid, verjaart de rechtsvordering tot betaling van een verbeurde dwangsom door verloop van een jaar na de dag waarop zij is verbeurd.

2. Indien op de dag waarop de rechtsvordering verjaart, bezwaar, beroep of hoger beroep openstaat of aanhangig is tegen de last onder dwangsom, wordt de verjaringstermijn verlengd tot onherroepelijk op het bezwaar, beroep of hoger beroep is beslist.

APV

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg luidt:

1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

2. […]

3. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

4. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, Omgevingsverordening Limburg 2014, Omgevingsverordening Limburg 2014, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde telecommunicatieverordening Leudal 2007.