Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1713

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-08-2021
Datum publicatie
04-08-2021
Zaaknummer
202103791/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/2361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202103791/1/V3.

Datum uitspraak: 2 augustus 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 8 juni 2021 in zaak nr. NL21.8268 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 8 juni 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       De vreemdeling stelt uit Soedan te komen. De staatssecretaris heeft zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Malta volgens hem verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dit besluit geldt als overdrachtsbesluit en staat in rechte vast. De staatssecretaris heeft de vreemdeling met het oog op zijn overdracht aan Malta krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Deze uitspraak gaat over de vraag of het verzoek van de vreemdeling aan het EHRM om ten aanzien van hem een interim measure te treffen in de weg staat aan deze maatregel.

2.       De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de maatregel van bewaring moet worden opgeheven omdat het volgens haar is uitgesloten dat de vreemdeling aan Malta zal worden overgedragen binnen de termijn dat de vreemdeling maximaal in bewaring mag worden gehouden. Daarover voert hij aan dat het verzoek van de vreemdeling van 28 mei 2021 aan het EHRM tot het treffen van een interim measure weliswaar van invloed kan zijn op de uiteindelijke overdracht van de vreemdeling, maar dat ten tijde van het sluiten van het onderzoek ter zitting bij de rechtbank op 7 juni 2021 nog altijd sprake was van een concreet aanknopingspunt dat de vreemdeling binnen een redelijke termijn kan worden overgedragen aan Malta.

3.       Volgens paragraaf A5/6.2 van de Vc 2000 moet er voldoende zicht op overdracht van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat bestaan, wil de staatssecretaris die vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring kunnen stellen.

3.1.    Een verzoek aan het EHRM tot het treffen van een interim measure heeft geen automatisch schorsende werking. Pas als het EHRM een verzoek daartoe toewijst kan in die toewijzing aanleiding bestaan voor het oordeel dat niet langer kan worden aangenomen dat binnen redelijke termijn zicht op overdracht aan de betrokken lidstaat bestaat. In deze zaak was ten tijde van het sluiten van het onderzoek op de zitting bij de rechtbank slechts sprake van een verzoek tot het treffen van een interim measure, waarop het EHRM nog geen beslissing had genomen. Gelet hierop klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voormeld verzoek al betekent dat de vreemdeling niet langer krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring kon worden gehouden, omdat de vreemdeling niet binnen een redelijke termijn aan Malta zal kunnen worden overgedragen. De grief slaagt.

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd, hoeft niet te worden besproken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 8 juni 2021 in zaak nr. NL21.8268;

III.      verklaart het beroep ongegrond;

IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.T. Annen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

w.g. Annen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2021

765-945