Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:171

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
27-01-2021
Zaaknummer
202000059/1/R1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:8804, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw met dakterras en zonnepanelen, het wijzigen van de zijgevel en het plaatsen van een buitentrap naar een nieuw te plaatsen steiger bij de woning op de [locatie 1] in Amsterdam. Volgens het college voldoen de dakopbouw, het dakterras en de zonnepalen aan de bouw- en gebruiksbepalingen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "IJburg 1e fase, 2e herziening". De voorziene buitentrap is daarentegen in strijd met het ter plaatse van de trap geldende bestemmingsplan "IJburg 1e fase". Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college toepassing gegeven aan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. [appellant A] en [appellant B] wonen in de directe nabijheid van de woning waar het bouwplan betrekking op heeft en kunnen zich niet met het bouwplan verenigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2021/8478 met annotatie van
Module Ruimtelijke ordening 2021/8480 met annotatie van G. van den End
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000059/1/R1.

Datum uitspraak: 27 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 november 2019 in zaak nr. 19/268 in het geding tussen onder meer:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2018 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw met dakterras en zonnepanelen, het wijzigen van de zijgevel en het plaatsen van een buitentrap naar een nieuw te plaatsen steiger bij de woning op de [locatie 1] in Amsterdam.

Bij besluit van 27 november 2018 heeft het college, voor zover nu van belang, de door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het besluit van 27 juni 2018 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 22 november 2019 heeft de rechtbank het onder meer door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2020, waar [appellant B], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Hop, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. N.M. Don, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

1.       [vergunninghouder] stelt dat [appellant A] geen procesbelang meer heeft, omdat hij zijn woning aan [locatie 2] heeft verkocht en op korte termijn zal verhuizen. De Afdeling stelt vast dat [appellant A] ten tijde van het instellen van het hoger beroep woonde in de woning aan [locatie 2]. Verder is ter zitting gebleken dat [appellant A] nu de naast [locatie 2] gelegen woning bewoont. Gelet hierop heeft hij nog procesbelang en is het hoger beroep, ook voor zover ingesteld door hem, ontvankelijk.

2.       Het bouwplan voorziet in het realiseren van een dakopbouw als derde verdieping op de woning. Op de dakopbouw zijn een dakterras en zonnepanelen voorzien. Verder voorziet het bouwplan in het plaatsen van een buitentrap naar een nieuw te plaatsen steiger. Volgens het college voldoen de dakopbouw, het dakterras en de zonnepalen aan de bouw- en gebruiksbepalingen van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "IJburg 1e fase, 2e herziening". De voorziene buitentrap is daarentegen in strijd met het ter plaatse van de trap geldende bestemmingsplan "IJburg 1e fase". Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft het college toepassing gegeven aan een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. [appellant A] en [appellant B] wonen in de directe nabijheid van de woning waar het bouwplan betrekking op heeft en kunnen zich niet met het bouwplan verenigen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college de omgevingsvergunning mogen verlenen.

3.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is het met bestemmingsplan "IJburg 1e fase, 2e herziening", omdat de dakopbouw de maximale bouwhoogte van 13 meter overschrijdt. Bij het meten van de bouwhoogte zijn de rechtbank en het college uitgegaan van een onjuist peil. Volgens hen ligt het peil op de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld en niet ter hoogte van de weg, omdat de voordeur niet aan de weg grenst. De voordeur grenst aan een doodlopende strook van 1,20 meter breed. Deze strook is geen weg als bedoeld in de Wegenwet, omdat de strook geen functie vervult ten behoeve van het afwikkelen van het openbare verkeer en geen grote, onbepaalde publieksgroep dient.

3.1.    In artikel 1.39 van de planregels is ‘peil’ als volgt gedefinieerd:

"a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of een tuin grenst: de hoogte van die weg of tuin ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw;

b. als in het water wordt gebouwd: het plaatselijk aan te houden waterpeil;

c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld."

3.2.    Gelet op de opbouw van artikel 1.39 van de planregels is het college niet vrij om te kiezen welke definitie van peil wordt gehanteerd. Onderdeel a van dit artikel is de hoofdregel. Als sprake is van een gebouw waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of een tuin genst, is het peil de hoogte van die weg of tuin ter plaatse van de hoofdtoegang van het gebouw. Onderdeel b ziet op de situatie waarin in het water wordt gebouwd. De Afdeling volgt hierbij de toelichting van het college dat dit onderdeel ziet op bijvoorbeeld woonboten en meerpalen, waarbij het bouwwerk is omringd door water. De Afdeling stelt vast dat die situatie zich hier niet voor doet, omdat het gebouw maar een één kant aan het water grenst. Onderdeel c is een restbepaling waar pas aan wordt toegekomen als zich geen situaties voordoen als bedoeld in de onderdelen a en b. Het college heeft daarom terecht toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 1.39, onder a van de planregels.

De rechtbank heeft een onderzoek ter plaatse als bedoeld in artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verricht en vastgesteld dat de hoofdtoegang van de woning feitelijk onmiddellijk grenst aan de Eva Besnyöstraat, zodat het college volgens de rechtbank terecht de hoogte van de weg als peil heeft gehanteerd. De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding om aan de vaststelling van de rechtbank de twijfelen. Op grond van artikel 1.39, onder a van de planregels dient uitgegaan te worden van de weg onmiddellijk grenzend aan de hoofdtoegang, oftewel de feitelijk aanwezige hoogte van de grond die direct aan de voordeur aansluit. Dat het stuk grond bij de voordeur niet is aan te merken als weg omdat het doodloopt en enkel zou dienen om bewoners toegang te verschaffen tot hun woning, maakt niet dat geen sprake is van een weg in de zin van de planregels. Anders dan [appellant A] en [appellant B] veronderstellen is de Wegenwet niet het toetsingskader en biedt het bestemmingsplan geen aanknopingspunten om voor de uitleg van het begrip ‘weg’ bij de Wegenwet aan te sluiten. Evenmin is van belang dat de weg in hoogte afloopt, op grond waarvan volgens hen bij het bepalen van het peil van de gemiddelde hoogte moet worden uitgegaan. Dit is alleen van belang bij onderdeel c van artikel 1.39. Gelet op wat hiervoor is overwogen wordt aan onderdeel c van artikel 1.39 van de planregels niet toegekomen.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college met juistheid de definitie onder a heeft gehanteerd en bij de toepassing daarvan terecht is uitgegaan van de hoogte van de weg bij de voordeur, waardoor het bouwwerk de maximale bouwhoogte van 13 meter uit het bestemmingsplan niet overschrijdt.

Het betoog slaagt niet.

4.       [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Zij voeren aan dat het welstandadvies berust op een advies van de architect en dus partijdig is. Verder kan hun door de rechtbank niet worden tegengeworpen geen tegenadvies te hebben overgelegd, omdat het college hen niet tijdig heeft geïnformeerd. Er is geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de woning als hoekwoning beeldbepalend is voor het gehele bouwblok. De extra bouwlaag laat een kenmerkende indruk achter en aan de visuele kwaliteit dienen hoge eisen te worden gesteld. Het bouwblok ligt volgens de welstandsnota in een bijzonder gebied, zodat het college uitgebreider moest motiveren waarom het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

4.1.    Op 11 juni 2018 heeft de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: de CRK) een positief welstandsadvies gegeven. In aanvulling daarop hebben het college en [vergunninghouder] aangegeven dat de dakopbouw is ontworpen door dezelfde architect die het gehele bouwblok, en dus ook de oorspronkelijke woning, heeft ontworpen. De architect heeft verklaard dat de aanpassingen aan de woning goed tot hun recht komen in het oorspronkelijke bouwblok.

4.2.    Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.

Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.

4.3.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich heeft mogen baseren op het welstandsadvies van de CRK. De Afdeling volgt [appellant A] en [appellant B] niet in hun stelling dat moet worden getwijfeld aan de onpartijdigheid van de CRK. De architect heeft slechts in aanvulling op het welstandsadvies een toelichting gegeven en maakt zelf geen deel uit van de CRK. Evenmin volgt de Afdeling [appellant A] en [appellant B] in hun stelling dat hun niet kan worden tegengeworpen geen tegenadvies te hebben overgelegd, omdat het college heeft nagelaten hen te informeren over de totstandkoming van het welstandsadvies. Het is aan partijen zelf om een tegenadvies over te leggen indien zij dat wenselijk achten en zij hebben daartoe de gehele procedure de gelegenheid gehad. Ter zitting hebben [appellant A] en [appellant B] toegelicht op zichzelf geen bezwaren te hebben tegen de bouwstijl van de dakopbouw, die exact overeenkomt met de stijl van de bestaande woning. Het gaat hen vooral om de hoogte die zij niet passend vinden bij het aanzicht van het bouwblok, wat wordt versterkt door het feit dat het om een hoekwoning gaat.

Gelet op wat hiervoor onder 3.2 is overwogen voldoet de hoogte van de dakopbouw aan het bestemmingsplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, in onder meer de uitspraak van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1129, dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunten dienen te worden gehanteerd. Aangezien de dakopbouw voldoet aan de in het bestemmingsplan opgenomen maximale bouwhoogte moet hiervan bij de welstandstoets worden uitgegaan. Anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen, kan in de enkele bouwhoogte van de dakopbouw dus geen reden zijn gelegen tot een negatief welstandsoordeel. Een ander oordeel zou immers leiden tot een belemmering van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In wat [appellant A] en [appellant B] overigens hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het welstandsadvies van de CRK, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop. Ook is er geen reden te twijfelen aan de juistheid van de ter zitting gegeven toelichting van het college dat de status van bijzonder gebied in de welstandsnota op zichzelf niet samenhangt met de omvang van het welstandsadvies.

De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Het betoog slaagt niet.

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021

195-855.