Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:162

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
27-01-2021
Zaaknummer
202001509/1/R1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:296, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland aan woningbouwcorporatie Zeeuwland een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend voor een al gerealiseerde tuinkamer en een schutting op het perceel [locatie 1] te Burgh-Haamstede. Zeeuwland heeft een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen bij het college ingediend om een door een huurder van de woning gebouwde tuinkamer en erfafscheiding aan de achterzijde van de woning aan de [locatie 1] te legaliseren. Niet in geschil is dat de omvang van het bebouwingsgebied 43,8 m² is en dat daarom ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder f, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht maximaal 21,95 m² aan bijbehorende bouwwerken zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. In dit geschil staat de vraag centraal of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en het college voor de legalisering hiervan een omgevingsvergunning mocht verlenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001509/1/R1.

Datum uitspraak: 27 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Burgh-Haamstede, gemeente Schouwen-Duiveland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 januari 2020 in zaak nr. 19/195 in het geding tussen:

wijlen [overledene] en [appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2018 heeft het college aan woningbouwcorporatie Zeeuwland een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen verleend voor een al gerealiseerde tuinkamer en een schutting op het perceel [locatie 1] te Burgh-Haamstede.

Bij besluit van 28 november 2018 heeft het college het door [overledene] en [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 januari 2020 heeft de rechtbank het door [overledene] en [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [overledene] en [appellant] hoger beroep ingesteld. Op 30 oktober 2020 is [overledene] overleden.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 december 2020, waar het college, vertegenwoordigd door V.J. Folmer, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak

2.       Zeeuwland heeft een aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen bij het college ingediend om een door een huurder van de woning gebouwde tuinkamer en erfafscheiding aan de achterzijde van de woning aan de [locatie 1] te legaliseren. De oppervlakte van de tuinkamer is 15,2 m². Op het perceel is ook een schuur aanwezig. De schuur heeft een oppervlakte van ongeveer 6 m². Verder is aan de achterzijde van de woning een bijkeuken met een oppervlakte van 7,7 m² aangebouwd, die gelijktijdig met de bouw van de woning is gerealiseerd en buiten het bouwaanduidingsvlak is gelegen. Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Burgh-Haamstede" de bestemming "Wonen".

Niet in geschil is dat de omvang van het bebouwingsgebied 43,8 m² is en dat daarom ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder f, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) maximaal 21,95 m² aan bijbehorende bouwwerken zonder omgevingsvergunning mag worden gebouwd. Verder is niet in geschil dat de schuur zonder omgevingsvergunning kon worden opgericht. Omdat de tuinkamer op minder dan één meter vanaf het voetpad is gerealiseerd en ter plaatse redelijke eisen van welstand van toepassing zijn, is niet voldaan aan de in artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder c, van bijlage II bij het Bor genoemde voorwaarden. Alleen al daarom mocht de tuinkamer niet omgevingsvergunningvrij worden opgericht. Dat is ook niet in geschil tussen partijen. Omdat de tuinkamer niet vergunningvrij is op grond van artikel 2 van bijlage II bij het Bor, moet het bouwplan worden getoetst aan het bestemmingsplan.

3.       Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) verleend. Het heeft aan de in bezwaar gehandhaafde vergunning voor de tuinkamer ten grondslag gelegd dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan nodig is. [appellant] woont in de naastgelegen woning en kan zich niet met de verleende omgevingsvergunning verenigen. Zij vindt dat het naast haar woning gelegen perceel te vol wordt gebouwd.

4.       In dit geschil staat de vraag centraal of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en het college voor de legalisering hiervan een omgevingsvergunning mocht verlenen zonder daarvoor af te wijken van het bestemmingsplan. Het draait daarbij om de vraag of door realisering van het bouwplan de volgens het bestemmingsplan maximaal toegestane bebouwde oppervlakte van het achtererf wordt overschreden.

De aangevallen uitspraak

5.       De rechtbank heeft overwogen dat de in de tuin aanwezige schuur een vergunningvrij bouwwerk is en dat de oppervlakte van de schuur daarom niet meetelt bij de vraag of door de bouw van de tuinkamer het maximaal in het bestemmingsplan toegelaten bebouwde oppervlak van het achtererf wordt overschreden. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit jurisprudentie van de Afdeling, zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3488, volgt dat vergunningvrije bouwwerken niet meetellen bij de vraag of door de bouw van andere categorieën bouwwerken de maximaal in het bestemmingsplan toegelaten oppervlakte aan bouwwerken wordt overschreden.

Beoordeling van het hoger beroep

6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de oppervlakte van de schuur niet meetelt bij de toetsing van het bouwplan aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Burgh-Haamstede". Volgens [appellant] volgt uit de Nota van Toelichting bij bijlage II van het Bor dat de oppervlakte van de vergunningvrije schuur moet worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of met realisering van de tuinkamer het in artikel 22.2.4 van de planregels opgenomen maximale toegestane bebouwde oppervlak van het achtererf wordt overschreden.

6.1.    Met de inwerkingtreding van het besluit van 4 september 2014 tot wijziging van het Bor (Stb. 2014, 333) op 1 november 2014 is artikel 2.9 in het Bor opgenomen. Hierin is bepaald dat al aanwezige bouwwerken in het bebouwingsgebied, dus ook als deze vergunningvrij zijn, moeten worden meegeteld bij de beoordeling of een bouwplan binnen de bouwregels van een bestemmingsplan blijft. Dat betekent dat de oppervlakte van de vergunningvrije schuur in mindering moet worden gebracht op het door het bestemmingsplan toegestane maximum van de toegestane bijbehorende bouwwerken. De Afdeling wijst bij wijze van voorbeeld op haar uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3537. De rechtbank heeft dat niet onderkend en zich ten onrechte gebaseerd op uitspraken van de Afdeling van voor de hiervoor bedoelde wijziging van het Bor.

Niet in geschil is dat de oppervlakte van het achtererf als bedoeld in het bestemmingsplan 51,6 m² is. Dat betekent dat op grond van artikel 22.2.4, aanhef en onder a, van de planregels maximaal 25,80 m² van het achtererf buiten het bouwaanduidingsvlak bebouwd mag worden. Omdat de oppervlakte van de schuur en de buiten het bouwaanduidingsvlak gebouwde bijkeuken moeten worden meegenomen bij de toetsing aan deze bouwregel in het bestemmingsplan, zal de in aanmerking te nemen totale bebouwde oppervlakte met de aangevraagde tuinkamer ongeveer 28,9 m² zijn (6 m²+7,7 m²+15,2 m²). Met de toevoeging van de tuinkamer is dus de in het bestemmingsplan maximaal toegelaten bebouwde oppervlakte in het achtererfgebied gelegen buiten het bouwaanduidingsvlak overschreden. Dat betekent dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

Het college had de aanvraag om omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen gelet op artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo daarom ook moeten aanmerken als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo. Dat betekent dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit van 28 november 2018 in strijd met artikel 2.10, eerste lid, onder c, en tweede lid, van de Wabo is genomen. Dit besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Het betoog slaagt.

7.       [appellant] betoogt verder dat rechtsoverweging 7 van de aangevallen uitspraak een misslag bevat. Hierover voert zij aan dat de gronden in het beroep zich niet hebben gericht tegen de schutting aan de zijde van de Dapperweg. [appellant] heeft zich in beroep gericht tegen de erfafscheiding tussen de [locatie 1] en haar perceel op [locatie 2]. Volgens [appellant] is deze erfafscheiding tussen de 2,45 m en 2,65 m hoog en daarmee in strijd met het bestemmingsplan, waarin een maximale hoogte van 2 m is voorgeschreven.

7.1.    Dit betoog faalt. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is de hier aan de orde zijnde omgevingsvergunning verleend voor de erfafscheiding aan de zijde van de Dapperweg en niet voor de erfafscheiding tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2]. De door [appellant] aangevoerde gronden over de tussen deze percelen aanwezige erfafscheiding kunnen in deze procedure dan ook geen rol spelen. Voor zover [appellant] van mening is dat dat deze schutting in strijd is met het bestemmingsplan kan zij zich tot het college wenden met een handhavingsverzoek.

Conclusie

8.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 28 november 2018 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. Het college zal met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 3 juli 2018.

9.       Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuw te nemen besluit op de tegen het besluit van 3 juli 2018 gemaakte bezwaren van Hoppezak slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

10.     Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 januari 2020 in zaak nr. 19/195;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland van 28 november 2018, kenmerk RenM/85934;

V.      bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellant] slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1602,00 (zegge: zestienhonderdtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland aan [appellant] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 439,00 (zegge: vierhonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021

604.

 

BIJLAGE

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

Artikel 2.10, tweede lid

In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.9

Bij de vaststelling of het bouwen van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II in achtererfgebied als bedoeld in dat artikellid al dan niet in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening, worden reeds aanwezige bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied, bedoeld in dat artikellid, in mindering gebracht op het door het bestemmingsplan of de beheersverordening toegestane maximum van die bouwwerken.

Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder :

[…]

bebouwingsgebied: achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

[…]

openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

[…].

Artikel 2, aanhef en onderdeel 3, onder c en f

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

[…]

c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

[…]

f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied,

2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m²,

3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m²

[…}.

Bestemmingsplan Burgh-Haamstede

1.7 achtererf

gedeelte van het erf tussen de achtergevellijn en de aan de achterzijde van het hoofdgebouw gelegen erfgrens.

1.8 achtergevel van een hoofdgebouw

het meest achterwaarts gelegen deel van een hoofdgebouw.

1.9 achtergevellijn

denkbeeldige lijn die strak loopt langs de achtergevel van een hoofdgebouw tot aan de bouwperceelgrenzen.

Artikel 22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen in woningen;

[…]

g. hierbij horende ondergeschikte voorzieningen, zoals voet- en fietspaden, inritten, parkeervoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen en tuinen.

22.2.4 Bijbehorende bouwwerken en overkappingen

a.       De totale bebouwde oppervlakte van het zij- en achtererf gelegen buiten het bouwaanduidingsvlak, overkappingen meegerekend, bedraagt maximaal 50% met een maximum van 40 m², tenzij op de verbeelding anders is aangeduid;

[…].