Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1604

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2021
Datum publicatie
21-07-2021
Zaaknummer
202005151/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2020 heeft de raad van de gemeente West Betuwe het bestemmingsplan "Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt" gewijzigd vastgesteld. Het plan voorziet in een aantal ontwikkelingen binnen de gemeente West Betuwe. Het plan maakt onder meer mogelijk dat op een perceel aan de Buitenweg 48 in Haaften, in ruil voor de sloop van aldaar aanwezige glastuinbouwkassen, twee vrijstaande woningen worden gerealiseerd en de op het perceel aanwezige bedrijfswoning wordt bestemd als burgerwoning. Op dat perceel rustte, onder het hiervoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017", de bestemming "Agrarisch". Onder het nieuwe plan rust op het perceel de bestemming "Wonen". het plan maakt het ook mogelijk dat op het perceel Karnheuvelsestraat 16 in Est, na de sloop van aldaar aanwezige glastuinbouwkassen, een aantal woningen wordt gebouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2021/7303
ABkort 2021/470
AB 2022/6 met annotatie van K.J. de Graaf, A. Stoetman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005151/1/R4.

Datum uitspraak: 21 juli 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Haaften, gemeente Neerijnen,

appellant,

en

de raad van de gemeente West Betuwe,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld op 24 maart 2021, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door drs. F. Schmidt, [partij B] en [partij C], zijn verschenen. Voorts zijn [partij A], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en [partij B] en [partij C] op de zitting gehoord.

Na het sluiten van het onderzoek op de zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend en de raad bij brief van 26 maart 2021 in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op de door de Afdeling gestelde vragen. Bij brief van 20 april 2021 heeft de raad gebruikgemaakt van deze gelegenheid. [appellant] heeft op 6 mei 2021 in een nader stuk gereageerd op de brief van de raad.

Geen van de partijen heeft verklaard gebruik te willen maken van het recht opnieuw op een zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan voorziet in een aantal ontwikkelingen binnen de gemeente West Betuwe. Het plan maakt onder meer mogelijk dat op een perceel aan de Buitenweg 48 in Haaften (hierna: het plandeel Haaften), in ruil voor de sloop van aldaar aanwezige glastuinbouwkassen, twee vrijstaande woningen worden gerealiseerd en de op het perceel aanwezige bedrijfswoning wordt bestemd als burgerwoning. Op dat perceel rustte, onder het hiervoor geldende bestemmingsplan "Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017", de bestemming "Agrarisch". Onder het nieuwe plan rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Het plan maakt het ook mogelijk dat op het perceel Karnheuvelsestraat 16 in Est (hierna: plandeel Est), na de sloop van aldaar aanwezige glastuinbouwkassen, een aantal woningen wordt gebouwd.

2.       [appellant] is eigenaar van een perceel dat deels in het plandeel Haaften is opgenomen. Het perceel van [appellant] ligt op ongeveer 10 km afstand van het plandeel Est. Op het perceel waarvan [appellant] eigenaar is, is geen bebouwing aanwezig. [appellant] is het niet eens met het plan, onder meer omdat zijn perceel volgens hem ten onrechte in het plan is opgenomen en omdat hij vreest dat met het plan de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel worden beperkt.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ontvankelijkheid

4.       De raad heeft kanttekeningen geplaatst bij de ontvankelijkheid van [appellant] bij het plandeel Est, omdat hij volgens de raad geen belanghebbende is bij dat plandeel en ook geen zienswijze tegen het ontwerpplan over dat plandeel heeft ingediend. Het betoog van [appellant] dat de eigenaren van de percelen van het plandeel Est ten onrechte twee keer gecompenseerd zijn voor het saneren van de daarop aanwezige glastuinbouwkassen moet daarom onbesproken blijven, aldus de raad.

4.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren als afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen van de toegestane activiteit kunnen daarbij van belang zijn.

4.2.    Gelet op de afstand van 10 km tussen het perceel van [appellant] en het plandeel Est is de Afdeling van oordeel dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit van 30 juni 2020, voor zover dat ziet op het plandeel Est. Vanwege die afstand is ook niet aannemelijk dat [appellant] feitelijke gevolgen zal ondervinden van de aldaar mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkeling.

De Afdeling ziet zich vervolgens (gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 en hetgeen de Afdeling daarover heeft overwogen in de uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953) gesteld voor de vraag of de omstandigheid dat [appellant] geen belanghebbende is bij het plandeel Est tot de conclusie dient te leiden dat hij geen beroep kan instellen tegen het besluit over dit plandeel. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Bij de uitspraak van 4 mei 2021, heeft de Afdeling - tegen de achtergrond van het arrest van 14 januari 2021 - overwogen dat aan degene die bij een besluit geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, maar die wel een zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpbesluit op basis van de in het nationale omgevingsrecht gegeven mogelijkheid daartoe, of dat verschoonbaar heeft nagelaten, in beroep niet zal worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is. De Afdeling merkt op dat het hier aan de orde zijnde geval anders is dan de situatie in de uitspraak van 4 mei 2021. In deze zaak heeft [appellant] weliswaar een zienswijze over het ontwerpbesluit ingediend, maar die zienswijze richt zich alleen tegen het plandeel Haaften en richt zich niet tegen het plandeel Est. Daarbij heeft [appellant] niet gesteld dat het niet inbrengen van een zienswijze over het plandeel Est hem niet kan worden verweten. [appellant] heeft zich zodoende pas in beroep gericht tegen het plandeel Est, waarbij hij geen belanghebbende is. De Afdeling ziet in het arrest van 14 januari 2021 geen aanknopingspunten dat het niet zijn van belanghebbende bij dit plandeel in een dergelijke situatie niet in beroep mag worden tegengeworpen.

Dit betekent dat [appellant] als niet-belanghebbende geen beroep kan instellen tegen het besluit van 30 juni 2020, voor zover dat ziet op het plandeel Est. Het beroep tegen dit plandeel is niet-ontvankelijk. De Afdeling zal daarom het beroep tegen dit plandeel niet inhoudelijk behandelen.

Plandeel Haaften

Planbegrenzing

5.       [appellant] betoogt dat zijn perceel voor een deel ten onrechte is opgenomen in het plan. Hij ondervindt nadelige gevolgen van het plan, doordat zijn perceel daarin deels is opgenomen, aldus [appellant].

5.1.    De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Wat [appellant] heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Hierbij betrekt de Afdeling dat in het voorgaande plan ook ter plaatse van een deel van het perceel van [appellant] was voorzien in een bouwvlak met de aanduiding "Glastuinbouw". De raad heeft toegelicht dat hij met het vastgestelde plan het bouwvlak met die aanduiding in zijn geheel heeft verwijderd teneinde binnen delen van het plandeel Haaften in de plaats daarvan woningbouw mogelijk te maken. Gelet op die motivering heeft de raad het betrokken deel van het perceel van [appellant] in redelijkheid ook in het plandeel Haaften kunnen betrekken. Dat [appellant] daarvan op zijn perceel gevolgen zal ondervinden, betekent niet dat zijn perceel daarom niet gedeeltelijk onderdeel van het plandeel Haaften kan zijn. Die gevolgen moeten wel betrokken worden bij het besluit tot het vaststellen van het plan.

Het betoog slaagt niet.

Belangenafweging

6.       [appellant] betoogt dat de raad onvoldoende oog heeft gehad voor zijn belangen bij de vaststelling van het plan. Door het plan kan hij de op zijn perceel aanwezige fruitbomen niet meer spuiten en ook geen nieuwe fruitbomen meer planten. Daarnaast staat het plan op het betrokken deel van zijn perceel enkel hobbymatig grondgebonden agrarische activiteiten toe, terwijl het voorgaande plan aldaar ook grondgebonden agrarische bedrijven toestond. Daardoor wordt hij onevenredig beperkt in zijn gebruiksmogelijkheden, aldus [appellant].

6.1.    Onder het voorgaande plan rustte op het perceel van [appellant] de bestemming "Agrarisch". Artikel 3.1 van de planregels van het voorgaande plan luidde:

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. grondgebonden agrarische bedrijven […]

b. hobbymatige grondgebonden agrarische activiteiten;

[…].

6.2.    Op het in het plandeel Haaften betrokken deel van het perceel van [appellant] rust onder het vastgestelde plan de bestemming "Agrarisch". Artikel 3.1 van de planregels luidt:

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. Hobbymatige grondgebonden agrarische activiteiten;

[…].

Artikel 3.3.1 van de planregels luidt:

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen:

a. Boomgaarden binnen een afstand van 50 m tot (bedrijfs)woningen, sport- en recreatievoorzieningen en maatschappelijke voorzieningen, behoudens bestaande en vervanging van bestaande boomgaarden;

[…].

Artikel 3.4.1 van de planregels luidt:

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor afwijking van het bepaalde in artikel 3 lid 3.1 sub a ten behoeve van de realisering van een boomgaard binnen 50 m van gevoelige functies, mits uit onderzoek blijkt dat:

a. De afwijking milieuhygiënisch inpasbaar is.

b. Er geen hinder is voor omliggende (bedrijfs)woningen en bedrijven.

6.3.    In wat [appellant] heeft aangevoerd over de fruitbomen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat hij onevenredig in zijn belangen wordt geraakt. Daarbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking. Uit de Nota van zienswijzen blijkt dat de raad onderzoek heeft verricht naar het feitelijke gebruik van het perceel van [appellant]. In de Nota van zienswijzen staat dat het perceel van [appellant] in gebruik is als weiland en dat er geen boomgaard aanwezig is. [appellant] heeft dat in zijn beroepschrift ook niet betwist. De enkele, eerst op de zitting ingenomen stelling van [appellant] dat wel een aantal fruitbomen op zijn perceel aanwezig is, is onvoldoende om aan die constatering van de raad te twijfelen. Daarbij acht de Afdeling ook van belang dat [appellant] op de zitting heeft toegelicht dat zijn perceel volledig is overwoekerd en dat uit de foto’s van het perceel, die opgenomen zijn in de plantoelichting, niet blijkt dat aldaar fruitbomen aanwezig zijn. Gelet op het voorgaande heeft de raad in de door hem verrichte belangenafweging meer gewicht kunnen toekennen aan het belang van de woningbouw, die het plan mogelijk maakt, dan aan het belang van [appellant] bij het behoud van bestaande planologische mogelijkheden.

De Afdeling stelt vast dat [appellant] het standpunt heeft ingenomen dat hij al jaren geen woning mag bouwen op zijn perceel, terwijl met het plandeel Haaften wordt toegestaan dat naast zijn perceel woningen kunnen worden gebouwd. De raad heeft daarover toegelicht dat voor de mogelijk gemaakte woningen de ruimte voor ruimte regeling is toegepast. De aanwezige glastuinbouwkassen op het perceel naast het perceel van [appellant] worden gesloopt in ruil voor die woningen. Gelet op deze toelichting geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet aanvaardbaar is. De vraag of het perceel van [appellant] ook in aanmerking komt voor toepassing van de ruimte voor ruimte regeling ligt in deze procedure niet voor. Overigens heeft de raad erop gewezen dat op het perceel van [appellant] geen agrarische bebouwing aanwezig is, zodat op zijn perceel alleen met de aankoop van zogenoemde sloopmeters elders de ruimte voor ruimte regeling zou kunnen worden toegepast.

6.4.    Over de beperking in de gebruiksmogelijkheden overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft in de brief van 20 april 2021 te kennen gegeven dat met het plan, voor zover dat betrekking heeft op het perceel van [appellant], is beoogd om het daarop aanwezige agrarisch bouwvlak te verwijderen. Niet is beoogd om de bestemming zodanig te wijzigen dat op dat perceel geen grondgebonden agrarische bedrijvigheid meer is toegestaan. De raad ziet er geen belemmering in als artikel 3.1 van de planregels wat betreft de gebruiksmogelijkheden op het perceel van [appellant] wordt uitgebreid met het toestaan van grondgebonden agrarische bedrijvigheid. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat op het andere deel van het perceel van [appellant], dat niet is opgenomen in het plan en waarop het bestemmingsplan "Buitengebied Neerijnen, veegplan 2017" van toepassing is, ook grondgebonden agrarische bedrijven zijn toegestaan.

Gelet op het door de raad in de brief van 20 april 2021 ingenomen standpunt was het niet de bedoeling van de raad om, anders dan het plan bepaalt, op het perceel van [appellant] geen grondgebonden agrarische bedrijven meer toe staan. Dat maakt dat het besluit van 30 juni 2020 niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dat het plan in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. Het betoog van [appellant] slaagt in zoverre.

Conclusie

7.       Het beroep, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel Est, is niet-ontvankelijk. Het beroep over het plandeel Haaften is gegrond, gelet op het onder 6.4 geconstateerde gebrek. Het besluit van 30 juni 2020 moet, voor zover in het plan niet is bepaald dat grondgebonden agrarische bedrijven op het in het plandeel Haaften begrepen deel van het perceel van [appellant] zijn toegestaan, worden vernietigd vanwege strijd met artikel 3:2 van de Awb.

8.       De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. De Afdeling geeft de raad in overweging om op het in het plandeel Haaften begrepen deel van het perceel van [appellant] bedrijfsmatige agrarische grondgebonden activiteiten toe te staan in het nieuw te nemen besluit.

9.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep, voor zover dat ziet op het plandeel ter plaatse van het perceel Karnheuvelsestraat 16 in Est, niet-ontvankelijk;

II.       verklaart het beroep, voor zover dat ziet op het plandeel ter plaatse van het perceel Buitenweg 48 in Haaften, gegrond;

III.      vernietigt het besluit van de raad van de gemeente West Betuwe van 30 juni 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Herontwikkelingsplan Est-Tuil-Haaften-Heesselt", voor zover in het plan niet is bepaald dat grondgebonden agrarische bedrijven op het in het plandeel Haaften begrepen deel van het perceel kadastraal bekend gemeente Haaften, sectie L, sectie 241 zijn toegestaan;

IV.     draagt de raad van de gemeente West Betuwe op om ten aanzien van onderdeel III. met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, binnen 22 weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V.      gelast dat de raad van de gemeente West Betuwe aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2021

418-971.