Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1599

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-07-2021
Datum publicatie
21-07-2021
Zaaknummer
202002601/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:2344, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juni 2014 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen. Dit hoger beroep ziet op de afwijzing van het verzoek van [appellant] om schadevergoeding. Volgens [appellant] is zijn woning beschadigd door zwaar vrachtverkeer dat gedurende een lange periode langs zijn woning is gereden. [appellant] woont sinds 1980 aan de [locatie] in Dordrecht, nabij de PLUS supermarkt op het Damplein. Deze supermarkt is omstreeks het jaar 2000 verbouwd. Sinds deze verbouwing worden de voor de supermarkt bestemde goederen gelost aan de achterzijde van de supermarkt aan de Damstraat/Dubbeldreef. De gebruikelijke aanrijroute van de vrachtwagens die de supermarkt bevoorraden loopt via de Damstraat. Hierdoor is het vrachtverkeer in de Damstraat volgens [appellant] fors toegenomen. Naar aanleiding van klachten hierover zijn verkeersbesluiten genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2021/93 met annotatie van J.W. van Zundert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002601/1/A2.

Datum uitspraak: 21 juli 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dordrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 maart 2020 in zaak nr. 18/3796 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om vergoeding van schade afgewezen.

Bij besluit van 12 juni 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.B. Visser, advocaat te Dordrecht, en vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.J. Jacobse, advocaat te Middelburg, vergezeld door mr. E. Boone-Tange zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Dit hoger beroep ziet op de afwijzing van het verzoek van [appellant] om schadevergoeding. Volgens [appellant] is zijn woning beschadigd door zwaar vrachtverkeer dat gedurende een lange periode langs zijn woning is gereden.

2.       [appellant] woont sinds 1980 aan de [locatie] in Dordrecht, nabij de PLUS supermarkt op het Damplein. Deze supermarkt is omstreeks het jaar 2000 verbouwd. Sinds deze verbouwing worden de voor de supermarkt bestemde goederen gelost aan de achterzijde van de supermarkt aan de Damstraat/Dubbeldreef. De gebruikelijke aanrijroute van de vrachtwagens die de supermarkt bevoorraden loopt via de Damstraat. Hierdoor is het vrachtverkeer in de Damstraat volgens [appellant] fors toegenomen. Naar aanleiding van klachten hierover zijn verkeersbesluiten genomen.

3.       Bij besluit van 21 mei 2003 heeft het college voor een gedeelte van de Damstraat een inrijverbod voor vrachtwagens, zwaarder dan 3,5 ton ingesteld. Na bezwaar van omwonenden is dit besluit bij besluit op bezwaar van 23 maart 2004 gewijzigd en is de gehele Damstraat afgesloten voor vrachtverkeer. Van dit verbod is aan leveranciers voor de supermarkt ontheffing (onder voorwaarden) verleend voor (maximaal 12) vrachtwagenbewegingen (6 vrachtwagens) per dag.

4.       In 2008 heeft [appellant] in een civiele procedure gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de gemeente aansprakelijk is voor schade aan zijn woning als gevolg van het nalaten fysieke maatregelen te treffen teneinde te voorkomen dat het inrijverbod in de Damstraat wordt overtreden. Verder heeft hij gevorderd dat de gemeente wordt veroordeeld zodanige maatregelen te nemen, dat het voor vrachtwagens niet mogelijk is vanuit de Damstraat de Dubbeldreef in te rijden. Bij vonnis van 5 maart 2008 (ECLI:NL:RBDOR:2008:BC6039) heeft de rechtbank Dordrecht de vorderingen afgewezen. Bij arrest van 23 augustus 2011 (ECLI:NL:GHSGR:2011:BU6435) heeft het gerechtshof 's-Gravenhage dit vonnis bekrachtigd.

5.       In 2008 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen de verleende ontheffingen van het vrachtwagenverbod. Ook heeft hij verzocht om handhaving omdat het inrijverbod en de voorwaarden verbonden aan de ontheffingen worden overtreden. Naar aanleiding hiervan heeft het college zich in het besluit van 4 maart 2009 op het standpunt gesteld dat inmiddels een algemeen inrijverbod voor vrachtwagens in de Damstraat is ingesteld.

6.       Bij vonnis in kort geding van 2 juli 2009 (ECLI:NL:RBDOR:2009:BJ1231) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht de vordering van [appellant] om veroordeling van de gemeente om een wegversmalling alsmede een boog over de weg aan te brengen ter hoogte van de kruising Damstraat/Dubbeldreef afgewezen.

7.       Bij besluit op bezwaar van 2 februari 2011 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat aan het verzoek tot handhaving tegemoet is gekomen, omdat een algemeen inrijverbod voor vrachtwagens is ingesteld. Voorts wordt voor het standpunt dat geen fysieke maatregelen hoeven te worden getroffen, verwezen naar de overwegingen in het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 2 juli 2009.

8.       Bij uitspraak van 16 maart 2012 heeft de rechtbank Dordrecht het door [appellant] ingestelde beroep met betrekking tot zijn handhavingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover het college in het besluit van 2 februari 2011 heeft besloten geen verdergaande fysieke maatregelen te treffen, het om een besluit in primo gaat en dus niet om een besluit op bezwaar. Het beroepschrift van [appellant] is voor dit punt doorgezonden naar het college ter behandeling als bezwaar.

9.       Bij besluit van 28 juni 2012 heeft het college het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 2 februari 2011, voor zover daarbij is geweigerd de Damstraat fysiek af te sluiten voor vrachtwagens, als bezwaar aangemerkt, dat bezwaar gegrond verklaard, voormelde weigering herroepen en aangegeven alsnog een verkeersbesluit te zullen nemen tot fysieke afsluiting van de Damstraat. Dit is gevolgd door het besluit van 25 juli 2012 op basis waarvan palen zijn geplaatst ter hoogte van Damstraat 7.

10.     De Afdeling heeft bij uitspraak van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:262) het hoger beroep van [appellant] gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 16 maart 2012 gegrond verklaard. De Afdeling heeft geoordeeld dat het besluit van 2 februari 2011 in zijn geheel moet worden opgevat als een besluit op bezwaar en heeft de uitspraak van de rechtbank vernietigd omdat de rechtbank het beroep van [appellant] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook heeft de Afdeling het besluit van 2 februari 2011 vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) omdat het college zich op grond van onzorgvuldig onderzoek en zonder deugdelijke motivering op het standpunt heeft gesteld dat het treffen van fysieke maatregelen wegens de aanrijtijden van hulpdiensten onaanvaardbaar is. Het college hoefde geen nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 4 maart 2009 te nemen omdat met het besluit van 28 juni 2012, gelezen in verbinding met dat van 25 juli 2012, geheel is tegemoetgekomen aan het hoger beroep.

11.     Bij brief van 25 februari 2014 heeft [appellant] de gemeente Dordrecht aansprakelijk gesteld voor de schade die is ontstaan aan zijn woning omdat de inrijverboden door de gemeente niet zijn gehandhaafd. Bij brief van 11 april 2014 is dit door de gemeente van de hand gewezen omdat causaal verband tussen de schade en een onrechtmatig besluit ontbreekt.

12.     Bij brief van 5 mei 2014 heeft [appellant] het college verzocht om een vergoeding van de door hem geleden schade. Bij het besluit van 4 juni 2014 heeft het college dit verzoek afgewezen. Deze afwijzing heeft het college gehandhaafd bij het besluit van 12 mei 2015.

13.     Bij uitspraak van 2 juni 2016 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 mei 2015 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

De rechtbank heeft in deze uitspraak overwogen dat het verkeersbesluit van 21 mei 2003 en het hierop betrekking hebbende besluit op bezwaar van 23 maart 2004, alsmede het verkeersbesluit van 4 maart 2009 en het hierop betrekking hebbende besluit op bezwaar van 2 maart (lees: februari) 2011 in deze procedure van belang zijn. Volgens de rechtbank vindt het verzoek om schadevergoeding van [appellant] zijn grondslag in de vermeende onrechtmatigheid van besluiten en/of nadeelcompensatie. Omdat de gestelde schade is veroorzaakt door een besluit of handeling van vóór 1 juli 2013, is het recht van toepassing zoals dat gold tot deze datum.

Volgens de rechtbank is het college terecht uitgegaan van de rechtmatigheid van de besluiten van 21 mei 2003 en 23 maart 2004. Deze besluiten staan in rechte vast en hebben formele rechtskracht.

Over het verzoek om nadeelcompensatie heeft de rechtbank geoordeeld dat het college geen blijk heeft gegeven dat is bezien of sprake is geweest van een rechtsgeldige stuiting van de verjaring. Ook heeft het college in zijn inhoudelijk standpunt miskend dat de feitelijke situatie in 2001 is gewijzigd en dat dit voor extra vrachtwagenverkeer in de Damstraat heeft gezorgd. Het besluit van 12 mei 2015 is daarom ondeugdelijk gemotiveerd.

Over onrechtmatige besluiten als grondslag voor schadevergoeding heeft de rechtbank geoordeeld dat hierbij de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, waarin het besluit van het college van 2 februari 2011 is vernietigd, uitgangspunt is. Dit laatste besluit is dus onrechtmatig. Volgens deze uitspraak had het op de weg van het college gelegen nader te onderzoeken of het instellen van het algemene inrijverbod zonder fysieke maatregelen voldoende was om te voorkomen dat vrachtwagens door de Damstraat zouden blijven rijden. Door dit niet te doen heeft het college de belangen van [appellant] als omwonende en het risico op (verergering van) schade volgens de rechtbank onvoldoende serieus genomen. Ook daarom kan het besluit van 12 mei 2015 niet in stand blijven. Gezien het motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek dient het college een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Indien het college tot de heroverweging komt dat [appellant] alsnog een vergoeding toekomt wegens schade als gevolg van het besluit van 4 maart 2009 en het besluit van 2 februari 2011, is het niet ondenkbaar dat een deel van de schade niet aan die besluiten is toe te rekenen omdat dat deel al daarvóór was ontstaan. Dit laat onverlet dat een verergering van de schade dient te worden begroot, ook als het moeilijk is achteraf te bepalen welk deel dat is geweest. In elk geval is het niet zo dat deze moeilijkheid zonder meer voor risico van [appellant] moet komen. Indien het college bij het nieuwe besluit op bezwaar bij het standpunt blijft dat hij niet eerder dan in oktober 2011 fysieke maatregelen tot afsluiting heeft kunnen treffen, vergt dit volgens de rechtbank een onderzoek en onderbouwing.

14.     Bij het besluit van 12 juni 2018 heeft het college het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard. Het college werpt [appellant] niet langer tegen dat de vordering zou zijn verjaard. Ook gaat het college uit van de onrechtmatigheid van de besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011.

Wat betreft het verzoek om nadeelcompensatie baseert het college zich op het advies van een deskundigencommissie van 1 mei 2018 en op een rapport van Lengkeek Expertises van 21 juni 2017 (hierna: rapport Lengkeek). Wat betreft het verzoek om schadevergoeding voor de onrechtmatige besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 baseert het college zich eveneens op het rapport van Lengkeek. Het college volgt niet de conclusies uit de door [appellant] overgelegde onderzoeksrapporten van KOAC WMD uit 2003 en van ZNEB uit 2009. Uit het eerste rapport volgt niet dat er causaal verband bestaat tussen de schade aan de woning en de trillingen door het vrachtverkeer. Uit het rapport uit 2009 volgt dit verband wel, maar onder verwijzing naar het rapport van Lengkeek heeft het college dit niet overgenomen. Ook ziet het college gezien het aanvullende rapport van Lengkeek van 19 februari 2018 geen aanleiding om overeenkomstig het door [appellant] overgelegde tegenrapport van BK Bouw- & Milieuadvies van 20 december 2017 haar standpunt te wijzigen.

Volgens het college bestaat er geen causaal verband tussen de gestelde schade en de besluiten die [appellant] daarvoor als oorzaak aanwijst.

Uitspraak van de rechtbank

15.     De rechtbank heeft overwogen dat het geschil is ingekaderd door de onherroepelijke uitspraak van de rechtbank van 2 juni 2016. Het kan in deze procedure nog slechts gaan over de schadeoorzaken die aan de orde waren in die uitspraak. Dat betekent dat alleen de vraag centraal staat of de rechtmatige besluiten van 21 mei 2003 en 23 maart 2004 aanleiding geven voor nadeelcompensatie en of de onrechtmatige besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 schade hebben veroorzaakt die het college moet vergoeden. Volgens de rechtbank is niet aan de orde of grond bestaat voor schadevergoeding omdat, zoals [appellant] stelt, het college eerder fysieke verkeersmaatregelen had moeten nemen en handhavend had moeten optreden tegen overtreding van de verkeersbesluiten tot beperking van het vrachtverkeer.

15.1.  Over het verzoek om nadeelcompensatie heeft de rechtbank geoordeeld dat met de nadere motivering van het college en de uitleg op de zitting aan de hand van een plattegrond van de verkeerssituatie vanaf 2001 en de aanpassingen van de bevoorradingsroute naar aanleiding van de klachten van bewoners destijds, het college deugdelijk heeft gemotiveerd dat de besluiten van 21 mei 2003 en 23 maart 2004 niet tot nadeel voor [appellant] hebben geleid. Met die verkeersbesluiten is immers een beperking opgelegd aan het toegestane vrachtverkeer ter hoogte van de woning van [appellant]. Dat er, zoals [appellant] heeft gesteld, feitelijk geen verbetering is opgetreden omdat de verkeersbesluiten werden overtreden, betekent niet dat die besluiten zelf tot nadeel hebben geleid.

15.2.  Over het verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank overwogen dat partijen het erover eens zijn dat de schade aan de woning van [appellant] is ontstaan voor 4 maart 2009. Dit betekent dat, zoals ook volgt uit rechtsoverweging 5.7 van de uitspraak van 2 juni 2016, de onrechtmatige besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 slechts aanleiding geven voor schadevergoeding voor zover na 4 maart 2009 een verergering van de schade is opgetreden. Het is, ook na de uitspraak van 2 juni 2016, aan [appellant] om dat aannemelijk te maken. Met het rapport van ZNEB uit 2009 noch met het rapport van BK Bouw- & Milieuadvies uit 2017 is aannemelijk gemaakt dat de schade aan de woning van [appellant] na 4 maart 2009 is verergerd. Gelet hierop is volgens de rechtbank niet komen vast te staan dat de onrechtmatige besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 tot schade hebben geleid, zodat voor vergoeding daarvan geen grond bestaat.

Hoger beroep en oordeel van de Afdeling

16.     [appellant] kan zich niet in deze uitspraak van de rechtbank vinden. Hieronder zal de Afdeling eerst oordelen over de gronden die zien op nadeelcompensatie. Daarna volgt het oordeel over de gronden die zien op schadevergoeding ten gevolge van de onrechtmatige besluiten.

17.     Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de gestelde overtredingen en het gestelde ontbreken van handhaving van de besluiten buiten het bestek van de procedure vallen. Volgens hem heeft de rechtbank ook ten onrechte geoordeeld dat de besluiten van 21 mei 2003 en 23 maart 2004 voor hem een verbetering van zijn situatie hebben betekend. Volgens [appellant] hebben de besluiten geen einde gemaakt aan de mogelijkheid voor vrachtwagens door de Damstraat te rijden. De besluiten waren dus geen effectieve maatregelen tegen vrachtbewegingen in de Damstraat en brachten ook geen verbetering voor hem met zich. De schade die hij heeft geleden als gevolg van vrachtverkeer door de Damstraat is mede veroorzaakt door die besluiten, aldus [appellant].

17.1.  De deskundigencommissie (hierna: de commissie) heeft onderzocht of de door [appellant] gestelde schade een gevolg is van de besluiten van 21 mei 2003 en/of 23 maart 2004. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het ‘Advies inzake het verzoek om nadeelcompensatie’ van 1 mei 2018. De commissie wijst erop dat de besluiten een verdergaande beperking voor het vrachtverkeer door de Damstraat met zich brachten ten opzichte van de voorgaande situatie. Zo is in het besluit van 21 mei 2003 voor een groot gedeelte van de Damstraat - dit is het gedeelte waaraan [appellant] woont - een vrachtwagenverbod ingesteld. Het besluit van 23 maart 2004 heeft hier het resterende gedeelte van de Damstraat aan toegevoegd. Op grond van deze verboden mocht het vrachtverkeer al met ingang van 21 mei 2003 niet langer langs de woning van [appellant] rijden. Voor [appellant] is dus sprake van een verbetering ten opzichte van de situatie die hieraan voorafging. De schade kan volgens de commissie dan ook niet het gevolg zijn van de besluiten van 21 mei 2003 en 23 maart 2004. Dat vrachtwagenchauffeurs het vrachtwagenverbod zouden hebben genegeerd of harder zouden hebben gereden dan toegestaan, is volgens de commissie niet relevant omdat deze gedragingen geen gevolgen zijn van de genoemde besluiten. Nu de vereiste causaliteit ontbreekt, adviseert de commissie het verzoek om nadeelcompensatie af te wijzen. De reacties van [appellant] en het college op het conceptadvies zijn voor de commissie geen reden geweest dit standpunt te herzien.

17.2.  In de uitspraak van 2 juni 2016 heeft de rechtbank overwogen dat, voor zover het de nadeelcompensatiekwestie betreft, het rechtmatige verkeersbesluit van 21 mei 2003 en het hierop betrekking hebbende rechtmatige besluit op bezwaar van 23 maart 2004 in deze procedure als schadeoorzaken voorliggen. Hiertegen is geen hoger beroep ingesteld zodat van deze uitspraak, met de hierin vastgelegde afbakening van het geding, moet worden uitgegaan. De rechtbank heeft in de thans aangevallen uitspraak terecht overwogen dat het college op grond van de uitspraak van 2 juni 2016 diende te heroverwegen of de verkeersbesluiten van 21 mei 2003 en 23 maart 2004 schade bij [appellant] hebben veroorzaakt die voor nadeelcompensatie in aanmerking komt. De vraag of er aanleiding bestaat voor schadevergoeding ten gevolge van overtreding van de besluiten, het vermeende nalaten van handhavend optreden en/of van vrachtwagenverkeer op grond van verleende ontheffingen, verleend bij andere besluiten, wat hier verder ook van zij, valt dus buiten de omvang van dit geding.

Met het besluit van 21 mei 2003 heeft het college voor een gedeelte van de Damstraat een inrijverbod voor vrachtwagens ingesteld. Na bezwaar is dit besluit bij het besluit van 23 maart 2004 gewijzigd en is de gehele Damstraat afgesloten voor vrachtverkeer. Deze besluiten betekenen dus een beperking voor het vrachtverkeer bij de woning van [appellant]. Volgens de deskundigencommissie heeft dit voor [appellant] tot een verbetering ten opzichte van de situatie die hieraan voorafging geleid en kan de schade geen gevolg zijn van de twee besluiten. Dat er volgens [appellant] geen verbetering van zijn situatie is opgetreden, omdat niet is opgetreden tegen overtreding van de besluiten, betekent niet dat de twee besluiten voor [appellant] hebben geleid tot een verslechtering van de verkeerssituatie op de Damstraat waardoor hij schade lijdt.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de besluiten van 21 mei 2003 en 23 maart 2004 geen nadeel voor [appellant] met zich hebben gebracht.

Het betoog slaagt niet.

18.     Over het verzoek om schadevergoeding wegens de onrechtmatige besluiten heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte geoordeeld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn schade door de besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 is verergerd. In dit verband verwijst [appellant] naar de uitspraak van de rechtbank van 2 juni 2016 waarin de rechtbank over de verergering van de schade en de moeilijkheid bij de begroting hiervan achteraf te bepalen welk deel van de schade dat is geweest, heeft overwogen dat dit niet zonder meer voor risico van [appellant] komt. Zo nodig moet het college - of de rechter - een schatting maken. De rechtbank heeft dat in haar uitspraak van 19 maart 2020 ten onrechte niet gedaan.

18.1.  Vast staat dat de besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 onrechtmatig zijn.

In de uitspraak van de rechtbank van 2 juni 2016 staat in overweging 5.7: "Indien verweerder bij de nieuwe beslissing tot de heroverweging komt dat eiser alsnog een vergoeding toekomt wegens schade als gevolg van het besluit van 4 maart 2009 en het besluit van 2 februari 2011, is niet ondenkbaar dat een deel van de schade niet aan die besluiten is toe te rekenen omdat dat deel al daarvóór was ontstaan. Nog daargelaten de hiervoor besproken gestelde grondslag van nadeelcompensatie voor die eerdere periode, laat dit onverlet dat daarna ontstane schade, dus een verergering van de schade, dient te worden begroot, zelfs wanneer het moeilijk is achteraf te bepalen welk deel dat is geweest. In elk geval is het niet zo dat deze moeilijkheid zonder meer voor risico van eiser komt. Zo nodig zal verweerder - of de rechter - een schatting moeten maken. Voor een schadebegroting zou het dienstig zijn als verweerder een schaderapport zou laten opmaken, betreffende een onderzoek naar de gestelde schade, de oorzaak daarvan, de periodes waarin die is ontstaan en zich heeft ontwikkeld, en de (financiële) hoogte ervan voor de hier relevante periode(s)."

Deze overweging ziet naar het oordeel van de Afdeling op de begroting van de omvang van de eventuele (verergering van de) schade en niet op het causaal verband tussen enerzijds het besluit van 4 maart 2009 en het besluit van 2 februari 2011 en anderzijds de door [appellant] gestelde schade. Zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen is het in beginsel aan [appellant] om aannemelijk te maken dat hij als gevolg van de onrechtmatige besluiten schade heeft geleden. Het college heeft zich wat betreft het verzoek om schadevergoeding voor de onrechtmatige besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 gebaseerd op het rapport van Lengkeek. Volgens dit rapport kan (verergering van) de schade niet worden toegerekend aan deze besluiten. Gelet hierop en hetgeen de Afdeling hierna, onder 19.6 en 19.7, overweegt, hoefde het college zich niet uit te laten over de omvang van de schade. Een schatting van de omvang van de schade is in dit geval pas aan de orde als causaal verband tussen het besluit van 4 maart 2009 en het besluit van 2 februari 2011 en de door [appellant] gestelde schade zou kunnen worden aangenomen.

Het betoog slaagt niet.

19.     [appellant] betoogt dat de rechtbank wat betreft de causaliteit onvoldoende acht heeft geslagen op de door [appellant] overgelegde onderzoeksrapporten van KOAC WMD uit 2003 en van ZNEB uit 2009.

Ook kan [appellant] zich niet verenigen met het standpunt van het college dat het rapport van Lengkeek zorgvuldig tot stand is gekomen en dat hieruit volgt dat geen sprake is van causaal verband tussen de besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 en de schade aan zijn woning. Zo heeft Lengkeek de woning van [appellant] slechts eenmaal bezocht. Ook is [appellant] niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op een concept-rapport van Lengkeek, terwijl het college die gelegenheid wel heeft gekregen.

[appellant] acht het ongeloofwaardig dat het aannemelijk is dat de schade aan zijn woning zou zijn veroorzaakt door de sloop van een pand gelegen tegenover zijn woning. Dit omdat reeds op 12 september 2005 door Hanselman Taxaties B.V. schade aan de woning van [appellant] is geconstateerd. Lengkeek had deze sloop nader moeten onderzoeken.

Volgens [appellant] volgt uit het rapport van BK Bouw- & Milieuadvies van 20 december 2017 dat zijn woning is verzakt en uit de hierbij gevoegde foto’s dat de schade aan de woning van [appellant] niet in een korte periode is ontstaan, zoals Lengkeek heeft geconcludeerd maar over een langere periode. De conclusie van Lengkeek dat de scheurvorming moet zijn ontstaan door incidentele trillingsoverlast en niet door voortdurende trillingsoverlast, is onjuist.

19.1.  In het in opdracht van het college gemaakte rapport Lengkeek van 21 juni 2017 staat dat de schade aan de woning van [appellant] is ontstaan in de periode tussen 15 februari 2006 en 24 juli 2007. Lengkeek heeft voor haar bevindingen onder andere gebruik gemaakt van foto’s. De scheuren zijn volgens Lengkeek in een relatief korte periode ontstaan en daarna niet in omvang of aantal toegenomen. Dit terwijl de verkeerssituatie reeds enkele jaren bestond en ook daarna niet direct is gewijzigd. Indien het vrachtverkeer de oorzaak zou zijn van de ontstane scheuren dan zou de verwachting zijn dat de scheuren veel eerder aan het licht zouden zijn gekomen en, bij een ongewijzigde verkeerssituatie, na verloop van tijd ook in omvang en aantal zouden zijn toegenomen. Dit is niet het geval. Lengkeek gaat er daarom vanuit dat de scheurvorming is veroorzaakt door incidentele trillingsoverlast en niet door voortdurende trillingsoverlast (door bijvoorbeeld vrachtbewegingen). Het ligt, gelet hierop, dus niet in de rede te veronderstellen dat de trillingen van vrachtwagenbewegingen de scheuren hebben veroorzaakt.

Lengkeek acht het aannemelijk dat de sloop van het pand aan Damstraat 14, die plaatsvond in de periode tussen 15 februari 2006 en 24 juli 2007, als (hoofd)oorzaak van de scheuren in de woning van [appellant] kan worden aangewezen. Het scheurbeeld past ook bij deze oorzaak.

Lengkeek heeft ook vastgesteld dat de zijgevel van de woning bol staat. Deze bolling kan echter niet zijn veroorzaakt door trillingen afkomstig van verkeer en/of de sloop van een nabijgelegen pand. Hier ligt een andere oorzaak aan ten grondslag, omdat trillingen scheuren veroorzaken. Mogelijk is de gevel nimmer volledig vlak geweest.

Volgens Lengkeek is van een verzakking van de woning niet gebleken. Er zijn tijdens de inspectie geen kenmerken (bouwkundig of overige) naar voren gekomen die wijzen op een verzakking.

Lengkeek komt tot de conclusie dat de schade niet kan worden toegerekend aan de besluiten van 2 februari 2011 en 4 maart 2009.

19.2.  In het door [appellant] overgelegde rapport van KOAC WMD van 20 november 2003 wordt gewezen op het risico op schade door vrachtverkeer en wordt geadviseerd een verbod voor vrachtwagens in te stellen. Volgens het rapport van ZNEB van 28 september 2009 is het zeer aannemelijk dat de schade aan de woning van [appellant] wordt veroorzaakt door vrachtwagenbewegingen. ZNEB acht de causaliteit tussen de vrachtwagenbewegingen en de schade aan de woning voldoende aannemelijk gemaakt.

19.3.  In het ook door [appellant] overgelegde rapport van BK Bouw- & Milieuadvies van 20 december 2017 staat dat tijdens de bouwkundige opname is geconstateerd dat de woning is verzakt richting de straatzijde, met name de voorgevel en de linkerzijgevel. Door deze zakking (deformatie) zijn krachten op de constructie van de woning gekomen waardoor scheuren in de voorgevel zijn geconstateerd. Ook is een bolling van het metselwerk ontstaan en zijn in de slaapkamer op de eerste verdieping scheuren zichtbaar. Volgens het rapport zijn de scheuren in de gevel boven het raam in de periode 2000 - 2004 ontstaan en zijn de scheuren in de loop van de tijd breder geworden. Hierbij wordt verwezen naar een foto van 24 mei 2004 en een foto die is gemaakt tijdens de bouwkundige opname in november 2017. De woning is in 1928 op staal gefundeerd en is verzakt. De oorzaak hiervan ligt in het wegzakken van de ondergrond (klei op veen). Dit heeft door het vele zware vrachtverkeer ongelijkmatig plaatsgevonden door te hoge belastingen van de weg. Er zullen maatregelen getroffen moeten worden om het uitvallen van geveldelen te voorkomen. De bouwkosten worden geschat op € 75.000,00 tot € 150.000,00 afhankelijk van verwijdering van de dakconstructie.

19.4.  Volgens een reactie van Lengkeek van 19 februari 2018 en van 14 maart 2018 op het rapport van BK Bouw- & Milieuadvies is niet te verklaren waarom op de bij het rapport van BK Bouw- & Milieuadvies gevoegde foto van 24 mei 2004 scheuren in het voegwerk van de woning van [appellant] zichtbaar zijn, terwijl deze op de foto van 15 februari 2006 niet zijn te zien. Daarbij komt dat in het rapport van 21 juni 2017 reeds staat dat [appellant] tijdens het onderzoek foto's uit 2005 heeft getoond waarbij hij heeft aangegeven dat in 2005 geen scheuren in de gevel aanwezig waren. In ieder geval is duidelijk dat op 24 juli 2007 wel sprake is van scheuren in de gevel en deze daarna niet zichtbaar zijn toegenomen in grootte. Lengkeek blijft erbij dat indien het vrachtverkeer de oorzaak zou zijn van de ontstane scheuren, de scheuren reeds eerder aan het licht zouden zijn gekomen en, bij een ongewijzigde verkeerssituatie, na verloop van tijd ook in omvang en aantal zouden zijn toegenomen. Gezien het feit dat de (zichtbare) scheurvorming hoofdzakelijk is veroorzaakt in een relatief korte periode (tussen 15 februari 2006 en 24 juli 2007) lijkt dan ook eerder sprake te zijn van een incidentele trillingsoverlast dan van een voortdurende trillingsoverlast. Ook wordt in het rapport van BK Bouw- & Milieuadvies niet ingegaan op de sloop van het pand aan Damstraat 14 en zijn geen metingen overgelegd waaruit volgt dat de scheuren in de periode 2000-2004 zouden zijn ontstaan en later zijn toegenomen.

19.5.  De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet het rapport met de nadere reacties van Lengkeek aan het besluit van 12 juni 2018 ten grondslag mocht leggen. Dat Lengkeek de woning van [appellant] slechts eenmaal heeft bezocht en enkel foto’s in ontvangst zou hebben genomen, betekent niet dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen. Hiervan is de Afdeling niet gebleken.

Volgens het college in de schriftelijke uiteenzetting heeft [appellant] de gelegenheid gehad om te reageren op een concept-rapport van Lengkeek. Het concept-rapport is daarom ook aan [appellant] toegezonden. De stelling van [appellant] in hoger beroep dat Lengkeek niet onafhankelijk zou zijn en dat niet valt uit te sluiten dat eerdere conclusies van Lengkeek na tussenkomst van het college zijn aangepast, heeft [appellant] niet onderbouwd. Op de zitting in hoger beroep heeft [appellant] desgevraagd verklaard geen nadere aanwijzingen hierover te kunnen verschaffen. Het college heeft op de zitting toegelicht dat geen druk is uitgeoefend om inhoudelijke punten in het rapport te wijzigen. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit wel zo is. Evenmin heeft hij zijn stelling onderbouwd dat Lengkeek niet onafhankelijk zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

19.6.  Niet in geschil is dat de schade aan de woning is ontstaan voor 4 maart 2009. De rechtbank is er in dit verband terecht van uitgegaan dat, zoals ook volgt uit de uitspraak van de rechtbank van 2 juni 2016, de onrechtmatige besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 slechts aanleiding geven voor schadevergoeding voor zover na 4 maart 2009 een verergering van de schade is opgetreden. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat [appellant] met de door hem overgelegde rapporten niet aannemelijk heeft gemaakt dat de besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 tot verergering van de schade hebben geleid. Uit het rapport van BK Bouw- & Milieuadvies van 20 december 2017 volgt niet dat de schade na 4 maart 2009 is verergerd. Desgevraagd heeft [appellant] ter zitting erkend dat uit het advies van BK Bouw- en Milieuadvies niet volgt dat de schade na 4 maart 2009 is verergerd.

Ook acht de Afdeling van belang dat [appellant] op de zitting bij de rechtbank heeft gesteld niet te weten of de schade aan de woning is verergerd. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellant] erkend geen bewijs te kunnen overleggen dat de schade na 4 maart 2009 is verergerd ten gevolge van de besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011.

Over het betoog van [appellant], onder verwijzing naar het stuk van Hanselman Taxaties B.V. van 12 september 2005, dat het ongeloofwaardig is dat de schade aan zijn woning zou zijn veroorzaakt door de sloop van een pand tegenover zijn woning, overweegt de Afdeling dat dit niet van belang is voor de beantwoording van de vraag of zijn schade door de besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 is verergerd.

De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de onrechtmatige besluiten van 4 maart 2009 en 2 februari 2011 tot schade hebben geleid. Voor vergoeding daarvan bestaat geen grond.

Het betoog slaagt niet.

19.7.  Dit betekent dat de Afdeling niet toekomt aan bespreking van de hogerberoepsgrond van [appellant] over de omvang van de geleden schade.

20.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

21.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2021

85.