Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1544

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-07-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
202000578/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2018 heeft De Nederlandsche Bank N.V. de aanvraag van F&F Products om de waarde van de door haar aangeboden euromunten te vergoeden, afgewezen. F&F Products heeft DNB 1.032 euromunten aangeboden en verzocht om de waarde van die munten te vergoeden. De munten zijn in Azië gewonnen uit afval en zijn afkomstig uit een afvalrecycleproces. Het Nationaal Analysecentrum voor Munten van DNB heeft de munten op 22 maart 2018 onderzocht en daarover een verslag uitgebracht waarin onder meer wordt ingegaan op de feitelijke staat van die munten. Niet in geschil is dat bij de ingeleverde munten 9 valse munten en 36 niet-euromunten zaten. F&F Products wil alleen de waarde van de overige 987 ingeleverde munten van DNB ontvangen. DNB heeft zich op het standpunt gesteld dat de munten een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Muntwet 2002.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2021/2188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000578/1/A2.

Datum uitspraak: 14 juli 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

F&F Products B.V., gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 december 2019 in zaak nr. 18/3422 in het geding tussen:

F&F Products

en

De Nederlandsche Bank N.V. (hierna: DNB).

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2018 heeft DNB de aanvraag van F&F Products om de waarde van de door haar aangeboden euromunten te vergoeden, afgewezen.

Bij besluit van 2 oktober 2018 heeft DNB het door F&F Products daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2019 heeft de rechtbank het door F&F Products daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft F&F Products hoger beroep ingesteld.

DNB heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2021, waar F&F Products, vertegenwoordigd door haar [directeur], bijgestaan door mr. J.H. Tonino, advocaat te Amsterdam, en DNB, vertegenwoordigd door mr. J. Baukema, advocaat te Amsterdam en [gemachtigden], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       F&F Products heeft DNB 1.032 euromunten aangeboden en verzocht om de waarde van die munten te vergoeden. De munten zijn in Azië gewonnen uit afval en zijn afkomstig uit een afvalrecycleproces. Het Nationaal Analysecentrum voor Munten (hierna: het NACM) van DNB heeft de munten op 22 maart 2018 onderzocht en daarover een verslag uitgebracht waarin onder meer wordt ingegaan op de feitelijke staat van die munten. Niet in geschil is dat bij de ingeleverde munten 9 valse munten en 36 niet-euromunten zaten. F&F Products wil alleen de waarde van de overige 987 ingeleverde munten van DNB ontvangen.

1.1.    DNB heeft zich op het standpunt gesteld dat de munten een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van de Muntwet 2002. Hieraan heeft DNB de verklaringen van F&F Products over hoe die munten zijn behandeld in het afvalrecycleproces en het verslag van het NACM ten grondslag gelegd. Ook heeft DNB het standpunt van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, zoals verwoord in de brief aan de Tweede Kamer van 27 oktober 2009 (Kamerstukken II, 2009/10, 22 112, nr. 948), van belang geacht. Volgens de staatssecretaris moet bij een proces waarvan redelijkerwijs mocht worden verwacht dat het de munt zou veranderen, worden gedacht aan munten uit huisvuilverbranding en de scrapindustrie. Gelet op het voorgaande heeft DNB de aanvraag afgewezen.

1.2.    De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, overwogen dat DNB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door F&F Products ingeleverde munten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat die munten een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert. F&F Products is het hier niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld.

Wettelijk kader

2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

Hoger beroep en beoordeling ervan

3.       F&F Products heeft op de zitting aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat DNB in de feitelijke staat van de munten en de verklaringen van F&F Products over hoe die munten in het afvalrecycleproces zijn behandeld, voldoende grondslag heeft kunnen zien voor de conclusie dat de ingeleverde munten een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat die de munten heeft veranderd. Volgens F&F Products moet niet worden beoordeeld of die bewerking de munten heeft veranderd, maar of die bewerking de munten redelijkerwijs zal veranderen. Het gaat om de aard van de bewerking. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte verwezen naar de feitelijke staat van de munten en een onjuist criterium toegepast. F&F Products heeft ook aangevoerd dat tussen 60 en 75 procent van de munten dat uit het afvalrecycleproces wordt herwonnen, geschikt blijft voor circulatie. Daarover en over de wijze van verwerking van dergelijke munten heeft zij informatie ingebracht. Daaruit volgt dat het afvalrecycleproces de munten niet verandert. Op de zitting heeft F&F Products toegelicht dat de ingeleverde munten al beschadigd waren, voordat die gerecycled werden.

F&F Products heeft ook aangevoerd dat de verwijzing door de rechtbank naar de constatering van het NACM dat de munten in de verdiepte delen zwart zijn, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is en juist een aanwijzing is dat het onderzoek van het NACM eerder op de herkomst van de munten gericht is geweest dan op de vaststelling per munt dat deze aanzienlijk is veranderd en daarmee voor circulatie ongeschikt is. De zwarte aanslag in de verdiepte delen van de munten, mogelijk veroorzaakt door het afvalrecycleproces, is geen onderdeel van de verandering van de munt die deze ongeschikt maakt voor circulatie, maar hoogstens een vervuiling. Dit standpunt was ook onderdeel van de argumentatie dat er sprake was van een doelredenering van DNB.

Verder brengt F&F Products naar voren dat de rechtbank heeft verzuimd om in te gaan op de beroepsgronden twee en vier en dat deze tot een ander oordeel hadden kunnen leiden. Grond twee gaat in op een belangrijk deel van de argumentatie van DNB om de vergoeding te weigeren, namelijk dat de regelgeving juist is bedoeld om munten uit het afvalrecycleproces te weren. Grond vier raakt volgens F&F Products met name de redelijkheid van de afweging van DNB.

3.1.    Gelet op artikel 9, eerste lid van de Muntwet 2002, gelezen in samenhang met artikel 8, tweede lid, van die wet en artikel 2 van de Instellingsregeling Nationaal Analysecentrum voor Munten, kunnen euromunten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel die ongeschikt zijn voor de circulatie, worden ingeleverd bij DNB. Gelet op artikel 9, zesde lid, van de Muntwet 2002 wordt de waarde van munten die opzettelijk zijn veranderd of een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert, niet vergoed.

In artikel 9, eerste en zesde lid, van de Muntwet 2002 is artikel 8, eerste en tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 1210/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 betreffende de echtheidscontrole en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie (hierna: de Verordening) omgezet.

3.2.    Op de zitting is vastgesteld dat niet meer in geschil is dat de door F&F Products ingeleverde munten ongeschikt zijn voor circulatie. Evenmin is in geschil, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat die munten aan verbranding en trommelreiniging met chemicaliën zijn blootgesteld. Weliswaar heeft F&F Products op de zitting aangevoerd dat die chemicaliën een bleekmiddel zijn, maar dit laat onverlet dat de munten zijn gereinigd met chemicaliën.

3.3.    Het bestuursorgaan mag afgaan op het advies van een deskundige nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat een belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.

3.4.    In het verslag van het NACM is vermeld dat de munten gemeten en visueel onderzocht zijn. Ook staat erin dat de munten alle erg glimmend zijn en dat veel munten in de verdiepte delen zwart zijn. Veel munten zijn kleiner in diameter, lichter in gewicht en dunner dan ‘normale’ euromunten. De afbeeldingen op de munten zijn niet duidelijk, maar vervaagd. Het oppervlak van de munten is niet glad zoals bij ‘normale’ munten, maar bobbelig. Verder is vermeld dat de kenmerken van de munten erop wijzen dat de munten een behandeling hebben ondergaan die het uiterlijk van de munten heeft veranderd, zoals verbranding (zwart in de verdiepte delen), schoonmaken of behandeling met een zuur (bobbelig oppervlak, kleinere of lichtere munten en  vervaagde afbeeldingen) en trommelen met zeep en/of stalen kogels (glimmende, gepolijste munten en vervaagde afbeeldingen).

3.5.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit het verslag van het NACM en de toelichting van DNB volgt dat alle ingeleverde munten zijn onderzocht. Zoals DNB terecht heeft aangevoerd, valt niet in te zien hoe de constateringen van het NACM de conclusie rechtvaardigen dat het onderzoek alleen gericht is geweest op het vaststellen van de herkomst van de munten. De stelling van F&F Products dat de zwarte aanslag in de verdiepte delen van de munten alleen maar een vervuiling is, heeft zij verder niet onderbouwd. Hiermee heeft F&F Products geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het advies van het NACM naar voren gebracht dat alle vastgestelde kenmerken van de munten erop wijzen dat zij een behandeling hebben ondergaan die het uiterlijk van de munten heeft veranderd.

3.6.    De rechtbank heeft overwogen dat DNB in de verklaringen van F&F Products over hoe de ingeleverde munten in het afvalrecycleproces zijn behandeld en het verslag van het NACM over de feitelijke staat van die munten, voldoende grondslag heeft kunnen zien voor de conclusie dat de ingeleverde munten een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat die de munten ‘heeft veranderd’. Daaruit blijkt dat zij het standpunt van DNB dat de munten een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert, heeft getoetst. Zij heeft terecht overwogen dat DNB daarbij ook acht heeft kunnen slaan op de constateringen van het NACM over de feitelijke staat van de munten. Van toepassing van een onjuist criterium, is geen sprake.

3.7.    De Afdeling overweegt over de door F&F Products overgelegde informatie over onder meer de scrapindustrie en het afvalrecycleproces het volgende. F&F Products heeft, al aangenomen dat een groot deel van de in die informatie vermelde munten ongeschonden uit dat proces komt, niet met stukken onderbouwd dat de bij DNB ingeleverde munten volgens datzelfde proces zijn gereinigd of dat het om vergelijkbare munten gaat. Dat de ingeleverde munten al waren beschadigd voordat ze werden gereinigd, is evenmin met stukken onderbouwd en ook niet aannemelijk geworden gelet op de feitelijke staat van de munten. De op de zitting gestelde omstandigheid dat de Deutsche Bundesbank gerecyclede munten wel zou vergoeden, leidt niet tot een andere uitkomst in deze zaak, alleen al omdat uit de overgelegde informatie niet blijkt dat gerecyclede munten die voor circulatie ongeschikt zijn door die bank worden vergoed.

3.8.    Daarnaast is de Afdeling van oordeel dat een bespreking van beroepsgrond twee over het onder 1.1 vermelde standpunt van de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, F&F Products materieel niet had kunnen baten. DNB heeft immers terecht naar voren gebracht dat zij haar standpunt over de ingeleverde munten niet uitsluitend heeft gebaseerd op die brief en dat de concrete feiten en omstandigheden van het geval van doorslaggevende betekenis zijn geweest.

3.9.    F&F Products heeft in beroepsgrond vier onder verwijzing naar het doel van de Verordening aangevoerd dat nu geen sprake is van fraude en valsemunterij, de herkomst van de munten niet is betwist en het een erkend gegeven is dat munten uit de afvalverwerking en de scrapindustrie herwonnen kunnen worden, DNB tot vergoeding van de munten had moeten overgaan. Verder is volgens F&F Products in zijn algemeenheid het beleidsstreven om naar een circulaire economie te transformeren. Dat moet dan ook gelden voor het muntgeld dat in het afval is terechtgekomen. Daarnaast heeft F&F Products aangevoerd dat een bankbiljet dat is beschadigd gewoon wordt omgewisseld en in de Verenigde Staten voor circulatie ongeschikte munten wel worden vergoed. F&F Products heeft geconcludeerd dat er aldus geen noodzaak of redelijk doel is tot het weigeren van een vergoeding van de munten. Daarom is sprake van een onredelijk besluit.

Het betoog gaat eraan voorbij dat DNB het verzoek om vergoeding van de door F&F Products ingeleverde euromunten moest toetsen aan het in artikel 9, zesde lid, van de Muntwet, neergelegde criterium. DNB heeft blijkens wat hiervoor is overwogen op juiste wijze aan dit criterium getoetst. Dat in dit geval geen sprake zou zijn van fraude of valsemunterij, neemt niet weg dat DNB zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de voorwaarde voor vergoeding van de munten niet is voldaan.

3.10.  Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat DNB zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door F&F Products ingeleverde euromunten een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert, zodat zij niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4.1.    DNB hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2021

691

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Verordening (EU) Nr. 1210/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2010 betreffende de echtheidscontrole en de behandeling van euromunten die ongeschikt zijn voor circulatie

Artikel 8

1. De lidstaten nemen voor circulatie ongeschikte euromunten uit de omloop.

2. De lidstaten vergoeden of vervangen euromunten die na langdurige circulatie of door toevallige beschadiging ongeschikt zijn geworden of tijdens de echtheidscontrole afgekeurd zijn. Onverminderd de vergoeding van munten die voor liefdadigheidsdoeleinden worden verzameld, zoals munten die in fonteinen worden gegooid, kunnen de lidstaten weigeren voor circulatie ongeschikte euromunten te vergoeden wanneer die opzettelijk zijn veranderd of een bewerking ondergaan hebben waarvan redelijkerwijs te verwachten is dat ze de munt verandert.

[…]

Muntwet 2002

Artikel 8

[…]

2. Euromunten en de munten, bedoeld in de artikelen 4, 4a en 5 die vermoed worden vals of vervalst te zijn, kunnen aan een door Onze Minister aan te wijzen instantie ter beoordeling worden voorgelegd.

[…]

Artikel 9

1. Euromunten en bijzondere munten met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel die ongeschikt zijn voor de circulatie, kunnen worden ingeleverd bij de op grond van artikel 8, tweede lid, aangewezen instantie.

[…]

4. De in het eerste lid bedoelde instantie vergoedt de nominale waarde van de op grond van het eerste lid ingeleverde munten.

[…]

6. De waarde van munten die opzettelijk zijn veranderd of een bewerking hebben ondergaan waarvan redelijkerwijs is te verwachten dat ze de munt verandert, wordt niet vergoed.

Instellingsregeling Nationaal Analysecentrum voor Munten

Artikel 2

De Nederlandsche Bank N.V. wordt aangewezen als Nationaal Analysecentrum voor Munten, en tevens als instantie, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Muntwet 2002.