Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:151

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
27-01-2021
Zaaknummer
202002450/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2020:1592, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 april 2019 heeft de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen verklaard dat [appellant] niet rijgeschikt is voor de categorieën B, BE en T. [appellant], nu 80 jaar, heeft om verlenging van zijn rijbewijs gevraagd. In de Gezondheidsverklaring heeft hij aangegeven dat een arts bij hem een psychische of psychiatrische diagnose heeft gesteld. Het CBR heeft opdracht gegeven tot een medisch onderzoek. Op 25 maart 2019 heeft H.J.T.M Corthals, psychiater, [appellant] onderzocht. In zijn rapport van 11 april 2019 heeft Corthals de medisch adviseur van het CBR laten weten dat [appellant] een autismespectrumstoornis en een licht verstandelijke beperking heeft. Verder heeft de psychiater beperkte tot uitgebreide cognitieve stoornis met (overwegend lichte) gedragsstoornissen, ongespecificeerd en langzaam progressief van aard, geconstateerd. Ook is sprake van toenemende incidenten in het verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002450/1/A2.

Datum uitspraak: 27 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 maart 2020 in zaak nr. 19/2068 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

Procesverloop

Bij besluit van 18 april 2019 heeft het CBR verklaard dat [appellant] niet rijgeschikt is voor de categorieën B, BE en T.

Bij besluit van 16 juli 2019 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Van belang zijnde regelgeving

1.       De wettelijke regels die in deze zaak van toepassing zijn, zijn opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.       [appellant], nu 80 jaar, heeft om verlenging van zijn rijbewijs gevraagd. In de Gezondheidsverklaring heeft hij aangegeven dat een arts bij hem een psychische of psychiatrische diagnose heeft gesteld. Het CBR heeft opdracht gegeven tot een medisch onderzoek. Op 25 maart 2019 heeft H.J.T.M Corthals, psychiater, [appellant] onderzocht. In zijn rapport van 11 april 2019 heeft Corthals de medisch adviseur van het CBR laten weten dat [appellant] een autismespectrumstoornis en een licht verstandelijke beperking heeft. Verder heeft de psychiater beperkte tot uitgebreide cognitieve stoornis met (overwegend lichte) gedragsstoornissen, ongespecificeerd en langzaam progressief van aard, geconstateerd. Ook is sprake van toenemende incidenten in het verkeer. Corthals heeft het advies gegeven dat [appellant] ongeschikt is voor het besturen van motorvoertuigen.

Besluiten van het CBR

3.       Bij het besluit van 18 april 2019 heeft het CBR het advies van de psychiater overgenomen. Bij het besluit van 16 april heeft het CBR overwogen dat de keuring van de psychiater zorgvuldig en correct is uitgevoerd. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om medisch inhoudelijk bewijs over te leggen waaruit blijkt dat de conclusies van Corthals niet juist zijn. Van die gelegenheid heeft hij geen gebruik gemaakt. Het CBR moest daarom op het advies afgaan.

Uitspraak van de rechtbank

4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR een juist besluit heeft genomen. Het rapport van de psychiater is duidelijk. [appellant] heeft niet aangetoond dat de psychiater ongelijk heeft. [appellant] heeft alleen gezegd dat hij nog gezond genoeg is om te kunnen rijden. Dat geeft de rechtbank onvoldoende reden om te twijfelen aan het oordeel van psychiater Corthals. Het CBR hoeft [appellant] geen rijtest af te laten leggen. Die verplichting geldt alleen bij een tijdelijke ongeschiktheid. De situatie van [appellant] is niet tijdelijk, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.       [appellant] voert aan dat hij een aanrijding heeft gehad waar hij geen schuld aan heeft. Door het besluit van het CBR zit hij zonder rijbewijs. Hij kan daardoor zijn beroep van glazenwasser niet meer uitoefenen. Dit werk doet hij al 60 jaar.

Het oordeel van de Afdeling

6.       Het oordeel van de rechtbank is juist. Alleen als er reden was om te twijfelen aan de juistheid van het rapport van de psychiater, zou [appellant] gelijk kunnen krijgen. [appellant] heeft niets aangevoerd dat reden voor die twijfel zou kunnen opleveren. Ook in hoger beroep heeft hij niets aangevoerd over het rapport van de psychiater. Het CBR mocht daarom het advies van psychiater Corthals overnemen. Dat hij daarom zijn beroep van glazenwasser niet kan uitoefenen is voor [appellant] een nadelig gevolg van het besluit van het CBR, maar dat is onvoldoende om hem gelijk te geven .

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021

17.

 

BIJLAGE

 

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 111, eerste lid, aanhef en onder b.

Een rijbewijs wordt op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief, slechts afgegeven aan degene die blijkens een overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door of vanwege de overheid ingesteld onderzoek dan wel blijkens een eerder aan hem afgegeven rijbewijs of een hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs dat voldoet aan de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde eisen, beschikt over een voldoende mate van rijvaardigheid en geschiktheid, dan wel, indien de aanvraag betrekking heeft op afgifte van een rijbewijs dat geldig is voor het besturen van bromfietsen, over een voldoende mate van rijvaardigheid.

Artikel 111, vierde lid

Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het eerste lid, onderdeel b.

Regeling eisen geschiktheid 2000

Artikel 2

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Bijlage, onderdeel 8.6.2.

Personen bij wie het cognitief functioneren gestoord is geraakt (zoals een gestoord oordeel- en kritiekvermogen, gestoorde oriëntatie, geheugenstoornissen) zijn meestal ongeschikt voor groep 1 en altijd ongeschikt voor groep 2 rijbewijzen.

Eventuele tijdelijke geschiktheid voor groep 1 - zulks ter beoordeling door middel van een specialistisch onderzoek - hangt af van de mate van progressie van de ziekte en de ernst van de verschijnselen, maar is hooguit vijf jaar. Voor de bepaling van de geschiktheid dient een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van de desbetreffende afdeling van het CBR plaats te vinden. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

Organische aandoeningen die gepaard gaan met regelmatig terugkerende episoden van verwardheid en desoriëntatie maken de betrokkene ongeschikt voor het rijbewijs, tenzij deze verschijnselen alleen optreden bij intercurrente lichamelijke ziekten. Wat dit laatste betreft is in gunstige gevallen, na herstel van de bijkomende ziekte, goedkeuring mogelijk zo nodig met een beperkte geschiktheidstermijn. Bij reversibele oorzaken van psycho-organische stoornissen kan de betrokkene psychisch herstellen en weer geschikt worden verklaard.

Reglement Rijbewijzen

Artikel 101, eerste lid, onder a

Het CBR is bevoegd te vorderen dat de aanvrager zich op eigen kosten laat keuren door een of meer door het CBR aangewezen artsen of andere deskundigen dan wel dat de aanvrager zich onderwerpt aan een technisch onderzoek, verricht door een door het CBR aangewezen deskundige, of aan een rijproef, afgenomen door een door het CBR aangewezen deskundige, indien de door de aanvrager overgelegde eigen verklaring dan wel, indien een geneeskundig verslag wordt vereist, het geneeskundig verslag daartoe aanleiding geeft.

Artikel 102, eerste lid

Door de aangewezen arts of artsen wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na de aanvang van de keuring, bedoeld in artikel 101, eerste lid aan het CBR schriftelijk medegedeeld voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën de aanvrager naar zijn of naar hun oordeel voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid en voor welke rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën hij aan die eisen niet voldoet.

Artikel 103, eerste lid

Indien de aanvrager naar het oordeel van het CBR voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën waarop de aanvraag betrekking heeft, registreert het in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid. Deze registratie vindt plaats zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van:

a. de bevindingen van de arts of artsen of deskundige of deskundigen, of

b. de eigen verklaring, indien geen vordering als bedoeld in artikel 101, eerste lid, is gedaan.