Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1484

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
202103017/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 31 januari 2013, in zaak nr. 201208017/4/R1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van de raad van de gemeente Zijpe, thans gemeente Schagen, van 29 mei 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Dorpen langs de Groote Sloot" na vereenvoudigde behandeling niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 10 april 2013, in zaak nr. 201308017/5/R1, heeft de Afdeling het verzet van [verzoeker] tegen de uitspraak van 31 januari 2013 ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/312
NJB 2021/2185
Milieurecht Totaal 2021/7328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202103017/2/R1.

Datum uitspraak: 12 juli 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het verzoek van

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

om herziening van de uitspraken van de Afdeling van 31 januari 2013, in zaak nr. 201208017/4/R1, en van 10 april 2013, in zaak nr. 201208017/5/R1.

Procesverloop

Bij uitspraak van 31 januari 2013, in zaak nr. 201208017/4/R1, heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van de raad van de gemeente Zijpe, thans gemeente Schagen, van 29 mei 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Dorpen langs de Groote Sloot" na vereenvoudigde behandeling niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 10 april 2013, in zaak nr. 201308017/5/R1, heeft de Afdeling het verzet van [verzoeker] tegen de uitspraak van 31 januari 2013 ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.

[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht deze beide uitspraken te herzien.

Overwegingen

1.       Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2.       Bij de beoordeling van een herzieningsverzoek is uitsluitend van belang of feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb zijn gesteld. Bij de beslissing op een verzoek om herziening wordt slechts rekening gehouden met nader gebleken feiten of omstandigheden die hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht en die de verzoeker in de procedure die heeft geleid tot die uitspraak niet naar voren heeft kunnen brengen. Het bijzondere rechtsmiddel van verzoek om herziening dient er niet toe om het geschil waarover bij uitspraak is beslist opnieuw aan de rechter voor te leggen en biedt een partij niet de mogelijkheid gronden die in een eerdere procedure naar voren zijn of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw dan wel alsnog naar voren te brengen en zo het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid. Uitsluitend indien zich feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb voordoen, kan er aanleiding zijn voor herziening van een in rechte onaantastbaar geworden uitspraak. Daarbij geldt dat, wil een verzoek om herziening voor toewijzing in aanmerking komen, aan de in artikel 8:119, eerste lid, onder a, b en c van de Awb genoemde criteria dient te worden voldaan. Deze criteria zijn cumulatief.

3.       De Afdeling heeft het beroep van [verzoeker] bij de uitspraak van 31 januari 2013 niet-ontvankelijk verklaard, omdat [verzoeker] naar het oordeel van de Afdeling onverschoonbaar geen zienswijze tegen het ontwerpplan bij de raad naar voren heeft gebracht. Deze uitspraak is bij de uitspraak van 10 april 2013 in stand gelaten.

[verzoeker] heeft zijn verzoek om herziening van de beide uitspraken ingediend naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786. In deze uitspraak overwoog de Afdeling, daarbij aansluiting zoekend bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie) van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, dat zolang artikel 6:13 van de Awb niet is gewijzigd, dit artikel in omgevingsrechtelijke zaken, waaronder die op grond van de Wet ruimtelijke ordening, niet aan een belanghebbende zal worden tegengeworpen. Met zijn verzoek beoogt [verzoeker] dat de Afdeling de uitspraken van 31 januari 2013 en van 10 april 2013 ongedaan maakt, zodat zijn beroep tegen het besluit van de raad van 29 mei 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Dorpen langs de Groote Sloot" alsnog inhoudelijk aan de orde komt.

4.       Zoals de Afdeling al eerder heeft overwogen, is een arrest van het Hof van Justitie geen novum, dat wil zeggen geen nieuw feit of een nieuwe omstandigheid op grond waarvan een uitspraak kan worden herzien. Daarbij wordt gewezen op de uitspraak van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:716, en op de uitspraak van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1209, waarin wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 27 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4641, en naar het arrest van de Hoge Raad van 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9272. Deze rechtspraak is gebaseerd op een aantal arresten van het Hof van Justitie. De Afdeling wijst in dat verband op het arrest van 10 juli 2014, Impresa Pizzarotti, ECLI:C:2014:2067, onder 58, en op het arrest van 6 oktober 2015, Târşia, ECLI:C:2015:662, onder 28. In beide arresten heeft het Hof van Justitie gewezen op het belang van het gezag van gewijsde  zowel in de rechtsorde van de Unie als in de nationale rechtsorden. Om zowel de stabiliteit van het recht en van de rechtsbetrekkingen als een goede rechtspleging te garanderen, is het immers van belang dat rechterlijke beslissingen die definitief zijn geworden nadat de beschikbare beroepsmogelijkheden zijn uitgeput of nadat de beroepstermijnen zijn verstreken, niet meer opnieuw aan de orde kunnen worden gesteld, aldus het Hof.

5.       Gelet op het voorgaande levert wat [verzoeker] in zijn herzieningsverzoek aanvoert geen feiten of omstandigheden op in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

6.       Het verzoek dient als kennelijk ongegrond te worden afgewezen.

7.       De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Helder

voorzitter      

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2021

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

-         Verzet dient schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak te worden gedaan.

-         In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met de gronden waarop de beslissing is gebaseerd.

-         Indien de indiener over het verzet door de Afdeling wenst te worden gehoord, dient dit in het verzetschrift te worden gevraagd. Het horen gebeurt dan uitsluitend over het verzet.

195-209.

 

BIJLAGE

 

ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

Hoofdstuk 6 Algemene bepalingen over bezwaar en beroep

Afdeling 6.2 Overige algemene bepalingen

Artikel 6:13

Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.

Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter

Afdeling 8.2.4 Vereenvoudigde behandeling

Artikel 8:54

1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:

a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,

b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,

c. het beroep kennelijk ongegrond is, of

d. het beroep kennelijk gegrond is.

2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.

Artikel 8:55

1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.

[…]

6. Indien de uitspraak waartegen verzet is gedaan, is gedaan door een meervoudige kamer, wordt uitspraak op het verzet gedaan door een meervoudige kamer. Van de kamer die uitspraak doet op het verzet maakt geen deel uit degene die zitting heeft gehad in de kamer die de uitspraak heeft gedaan waartegen verzet is gedaan.

7. De uitspraak strekt tot:

a. niet-ontvankelijkverklaring van het verzet,

b. ongegrondverklaring van het verzet, of

c. gegrondverklaring van het verzet.

8. Indien de bestuursrechter het verzet niet-ontvankelijk of ongegrond verklaart, blijft de uitspraak waartegen verzet was gedaan in stand.

9. Indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, vervalt de uitspraak waartegen verzet was gedaan en wordt het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

[…]

Titel 8.6 Herziening

Artikel 8:119

1. De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Hoofdstuk 6, titel 8.1, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en artikel 8:13, titel 8.2, met uitzondering van artikel 8:41, tweede lid, titel 8.3 en titel 8.5, met uitzondering van artikel 8:109, zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.

3. Het griffierecht is gelijk aan het griffierecht dat ten tijde van de indiening van het verzoek verschuldigd zou zijn geweest voor het beroep of hoger beroep dat heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt gevraagd.

4. Indien de uitspraak wordt herzien, betaalt de griffier het griffierecht terug.

WET RUIMTELIJKE ORDENING

Hoofdstuk 3 Bestemmings- en inpassingsplannen

Afdeling 3.1 Bepalingen omtrent de inhoud van het bestemmingsplan

Artikel 3.1

1. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied.

[…]

Afdeling 3.2 Bepalingen omtrent de procedure van het bestemmingsplan

Artikel 3.8

1. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat:

a. de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant wordt geplaatst en voorts langs elektronische weg geschiedt, en het ontwerpbesluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg wordt beschikbaar gesteld;

[…]