Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:146

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
27-01-2021
Zaaknummer
202003040/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:4171, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2019 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven afgewezen. De CSG kent uit het schadefonds onder meer uitkeringen toe aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen. Op 7 augustus 2018 heeft [appellante] bij de CSG een aanvraag ingediend om een uitkering uit het schadefonds. Zij heeft in het aanvraagformulier vermeld dat zij slachtoffer is geworden van stelselmatig huiselijk geweld en van een poging tot wurging en dat zij als gevolg daarvan fysiek en psychisch letsel heeft opgelopen. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft de CSG ten grondslag gelegd dat weliswaar aannemelijk is dat [appellante] slachtoffer is van huiselijk geweld, maar dat onvoldoende aannemelijk is dat dit geweld stelselmatig heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003040/1/A2.

Datum uitspraak: 27 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 mei 2020 in zaak nr. 19/4096 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2019 heeft de CSG de aanvraag van [appellante] om een uitkering uit het schadefonds geweldsmisdrijven afgewezen.

Bij besluit van 12 juli 2019 heeft de CSG het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 mei 2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De CSG heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Partijen hebben voorafgaande aan de zitting op 14 januari 2021 laten weten niet te zullen verschijnen op de zitting.

Overwegingen

1.       De CSG kent uit het schadefonds onder meer uitkeringen toe aan een ieder die door een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft opgelopen.

2.       Op 7 augustus 2018 heeft [appellante] bij de CSG een aanvraag ingediend om een uitkering uit het schadefonds. Zij heeft in het aanvraagformulier vermeld dat zij slachtoffer is geworden van stelselmatig huiselijk geweld en van een poging tot wurging en dat zij als gevolg daarvan fysiek en psychisch letsel heeft opgelopen.

3.       Aan de afwijzing van de aanvraag heeft de CSG ten grondslag gelegd dat weliswaar aannemelijk is dat [appellante] slachtoffer is van huiselijk geweld, maar dat onvoldoende aannemelijk is dat dit geweld stelselmatig heeft plaatsgevonden. Evenmin is gebleken van ernstig letsel als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg).

Betoog in hoger beroep

4.       [appellante] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat de CSG de gevraagde uitkering in redelijkheid heeft kunnen weigeren. Zij stelt dat er voldoende objectieve informatie voorhanden is op basis waarvan het aannemelijk kan worden geacht dat zij slachtoffer is geworden van stelselmatig huiselijk geweld en daardoor ernstig psychisch letsel heeft opgelopen. In dit verband wijst [appellante] op meldingen en een aangifte van huiselijk geweld. De politie is ook ter plaatse geweest. Ook stelt [appellante] dat zij in behandeling is voor haar psychische klachten bij haar huisarts.

Beoordelingskader

5.       De CSG heeft bij het nemen van beslissingen op verzoeken om uitkering als bedoeld in artikel 3 van de Wsg beslissingsruimte en heeft daaraan invulling gegeven in de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven en de Letsellijst van 1 juli 2019. Deze zijn te raadplegen op de website van de CSG (www.schadefonds.nl).

6.       Volgens de Beleidsbundel moet het geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel hebben veroorzaakt om voor een uitkering in aanmerking te komen. De ernst van het letsel wordt bepaald aan de hand van de aard en de gevolgen van het letsel. De CSG vindt letsel ernstig als het langdurige of blijvende ernstige medische gevolgen heeft.

7.       Volgens paragraaf 1.2.2 heeft de CSG medische informatie nodig om het letsel te kunnen beoordelen. Hiervoor gebruikt zij alleen medische informatie van bevoegde hulpverleners die een diagnose hebben gesteld. De CSG stelt aan deze hulpverleners de eis dat ze een BIG-registratie of een NIP-dienstmerk hebben (dit zijn bijvoorbeeld GZ-psychologen of psychotherapeuten voor psychisch letsel of (huis)artsen voor fysiek letsel).

8.       De CSG heeft de Letsellijst ontwikkeld om het opgelopen letsel in een letselcategorie in te kunnen delen. De Letsellijst geeft richtlijnen welk fysiek en psychisch letsel volgens de CSG als voldoende ernstig kan worden aangemerkt in de zin van de Wsg om een uitkering te rechtvaardigen.

9.       Volgens paragraaf 1.2.4 van de Beleidsbundel kan de CSG zonder beoordeling van medische informatie bij stelselmatig huiselijk geweld ernstig psychisch letsel vooronderstellen. Van stelselmatig huiselijk geweld is sprake als in de relationele sfeer frequent en langdurig fysiek geweld is gebruikt of met geweld is gedreigd. Of ernstig psychisch letsel wordt voorondersteld en welke letselcategorie daarbij past, bepaalt de CSG op basis van de omstandigheden van het geval. Verder heeft de CSG volgens paragraaf 2B van de Letsellijst voor de beoordeling van psychisch letsel in alle overige gevallen medische informatie nodig. Het is dan belangrijk dat er een diagnose is gesteld door een hulpverlener.

Beoordeling in hoger beroep

10.     De Afdeling acht het hierboven beschreven beleid niet onredelijk. Zie de uitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4253.

11.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 15 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1538), is het aan de aanvrager van een uitkering uit het  schadefonds om met voldoende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van een tegen hem opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. In een situatie waarin wel aangifte is gedaan, maar geen strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden, is het aan de aanvrager van een uitkering om met aanvullende objectieve aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij slachtoffer is geworden van het gestelde geweldsmisdrijf. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1932.

Stelselmatig huiselijk geweld

12.     De CSG heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij het slachtoffer is van stelselmatig huiselijk geweld over een periode van 5 jaar. Daartoe is het volgende van belang.

13.     [appellante] heeft een politiemelding overgelegd van 5 augustus 2018. Op grond van deze melding acht de CSG het vanwege de aard van het geweld aannemelijk dat [appellante] slachtoffer is van huiselijk geweld, maar staat niet vast dat zij stelselmatig is mishandeld. De melding bevat alleen de eigen verklaring van [appellante] en is niet met objectieve informatie onderbouwd. Een concrete omschrijving van het aantal gewelddadige voorvallen ontbreekt, evenals de duur en de frequentie hiervan. De politie heeft geen onderzoek gedaan naar aanleiding van de melding. Op de aangifte van huiselijk geweld van 6 januari 2019 is op verzoek van [appellante] geen onderzoek gevolgd door de politie. Voor haar stelling dat zij zich heeft aangemeld bij Stichting Arosa en gedurende enkele periodes uit angst niet thuis kon verblijven, heeft [appellante] geen objectieve onderbouwing gegeven. De conclusie is dat de enkele verklaring van [appellante] dat zij gedurende 5 jaar stelselmatig is mishandeld, niet een voldoende objectieve aanwijzing daarvoor is.

Ernstig fysiek en psychisch letsel

14.     Omdat niet vast is komen te staan dat [appellante] het slachtoffer is van stelselmatig huiselijk geweld, kan op grond van het door de CSG gevoerde beleid psychisch letsel niet worden verondersteld. Ter beoordeling staat of de CSG zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] met de overgelegde stukken evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zij ernstig fysiek of psychisch letsel heeft opgelopen als bedoeld is artikel 3 van de Wsg en daarom terecht geen aanleiding heeft gezien [appellante] een uitkering uit het schadefonds toe te kennen.

15.     [appellante] heeft aangegeven dat zij blauwe plekken en kneuzingen heeft opgelopen door de mishandeling. Zij is hiervoor niet medisch behandeld. Volgens de Beleidsbundel wordt de ernst van het letsel bepaald aan de hand van de aard en de gevolgen van het letsel. Letsel wordt als ernstig aangemerkt indien het letsel met langdurige, ernstige gevolgen betreft. Bij het beoordelen van letsel hanteert de CSG vastgestelde richtlijnen die zijn vastgelegd in de Letsellijst. De CSG heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het letsel geen blijvende of langdurige medische gevolgen heeft en daarom niet onder ernstig letsel valt als bedoeld in artikel 3 van de Wsg.

16.     Uit het beleid van de CSG volgt dat de CSG voor de beoordeling van psychisch letsel medische informatie nodig heeft. De diagnose moet zijn gesteld door een psycholoog of psychotherapeut die ingeschreven staat in het BIG-register of het dienstmerk (register)psycholoog voert. De CSG heeft [appellante] herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld het door haar gestelde ernstig psychisch letsel te onderbouwen. [appellante] heeft daarvan geen gebruik gemaakt en heeft ook in beroep en hoger beroep geen informatie overgelegd, waarin een diagnose is gesteld van het psychisch letsel. Ook haar stelling dat zij door de huisarts is behandeld voor psychische klachten heeft zij niet onderbouwd. Evenmin heeft zij een verwijzing van haar huisarts naar een gespecialiseerde hulpverlener overgelegd. De CSG heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij psychisch letsel heeft opgelopen.

17.     Voor zover [appellante] nog heeft betoogd dat zij het huiselijk geweld en de gevolgen daarvan niet hoeft te bewijzen volgens de regels van het burgerlijk recht, laat dit onverlet dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is van stelselmatig huiselijk geweld en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat zij ernstig fysiek en/of psychisch letsel heeft opgelopen als gevolg van huiselijk geweld.

18.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

19.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2021

299.