Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1420

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
201906880/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2019 heeft de Autoriteit Persoonsgegevens de aan het college van burgemeester en wethouders van Arnhem opgelegde last onder dwangsom op zijn verzoek opgeheven. De AP heeft aan het college een last onder dwangsom opgelegd. Het college overtrad de toen geldende Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) doordat de gegevens van personen die hun afval in ondergrondse containers weggooiden, via de adresgebonden afvalpas werden opgeslagen en bewaard op de aan de containers bevestigde kaartlezers. De last houdt in dat het college alle ondergrondse containers moet openzetten zonder dat daarvoor het gebruik van de afvalpas nodig is en dat het alle al opgeslagen en bewaarde persoonsgegevens uiterlijk op 1 oktober 2017 moet hebben gewist. Het college wil dat de ondergrondse containers alleen toegankelijk zijn voor inwoners en bedrijven van de gemeente en wil daarom een nieuw afvalpassysteem invoeren. Daarvoor moeten de ondergrondse containers worden afgesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2021/64
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906880/1/A3.

Datum uitspraak: 30 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 5 september 2019 in zaken nrs. 19/4218 en 18/4217 in het geding tussen:

[appellant]

en

Autoriteit Persoonsgegevens.

Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2019 heeft de AP de aan het college van burgemeester en wethouders van Arnhem opgelegde last onder dwangsom op zijn verzoek opgeheven.

Bij besluit van 16 juli 2019 heeft de AP het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De AP heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een reactie ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 mei 2021, waar [appellant] via een audioverbinding en de AP, vertegenwoordigd door mr. E. Nijhof en mr. O.S. Nijveld, zijn verschenen. Voorts is ter zitting het college, vertegenwoordigd door mr. M.B.J. Thijssen en mr. L.J. Gerritsen, beiden advocaat te Nijmegen, en C.A.M. Berntsen, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het relevante wettelijke kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

2.       De AP heeft aan het college een last onder dwangsom opgelegd. Het college overtrad de toen geldende Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: de Wbp) doordat de gegevens van personen die hun afval in ondergrondse containers weggooiden, via de adresgebonden afvalpas werden opgeslagen en bewaard op de aan de containers bevestigde kaartlezers. De last houdt in dat het college alle ondergrondse containers moet openzetten zonder dat daarvoor het gebruik van de afvalpas nodig is en dat het alle al opgeslagen en bewaarde persoonsgegevens uiterlijk op 1 oktober 2017 moet hebben gewist.

Het college wil dat de ondergrondse containers alleen toegankelijk zijn voor inwoners en bedrijven van de gemeente en wil daarom een nieuw afvalpassysteem invoeren. Daarvoor moeten de ondergrondse containers worden afgesloten. Het college heeft daarom verzocht om de last op te heffen of het deel van de last dat ziet op het openstellen van de containers te wijzigen in die zin dat de containers mogen worden gesloten. Volgens de AP kan dat omdat het college heeft voldaan aan de gehele last en al een jaar geen overtredingen hebben plaatsgevonden. De gegevensverwerking die plaatsvindt na invoering van het nieuwe systeem is bovendien in overeenstemming met de regelgeving. [appellant] is het daar niet mee eens.

Besluiten

3.       De AP heeft zich op het in bezwaar gehandhaafde standpunt gesteld dat zij op grond van artikel 5:34, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) de bevoegdheid heeft om op verzoek van het college de last op te heffen omdat de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd. Met het nieuwe systeem bestaat de verwerking van persoonsgegevens na het openen van de afvalcontainers uit het proces van omzetting van deze gegevens. Op de kaartlezers worden verder volgens de AP geen persoonsgegevens verwerkt omdat de interne chipcode van de afvalpas, die gekoppeld is aan een woonadres, na vergelijking met de autorisatielijst om de container te openen direct wordt omgezet in het generieke 9999-nummer. Op voorhand ziet de AP niet dat die verwerking in strijd is met de opvolger van de Wbp, de Algemene Verordening Gegevensverwerking (EU) 2016/679 (hierna: de AVG).

Aangevallen uitspraak

4.       De rechtbank heeft overwogen dat de AP in beginsel bevoegd was de last onder dwangsom op te heffen. De AP heeft ook in dit geval in redelijkheid gebruik kunnen maken van die bevoegdheid. De verwerking wordt uitgevoerd ter vervulling van een taak van algemeen belang en is ook noodzakelijk. De eventuele mogelijkheid dat de software in de toekomst wordt aangepast en het al dan niet invoeren van het zogenoemde Diftarsysteem hoeft daar niet bij te worden betrokken. Verder mocht de AP zich op het standpunt stellen dat met de door [appellant] aangedragen alternatieven het doel van het afvalpassysteem niet kan worden bereikt, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte oordeelt dat er een grondslag is voor de verwerking en dat de verwerking noodzakelijk is terwijl de rechtbank eerder oordeelde dat die er niet was. Dat met het nieuwe systeem de gegevens korter worden bewaard en daardoor de inbreuk minder groot is, kan geen reden zijn voor dat verschil omdat in de digitale wereld een halve seconde een eeuwigheid is. Ook een beperkte verwerking van persoonsgegevens moet voldoen aan de in de AVG gestelde eisen. De noodzaak voor de verwerking moet volgens [appellant] voortvloeien uit een wet in formele zin en voldoen aan de criteria genoemd in artikel 8, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daarnaast moet ook nog worden beoordeeld of er een noodzaak is voor de werkwijze waarvoor de gemeente bij het uitvoeren van haar taak van algemeen belang heeft gekozen, aldus [appellant]. In dit geval is de noodzaak volgens [appellant] niet aangetoond omdat ten onrechte voorbij wordt gegaan aan de vraag of het afvalpassysteem wel noodzakelijk is voor de vervulling van de taak op grond van de Wet milieubeheer. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank had moeten toetsen of die taak ook kan worden vervuld zonder de verwerking van persoonsgegevens. Door dat niet te doen heeft de rechtbank in strijd met de AVG en het EVRM een te lichte toetsing toegepast. Uit het feit dat de gemeenteraad heeft besloten tot het houden van een raadgevend referendum over de vraag "Stoppen met het betalen per afvalzak, containers van het slot halen en zorgen dat er weer een normale afvalzak in past" volgt volgens [appellant] dat de noodzakelijkheid van de gegevensverwerking er niet is.

Ten onrechte heeft de rechtbank de bewijslast voor de noodzakelijkheid bij hem gelegd in plaats van bij de gemeente. [appellant] voert verder aan dat de rechtbank een aantal van zijn beroepsgronden niet heeft besproken in de aangevallen uitspraak. Ook ontbreekt een deugdelijke belangenafweging en daarmee een effectieve rechtsbescherming.

[appellant] verzoekt de AP op te dragen op effectieve wijze handhavend op te treden tegen elke verwerking van persoonsgegevens van inwoners van Arnhem, zonder hun instemming, op de momenten dat zij hun huishoudelijk afval op correcte wijze deponeren, bijvoorbeeld in ondergrondse afvalcontainers.

Beoordeling door de Afdeling

Wat is niet of niet meer in geschil?

6.       Niet in geschil is dat er gedurende een jaar na het opleggen van de last geen overtreding is geconstateerd en geen dwangsom is verbeurd. Niet in geschil is daarom dat de AP in beginsel ingevolge artikel 5:34, tweede lid, van de Awb bevoegd was om te besluiten de last op te heffen.

Ook is niet in geschil dat er bij de beoordeling moet worden uitgegaan van het nieuwe softwareprogramma dat wordt gebruikt voor het met de afvalpas openen van de container en van het nieuwe afvalpassysteem. Er dient dan ook niet te worden uitgegaan van de situatie zoals die was voor de oplegging van de last onder dwangsom. De rechtbank was dus ook niet gebonden aan het oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank uit 2017 over dit oude afvalpassysteem.

Niet meer in geschil is dat de last ziet op de opslag en bewaring van de persoonsgegevens. Ten slotte is ook niet meer in geschil dat het zogenoemde Diftarsysteem niet zal worden ingevoerd. De gronden die [appellant] hierover heeft aangevoerd zal de Afdeling daarom niet bespreken.

De omvang van het verzoek

7.       [appellant] heeft de Afdeling verzocht de AP op te dragen handhavend op te treden tegen elke verwerking van persoonsgegevens door de gemeente.

In deze procedure gaat het om de opheffing van de last onder dwangsom in verband met de inzameling van huisvuil in ondergrondse afvalcontainers. Het verzoek dat [appellant] in hoger beroep aan de Afdeling heeft gedaan om de AP te gelasten op te treden tegen elke verwerking van persoonsgegevens door de gemeente is beduidend ruimer en valt buiten de omvang van het oorspronkelijke verzoek. De Afdeling zal dit verzoek alleen al om die reden niet inwilligen.

Wat is wel in geschil?

8.       In geschil is wel of de AP het standpunt mocht innemen dat de last kon worden opgeheven omdat door het nieuwe softwareprogramma niet langer de AVG wordt overtreden met de verwerking van de gegevens van de afvalpas bij het openen van de containers.

Welke gegevens worden verwerkt?

9.       Het gegeven dat wordt verwerkt is het nummer dat staat op de afvalpas. Aan ieder woonadres is een afvalpas gekoppeld met een eigen nummer, de zogenoemde interne chipcode. Dat nummer wordt verwerkt als een houder zijn afvalpas voor de kaartlezer op de afvalcontainer houdt en de interne chipcode van de afvalpas wordt vergeleken met een op de kaartlezer opgeslagen autorisatielijst. Daarvoor wordt de interne chipcode opgeslagen op het vluchtige geheugen van de kaartlezer, de zogenoemde whitelist. De interne chipcode van de afvalpas van een houder wordt vervolgens vrijwel direct omgezet in een generiek 9999-nummer en weer verwijderd van de whitelist als de container dichtgaat. Zodra het nummer van de afvalpas is geanonimiseerd, is ook het adres, dat is verbonden aan dat nummer, niet meer te achterhalen. Het geanonimiseerde nummer wordt op de kaartlezer opgeslagen met daarbij het tijdstip waarop de container is geopend en een aantal technische aspecten van de container.

Voor zover [appellant] betoogt dat met dit systeem kan worden gefraudeerd, waardoor gegevens meer en langer worden verwerkt, speelt dat geen rol bij de vaststelling van de grondslag van de verwerking. Het risico op misbruik van het systeem ziet op de beveiliging ervan en is voor het bepalen van de rechtmatigheid van de verwerking niet van belang.

Moet de taak van algemeen belang in een formele wet staan?

10.     Volgens de AP kunnen de gegevens in dit geval worden verwerkt op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG. Dit artikellid bepaalt dat de verwerking, voor zover van belang, rechtmatig is als die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang. Ingevolge het derde lid van artikel 6 moet een taak van algemeen belang zijn vastgesteld bij Unierecht of lidstatelijk recht.

Uit overwegingen 41 en 45 van de considerans volgt dat de AVG niet voorschrijft dat voor elke afzonderlijke verwerking specifieke wetgeving vereist is. Er kan worden volstaan met wetgeving die als basis fungeert voor verscheidene verwerkingen. Die wetgeving moet duidelijk en nauwkeurig zijn en de toepassing daarvan moet voorspelbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is. Uit deze overwegingen volgt niet dat de noodzaak voor de verwerking moet voortvloeien uit een wet in formele zin, zoals [appellant] betoogt. Een dergelijke verplichting vloeit ook niet voort uit het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het EU Handvest).

Ook volgens het EVRM is, anders dan [appellant] betoogt, een formele wet niet vereist. Het vereiste dat een inmenging ‘bij wet’ moet zijn voorzien in de zin van artikel 8, tweede lid, EVRM betekent alleen maar dat de aangevochten maatregel een basis in de nationale wetgeving moet hebben en in overeenstemming moet zijn met de vereisten van de rechtsstaat. Dat kan ook lagere regelgeving zijn.

Uit artikel 10, eerste lid, van de Grondwet kan evenmin worden afgeleid dat iedere afzonderlijke inbreuk ook bij formele wet moet zijn voorzien. De term ‘bij of krachtens de wet’ laat toe dat lagere regelgeving beperkingen stelt. De vereiste wet die ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Grondwet regels moet stellen ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer is in dit geval de AVG en de Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: de UAVG).

Het betoog slaagt niet.

Wat is het toetsingskader?

11.     De verwerking van persoonsgegevens kan rechtmatig zijn als die noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang. Daarvoor moet allereerst worden beoordeeld of het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt welbepaald en uitdrukkelijk omschreven is. Verder moet worden beoordeeld of met de aan de orde zijnde verwerking van de persoonsgegevens ook het betreffende doel wordt bereikt. Daarbij moet het doel passen binnen de taak van algemeen belang. In het geval de verwerking van de persoonsgegevens voor het bereiken van het specifieke doel in deze zin noodzakelijk is, moet vervolgens worden beoordeeld of de inbreuk op de privacy evenredig is met de belangen die zijn gediend met de verwerking van de persoonsgegevens. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 20 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2555, moet in het licht van het EU-Handvest daartoe worden beoordeeld of de inbreuk op de privacy is beperkt tot wat voor het behalen van het doel strikt noodzakelijk is. Met name moet worden beoordeeld of het doel waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokken personen minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. De intensiteit waarmee dit dient te gebeuren wordt mede bepaald door de specificiteit van de aangedragen alternatieven. Met andere woorden: hoe gedetailleerder de betrokkene het alternatief beschrijft, hoe indringender het onderzoek van de AP moet zijn.

Met deze toetsing van de belangen in het concrete geval is de AVG in overeenstemming met artikel 8 van het EVRM. Anders dan [appellant] betoogt, brengt dat artikel niet met zich dat naast deze belangentoetsing nog een afzonderlijke, ruimere, toetsing zou moeten plaatsvinden.

Wat is de taak van algemeen belang?

12.     Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de verantwoordelijkheid van de gemeente om te zorgen voor de inzameling van huishoudelijk afval moet worden aangemerkt als een taak van algemeen belang. Deze taak vloeit voort uit artikel 10.21 van de Wet milieubeheer, het op basis daarvan vastgestelde Landelijke Afvalbeheerplan en het daarop gebaseerde gemeentelijke afvalplan 2012-2020. De Wet milieubeheer draagt de gemeente niet alleen op om afval in te zamelen, maar ook om daarbij rekening te houden met het geldende afvalbeheerplan en de daarin opgenomen voorkeursvolgorde. Gelet hierop stelt de AP zich terecht op het standpunt dat het voorkomen van restafval en het gescheiden inzamelen van huishoudelijk afval ook onder deze taak van algemeen belang van de gemeente valt. Voor de invulling van die taak komt het gemeentebestuur een zekere ruimte toe. De uitgangspunten van het gemeentelijke afvalplan zijn het zo min mogelijk restafval en zo veel mogelijk op juiste wijze gescheiden aanbieden van herbruikbare materialen zoals papier, glas, plastic enzovoort, zodat die kunnen worden hergebruikt.

Wat zijn de doeleinden?

13.     De doeleinden die zijn gediend met de verwerking van de persoonsgegevens betreffen het voorkomen van gebruik van de containers door bedrijven en door niet-Arnhemmers, het bepalen welke inzamelingsroutes worden gevolgd en het bepalen in welke wijken voorlichting nodig is over het scheiden van afval.

Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze doelen welbepaald en uitdrukkelijk omschreven. Ook is de Afdeling van oordeel dat met de verwerking van de gegevens die doeleinden worden bereikt. De containers zijn immers alleen te openen met afvalpassen die zijn verstrekt aan personen die wonen op een adres in Arnhem. Verder kan door het afvalpassysteem worden bijgehouden wanneer en hoe snel een container voor restafval vol is. Daardoor kan worden bepaald welke containers moeten worden geleegd en in welke wijken voorlichting over het scheiden van afval nodig is om de hoeveelheid restafval nog meer te doen verminderen.

Is de verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang?

14.     Zoals hiervoor uiteengezet, houdt de toetsing van de noodzakelijkheid een afweging van alternatieven en belangen in. Dat de verwerking van de gegevens noodzakelijk moet zijn in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de AVG, betekent dus niet dat de verwerking alleen rechtmatig is als de taak van algemeen belang niet kan worden vervuld zonder dat gegevens worden verwerkt. Met andere woorden: de inzameling van huishoudelijk afval kan, zoals [appellant] terecht stelt, plaatsvinden zonder dat gegevens worden verwerkt. Dat betekent echter niet dat al om die reden de noodzakelijkheid ontbreekt voor verwerking van gegevens bij de inzameling van huishoudelijk afval in containers die moeten worden geopend met een adresgebonden afvalpas. Dat is pas het geval als er andere wijzen van vervulling van de taak van algemeen belang zijn waarmee hetzelfde doel kan worden bereikt of de verwerking disproportioneel is.

De vrijheid die het college toekomt bij de invulling van de taak van algemeen belang maakt ook dat het enkele feit dat het college een raadgevend referendum heeft uitgeschreven niet betekent dat daarom de verwerking dus niet noodzakelijk is, zoals [appellant] betoogt.

De Afdeling volgt [appellant] niet in zijn betoog dat deze wijze van toetsen in strijd is met het beginsel van minimale gegevensverwerking als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG. Het uitgangspunt van de AVG is namelijk niet dat de verwerking van zogenoemde gewone persoonsgegevens, zoals een adres, verboden is. De AVG beoogt de verwerking van deze gegevens te reguleren. Er is ook geen grondrecht op het niet-verwerken van dit soort persoonsgegevens.

15.     Zoals [appellant] terecht betoogt, moet ook als maar een enkel gegeven voor korte tijd wordt verwerkt, die verwerking voldoen aan de AVG. Anders dan [appellant] aanvoert speelt de omvang van de verwerking echter wel een rol in de afweging of de verwerking proportioneel is. In dit geval worden op het vluchtige geheugen van de kaartlezer korte tijd de gegevens van de afvalpas opgeslagen om die te kunnen controleren met de gegevens op de autorisatielijst. De gegevens worden direct daarna geanonimiseerd en worden dus niet bewaard. De Afdeling is van oordeel dat deze verwerking van geringe omvang is en beperkt blijft tot wat noodzakelijk is voor het behalen van de doeleinden van de gemeente. De AP mocht daarom het standpunt innemen dat de inbreuk voor [appellant] in verhouding staat tot het met de verwerking te dienen doel.

16.     Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de AP zich op het standpunt mocht stellen dat het college genoegzaam heeft aangetoond dat met de aangedragen alternatieven niet de beoogde doelen worden bereikt.

De verwerkingsverantwoordelijke moet aantonen dat een verwerking noodzakelijk is voor het verwezenlijken van een bepaald doel. De verwerkingsverantwoordelijke hoeft echter niet alle mogelijke alternatieven te bedenken. Anders dan [appellant] aanvoert betekent het feit dat hij alternatieven moet aandragen niet dat de bewijslast wordt omgedraaid.

Aannemelijk is dat als de containers weer open zouden worden gezet, niet kan worden voorkomen dat niet-inwoners van Arnhem en bedrijven daarin hun afval storten. Ter zitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van het college verklaard dat in de periode dat de containers waren opengesteld daarin 7% meer restafval is gedeponeerd. Met het gebruik van een afvalpas die niet is gekoppeld aan een adres, kan het doel van het voorkomen van misbruik niet worden verwezenlijkt. In dat geval kan de omloop van de afvalpassen immers niet worden gecontroleerd door de gemeente en bestaat de kans dat afvalpassen terecht komen bij bedrijven of niet-inwoners van Arnhem. Ten slotte heeft het college aannemelijk gemaakt dat bij de invoering van vuilniszakken met een prijsopslag de doeleinden van het gemeentelijke afvalplan 2012-2020 niet zullen worden bereikt omdat het afval minder goed zal worden gescheiden en tot meer overlast in de openbare ruimte zal leiden.

17.     Uit het noodzakelijkheidscriterium, dat voortvloeit uit artikel 8 van het EVRM, vloeien in een geval als hier aan de orde geen zwaardere eisen voort dan de toets die op grond van artikel 6 van de AVG moet worden gedaan. Nu de verwerking van de gegevens aan (artikel 6 van) de AVG voldoet, mocht de AP zich op het standpunt stellen dat de gegevensverwerking niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

18.     Gezien het vorenstaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het doel in redelijkheid niet op een andere, voor de bij de verwerking van persoonsgegevens betrokken persoon minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de AP het standpunt mocht innemen dat het college de AVG niet meer overtreedt als de last wordt opgeheven. De rechtbank heeft dit oordeel ook voldoende gemotiveerd. Het feit dat de rechtbank niet alle beroepsgronden van [appellant] expliciet noemt, wil niet zeggen dat zij deze niet heeft meegewogen in haar oordeel. Dat betoog van [appellant] slaagt niet.

Slotsom

19.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

20.     De AP hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021

290

 

BIJLAGE

 

EVRM

Artikel 8:

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Handvest

Artikel 8:

1. Eenieder heeft recht op bescherming van zijn persoonsgegevens.

2. Deze gegevens moeten eerlijk worden verwerkt, voor bepaalde doeleinden en met toestemming van de betrokkene of op basis van een andere gerechtvaardigde grondslag waarin de wet voorziet. Eenieder heeft recht van inzage in de over hem verzamelde gegevens en op rectificatie daarvan.

3. Een onafhankelijke autoriteit ziet erop toe dat deze regels worden nageleefd.

AVG

Artikel 5 Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens

1. Persoonsgegevens moeten:

a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie");

b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd („doelbinding");

c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking");

d) juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren („juistheid");

e) worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen („opslagbeperking");

f) door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging („integriteit en vertrouwelijkheid").

2. De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen („verantwoordingsplicht").

Artikel 6 Rechtmatigheid van de verwerking

1. De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;

b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;

c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;

d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen;

e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;

f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.

De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.

2. De lidstaten kunnen specifiekere bepalingen handhaven of invoeren ter aanpassing van de manier waarop de regels van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid 1, punten c) en e), worden toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van specifieke voorschriften voor de verwerking en andere maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen, ook voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX.

3. De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:

a) Unierecht; of

b) lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.

Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.

4. […].

Awb

Artikel 5:34

1. Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor de overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen.

2. Het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, kan op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking een jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd.

Wet Milieubeheer

Artikel 10.21

1. De gemeenteraad en burgemeester en wethouders dragen, al dan niet in samenwerking met de gemeenteraad en burgemeester en wethouders van andere gemeenten, ervoor zorg dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van grove huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan.

2. In aanvulling op het eerste lid kunnen, in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen, bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over het zorgdragen door de gemeenteraad en burgemeesters en wethouders voor de inzameling van daarbij aan te wijzen afvalstoffen die in aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen en afkomstig zijn van daarbij aan te wijzen bronnen.

3. Indien toepassing is gegeven aan het tweede lid, worden die afvalstoffen aangemerkt als huishoudelijke afvalstoffen.

4. De gemeenteraad kan besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen.