Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1402

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
202005489/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Borne de locatie Tuinlaan aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer. Op 3 september 2019 heeft het college een ontwerpbesluit vastgesteld, waarin onder meer de locatie Tuinlaan wordt aangewezen als locatie voor een ORAC. De locatie bevindt zich tegenover het perceel [locatie 1]. De omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen tegen de voorgenomen locatie naar voren te brengen. Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college de locatie Tuinlaan definitief aangewezen als locatie voor een ORAC. [appellanten] kunnen zich allen niet met de aanwijzing van de locatie verenigen omdat zij vrezen dat door de komst van de ORAC hun woon- en leefklimaat wordt aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005489/1/R1.

Datum uitspraak: 30 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en anderen, allen wonend te Borne,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Borne,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college de locatie Tuinlaan aangewezen voor het plaatsen van een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC).

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant A] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 april 2021, waar [appellant B] en [appellant C], en het college, vertegenwoordigd door mr. I.T.T. Taken en mr. S. Jurriën, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op 3 september 2019 heeft het college een ontwerpbesluit vastgesteld, waarin onder meer de locatie Tuinlaan wordt aangewezen als locatie voor een ORAC. De locatie bevindt zich tegenover het perceel [locatie 1]. De omwonenden zijn in de gelegenheid gesteld zienswijzen tegen de voorgenomen locatie naar voren te brengen. Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college de locatie Tuinlaan definitief aangewezen als locatie voor een ORAC.

2.       Het beroep is ingesteld door [appellant A], [appellant C], [appellant D] en [appellant B]. [appellant A] en [appellant C] wonen op het perceel [locatie 1]. [appellant D] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 2]. Zij kunnen zich allen niet met de aanwijzing van de locatie verenigen omdat zij vrezen dat door de komst van de ORAC hun woon- en leefklimaat wordt aangetast.

Ontvankelijkheid

3.       Het college stelt zich op het standpunt dat appellanten weliswaar zienswijzen hebben ingediend, maar dat de namen en handtekeningen van [appellant D] en [appellant A] daarop ontbreken. Zij stellen dat de indieners van het beroepschrift die de zienswijze niet hebben ondertekend niet-ontvankelijk zijn.

3.1.    De Afdeling overweegt dat de zienswijze afkomstig is van de bewoners van de aangegeven percelen. De ondertekening is zodanig dat volgens de Afdeling voldoende duidelijk is dat beoogd is de zienswijze namens alle bewoners van de vermelde percelen in te dienen.

Beoordelingskader

4.       Artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Borne 2010 (oud) bepaalt:

"Burgemeester en wethouders kunnen aanwijzen via welk(e) inzamelmiddel of -voorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."

5.       Bij de keuze van een locatie voor ORAC’s dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2506), komt het college bij de keuze voor locaties voor de plaatsing van ORAC's beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze voor de aangewezen locatie heeft kunnen komen. Daarbij beoordeelt zij allereerst of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een ORAC. Als dat zo is, beoordeelt de Afdeling vervolgens of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

Gevolgen van het gebruik van ORAC’s in het algemeen

6.       [appellant A] en anderen vrezen dat het gebruik van de ORAC geuroverlast zal veroorzaken. Ook vrezen zij voor overlast door zwerfvuil, omdat zij er niet op vertrouwen dat het college daartegen handhavend zal optreden.

6.1.    In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor een ORAC. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van ORAC’s, ligt niet ter beoordeling voor.

Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een ORAC, toeneming van verkeer van en naar een ORAC en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van een ORAC. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van ORAC’s maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2320. De Afdeling zal daarom alleen beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.

6.2.    In de door [appellant A] en anderen in algemene zin geuite vrees voor geurhinder en zwerfvuil, heeft het college geen belemmering voor aanwijzing van de locatie hoeven zien. Daarbij betrekt de Afdeling dat het college heeft toegelicht dat geurhinder en zwerfvuil zo veel mogelijk worden voorkomen. In de ORAC worden geurblokken opgehangen en de bovenkant van de ORAC wordt wekelijks schoongemaakt. Dan wordt ook eventueel zwerfvuil verwijderd. De ORAC wordt in beginsel twee keer per week geledigd. Als dat te weinig blijkt, wordt de frequentie verhoogd. Zwerfvuil kan bovendien op afroep worden weggehaald en zo nodig wordt handhavend opgetreden.

Het betoog faalt.

Geschiktheid van de locatie

7.       [appellant A] en anderen betogen dat een ORAC op de aangewezen locatie niet wenselijk is, omdat er een of meerdere bomen moeten worden gekapt en een deel van het park wordt opgeofferd. Bovendien zullen de bewoners van de Tuinlaan nummers 43 tot en met 85 en de bewoners van de Vossenbeek direct zicht hebben op de ORAC. Daarnaast stellen [appellant A] en anderen dat de locatie niet centraal is gelegen en dat voor sommige bewoners de maximale loopafstand van 250 m wordt overschreden. Deze bewoners zullen met de auto hun afval wegbrengen. De verkeersaantrekkende werking van de ORAC zal volgens [appellant A] en anderen leiden tot verkeershinder. De wijk Tuinstad heeft maar één ontsluiting. Om de ORAC te bereiken, moet de gehele Tuinlaan worden rondgereden. De Tuinlaan is te smal om te keren zonder gebruik te maken van de oprit van een woning. Door de ORAC wordt bovendien de verkeersveiligheid in gevaar gebracht, aangezien de aangewezen locatie ligt in een park waar kinderen spelen, oversteken en fietsen. De extra verkeersbewegingen en de ORAC zelf zullen het zicht belemmeren. Ook het inzamelvoertuig dat de ORAC leegt, zal voor verkeersonveilige situaties zorgen, zo stellen [appellant A] en anderen. Verder vrezen zij voor overlast van ratten, omdat de aangewezen locatie ligt bij een beek waar zich ratten ophouden. Volgens [appellant A] en anderen zullen de ratten afkomen op het zwerfvuil rondom de ORAC. Ter zitting hebben [appellant A] en anderen daarnaast gewezen op de aanwezigheid van een wadi op de aangewezen locatie, wat de aangewezen locatie ongeschikt maakt voor de plaatsing van een ORAC.

7.1.    Het college hanteert bij het aanwijzen van locaties voor ORAC’s een aantal richtlijnen:

- een ORAC wordt in principe geplaatst op openbaar gebied;

- de afstand van de ORAC tot de perceelgrens is maximaal 150 m, indien noodzakelijk 250 m. Dit geldt niet voor inwoners waarvoor de ORAC niet het enige beschikbare inzamelmiddel voor restafval is, dan geldt geen maximale loopafstand;

- een ORAC wordt zo veel mogelijk centraal geplaatst ten opzichte van de woningen waarvoor deze bedoeld is;

- direct zicht op de ORAC vanuit woningen wordt zo veel mogelijk beperkt;

- de afstand van een ORAC tot de voorgevel van een woning is minimaal 3 m;

- de afstand van een ORAC tot overige gevels is minimaal 1 m;

- verkeersveiligheid wordt niet belemmerd;

- de doorgang op het trottoir voor rolstoelen en kinderwagens wordt niet belemmerd;

- boven een ORAC is een vrije bovenruimte van 10 m;

- de afstand tussen een ORAC en de stamvoet van een boom is minimaal 6 m;

- het opheffen van parkeerplaatsen of groen wordt zo veel mogelijk beperkt;

- indien mogelijk wordt geen boom gekapt;

- in principe worden geen kabels en leidingen verlegd;

- het legen van de ORAC veroorzaakt minimale verkeershinder en oponthoud en kan op een veilige manier plaatsvinden;

- de afstand tussen een ORAC en de rijweg is maximaal 6 m.

7.2.    Het college stelt zich op het standpunt dat de aangewezen locatie aan de richtlijnen voldoet. Dat één boom moet worden verplant, is niet in strijd met de desbetreffende richtlijn. Aan de rand van het park vervalt 4 m² groen. Voor het overige wordt aan alle criteria voldaan. Over de vrees voor zicht op de ORAC, stelt het college dat dat zicht beperkt zal zijn. De ORAC is slechts 98 cm hoog en heeft een onopvallende kleur. De locatie is gelegen in openbaar gebied, niet direct tegenover woningen. Vanuit enkele woningen is de ORAC weliswaar zichtbaar, maar de afstand tot de woningen van [appellant A] en [appellant C] en [appellant D] en [appellant B] bedraagt 15 respectievelijk 20 m. Voor de overige bewoners die [appellant A] en anderen noemen, geldt een nog grotere afstand. Wat betreft de richtlijn over de maximale loopafstand, stelt het college dat deze alleen geldt voor bewoners die geen andere mogelijkheid hebben voor het wegbrengen van afval, zoals bewoners van hoogbouw. Binnen het beoogde verzorgingsgebied, de wijken Tuinstad en Singelwonen, bevindt zich geen hoogbouw. De desbetreffende richtlijn is dus niet op deze ORAC van toepassing. Toch ligt de ORAC volgens het college centraal binnen het beoogde verzorgingsgebied en geldt voor een groot deel van de woningen in Tuinstad en Singelwonen dat de afstand tot de aangewezen locatie minder dan 250 m bedraagt. Wat betreft de vrees voor verkeershinder vanwege de verkeersaantrekkende werking stelt het college dat in de Tuinlaan geen eenrichtingsverkeer geldt en dat keren wel mogelijk is. Bewoners die met de auto hun restafval komen wegbrengen, kunnen gebruikmaken van parkeerplaatsen. Ook is volgens het college geen sprake van een verkeersonveilige situatie. De ophaalwagen heeft op de aangewezen locatie voldoende ruimte om veilig te stoppen om de ORAC te legen. Tijdens het legen staat de ophaalwagen stil en vanwege zijn breedte kan deze niet worden gepasseerd. De ORAC zelf zal vanwege zijn beperkte hoogte verkeersdeelnemers niet het zicht ontnemen. Over de vrees voor ratten, stelt het college dat het onmogelijk is dat ratten de ondergrondse container kunnen binnengaan. De maatregelen die het college treft om geur- en zwerfvuiloverlast te voorkomen, zullen voorkomen dat overlast door ratten zal ontstaan. Verder acht het college de locatie niet ongeschikt als het gevolg van de aanwezigheid van een wadi. Volgens het college ligt het infiltratieriool op 6 m van de parkeerstrook, zodat er voldoende ruimte overblijft om daartussen de ORAC te plaatsen.

7.3.    De Afdeling overweegt dat het college de richtlijnen heeft betrokken bij het aanwijzen van de locatie. De inbreuk op het aanwezige groen is beperkt, temeer omdat het college de desbetreffende boom zal verplanten en de ORAC ten koste gaat van maximaal 4 m2 van het aanwezige groen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, overeenkomstig de richtlijnen, de bomen en het aanwezige groen zoveel mogelijk worden ontzien. Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat zij zicht zullen hebben op de ORAC, acht de Afdeling van belang dat de aangewezen locatie is gelegen aan de overkant van de straat op een afstand van minstens 15 m van de dichtstbijzijnde woning.

Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat voor een deel van de bewoners de maximale loopafstand wordt overschreden en dat voor die bewoners de ORAC met de auto niet goed bereikbaar is, overweegt de Afdeling het volgende. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3821, moet bij de beantwoording van de vraag of het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a Awb in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met de richtlijnen die het college hanteert bij het aanwijzen van locaties voor ORAC’s, onderscheid worden gemaakt tussen het belang dat genoemde richtlijn beoogt te beschermen en de belangen van [appellant A] en anderen, die deze rechtsregel inroepen. De Afdeling overweegt dat [appellant A] en anderen zich niet op de in geding zijnde afstandsnorm kunnen beroepen. Voor [appellant A] en anderen gaat het immers om het belang dat zij gevrijwaard blijven van de aantasting van hun uitzicht en meer in het algemeen om het belang van het behoud van hun woon- en leefomgeving. De richtlijn van het college over de afstandsnorm heeft niet de strekking die belangen te beschermen, zodat het slagen van deze beroepsgrond, gelet op artikel 8:69a van de Awb, er niet toe kan leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd. De Afdeling ziet dan ook af van een inhoudelijke bespreking van dit betoog.

Voor zover de beroepsgrond betrekking heeft op vrees voor verkeershinder en verkeersonveilige situaties, overweegt de Afdeling dat het college toereikend heeft gemotiveerd dat de ORAC minimale verkeershinder en oponthoud zal veroorzaken. Bewoners die ervoor kiezen om hun afval met de auto weg te brengen, kunnen in de Tuinlaan keren en parkeren. Dit leidt niet tot verkeersonveilige situaties. Daarnaast heeft het college toereikend gemotiveerd dat het ledigen van de ORAC veilig kan plaatsvinden.

7.4.    Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat de locatie ongeschikt is voor een ORAC vanwege mogelijke overlast door ratten uit de nabijgelegen beek, overweegt de Afdeling dat het college ter zitting gemotiveerd heeft aangegeven daarop te zullen anticiperen door middel van de maatregelen die worden getroffen om geur- en zwerfvuiloverlast tegen te gaan. Het college heeft in de door [appellant A] en anderen verwoorde vrees in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om van de locatie aan de Tuinlaan af te zien.

Ook aan de aanwezigheid van een wadi heeft het college in redelijkheid geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen, omdat ter zitting is toegelicht dat zich tussen de parkeerstrook en het infiltratieriool voldoende ruimte bevindt voor een ORAC.

7.5.    Uit het voorgaande volgt niet dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het aanwijzen van de locatie Tuinlaan.

Het betoog faalt.

8.       [appellant A] en anderen betogen voorts dat voor de locatie geen draagvlak bestaat onder de bewoners en dat een ORAC op deze locatie niet noodzakelijk is. Dat blijkt uit het feit dat veel bewoners van de wijk ervoor hebben gekozen hun eigen restafvalcontainer te behouden, waardoor zij naar verwachting geen gebruik zullen maken van de ORAC.

8.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voldoende draagvlak bestaat onder de bewoners. De ORAC zal niet alleen worden gebruikt door mensen die hun eigen restafvalcontainer hebben ingeleverd, maar ook door bewoners die ruimte tekortkomen in hun eigen restafvalcontainer. Ook verwacht het college dat meer mensen hun eigen restafvalcontainer zullen inleveren nadat de ORAC geplaatst is. De Afdeling overweegt dat het feit dat een deel van de huishoudens in de straat gebruikmaakt van restafvalcontainers voor het aan huis inzamelen van afval op hun percelen, geen reden vormt om de aanwijzing van een locatie voor een ORAC voor algemeen gebruik onjuist te achten. Bij het uitvoeren van zijn taak ten aanzien van de (gescheiden) inzameling van huisafval is het aan het college om te beoordelen of dergelijke containers nodig zijn. In hetgeen [appellant A] en anderen aanvoeren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in de redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ORAC op de locatie Tuinlaan voorziet in een behoefte.

Het betoog faalt.

Alternatieve locaties

9.       [appellant A] en anderen betogen dat het college de locatie Tuinlaan niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen omdat er geschikte alternatieve locaties zijn. Zij wijzen daarbij op de Bornsche Beeklaan. Deze laan verbindt alle deelgebieden met elkaar en is voor alle bewoners centraler gelegen. Ook stellen zij dat de restafvalcontainer die al aanwezig is bij Kinderopvang De Bongerd aan de Bornsche Beeklaan, voldoet. Ter zitting hebben [appellant A] en anderen verder gewezen op een locatie aan de Vossenbeek in Singelwonen. Deze locatie is volgens hen centraler gelegen binnen het beoogde verzorgingsgebied en draagt ten opzichte van al geplaatste ORAC’s bij aan een goede spreiding van ORAC’s over de wijken. Daarnaast bevindt zich, in tegenstelling tot de aangewezen locatie, op die locatie geen speelplek voor kinderen, wadi of druk fietspad. Ook is die locatie overzichtelijker en daarmee veiliger, kijken er geen woningen op uit en hoeven daar geen bomen te worden verplant. De stelling van het college dat geen goed alternatief in de nabije omgeving mogelijk is, omdat in de aanwezige trottoirs en groenstroken veel kabels en leidingen liggen, wordt onvoldoende onderbouwd, zo stellen [appellant A] en anderen.

9.1.    Het college stelt dat de aangedragen alternatieve locaties niet geschikt zijn voor plaatsing van ondergrondse containers. In de buurt van de Bornsche Beeklaan bevindt zich al de restafvalcontainer bij Kinderopvang De Bongerd. Vanwege de bereikbaarheid en spreiding van restafvalcontainers is volgens het college een extra ORAC nodig die op fiets- en loopafstand van bewoners van andere wijken ligt. Ook is een andere ORAC-locatie aangewezen ten westen van de Bornsche Beeklaan, bij een appartementencomplex in Oost-Esch. De aangewezen locatie aan de Tuinlaan voorziet in een ORAC ten oosten van de Bornsche Beeklaan, voor de bewoners van Tuinstad en Singelwonen. Wat betreft de voorgestelde locatie aan de Vossenbeek in Singelwonen stelt het college dat deze minder goed past in het spreidingsbeleid vanwege de nabijheid van de ORAC-locatie in Oost-Esch. Bovendien wordt daarmee de afstand tot de dichtstbijzijnde ORAC voor de bewoners van Tuinstad vergroot. Voor zover [appellant A] en andere betogen dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat in de nabije omgeving de plaatsing van een ORAC wordt belemmerd door aanwezige kabels en leidingen, acht de Afdeling van belang dat het college een overzichtskaart heeft overgelegd waaruit de aanwezigheid van vele kabels en leidingen in de omgeving blijkt. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid de alternatieve locaties geschikter had moeten achten dan de aangewezen locatie.

Het betoog faalt.

10.     Het beroep is ongegrond.

11.     Het college hoeft geen proceskosten te betalen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021

191-974.