Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1398

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
202003262/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. [appellant] is sinds 30 mei 2007 eigenaar van de woning aan de [locatie] te Holten. Op 28 december 2017 heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die hij in de vorm van waardevermindering van de woning heeft geleden door de inwerkingtreding van het bij raadsbesluit van 1 november 2012 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied Rijssen-Holten. Het college heeft een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden ter plaatse van de woning onder het nieuwe bestemmingsplan en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime van het bij raadsbesluit van 24 augustus 1992 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/283
Jurisprudentie Grondzaken 2021/93 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003262/1/A2.

Datum uitspraak: 30 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Holten, gemeente Rijssen-Holten,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 april 2020 in zaak nr. 19/1551 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten.

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2018 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 25 juni 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 april 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 juni 2021, waar [appellant A], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door C. van Bart, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       [appellant] is sinds 30 mei 2007 eigenaar van de woning aan de [locatie] te Holten (hierna: de woning). Op 28 december 2017 heeft hij het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade die hij in de vorm van waardevermindering van de woning heeft geleden door de inwerkingtreding van het bij raadsbesluit van 1 november 2012 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied Rijssen-Holten (hierna: het nieuwe bestemmingsplan).

standpunt van het college

2.       Het college heeft een vergelijking gemaakt tussen de planologische mogelijkheden ter plaatse van de woning onder het nieuwe bestemmingsplan en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologische regime van het bij raadsbesluit van 24 augustus 1992 vastgestelde bestemmingsplan Buitengebied (hierna: het oude bestemmingsplan). Uit deze vergelijking is de conclusie getrokken dat [appellant] als gevolg van de planologische verandering niet in een nadeliger planologische situatie is komen te verkeren en geen planschade heeft geleden. Onder het oude bestemmingsplan had de grond ter plaatse van de woning een bestemming voor agrarische bedrijfsdoeleinden en was gebruik van die grond ten behoeve van een woning in planologische zin niet toegestaan. Onder het nieuwe bestemmingsplan is gebruik ten behoeve van een bedrijfswoning toegestaan. Dat betekent dat [appellant] in dit opzicht beter af is in de nieuwe situatie. Dat het gebruik als burgerwoning in de oude situatie krachtens het overgangsrecht bij het oude bestemmingsplan was toegestaan, leidt niet tot een ander oordeel, omdat in een vergelijking tussen planologische regimes in de regel geen rekening wordt gehouden met overgangsrecht en er in het geval van [appellant] geen aanleiding is voor het maken van een uitzondering op deze regel.

beoordeling van de hogerberoepsgronden

3.       [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het besluit van 25 juni 2019 de rechterlijke toets kan doorstaan. Hij voert in hoger beroep gronden aan tegen de overwegingen van de rechtbank over de oorzaak van de schade, over de vergelijking met de woning aan de Zanddijk 6 te Rijssen (hierna: de andere woning), over de betekenis van het overgangsrecht en over het vermeende illegale karakter van de woning in de oude situatie. De Afdeling zal deze gronden hierna bespreken en afsluiten met een conclusie.

4.       [appellant] heeft een beroepsgrond aangevoerd over de handelwijze van het college ten aanzien van de vestiging van een paardenfokbedrijf in de buurt van de woning. De rechtbank heeft overwogen dat deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding valt en daarom niet wordt besproken. [appellant] betoogt in hoger beroep dat dit niet juist is en dat hij met die beroepsgrond wilde verduidelijken dat de handelwijze van het college in de laatste 20 jaar de oorzaak van de gestelde planschade is.

4.1.    In artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) is bepaald dat burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toekennen, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

4.2.    In het aanvraagformulier heeft [appellant] als oorzaken van de gestelde planschade vermeld: het nieuwe bestemmingsplan, de Wet plattelandswoning van 2013 en het besluit van het college van 14 december 2017, waarbij een verzoek om handhavend op te treden jegens de exploitant van een paardenfokbedrijf is afgewezen.

In artikel 6.1, tweede lid, van de Wro is een limitatieve opsomming gegeven van oorzaken van planschade. In het geval van [appellant] valt alleen het nieuwe bestemmingsplan onder deze opsomming. Tussen partijen is niet in geschil dat de vestiging van het paardenfokbedrijf geen gevolg is van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan. [appellant] kan daarom aan artikel 6.1, eerste lid, van de Wro geen aanspraak ontlenen op tegemoetkoming in de schade als gevolg van de handelwijze van het college in verband met het paardenfokbedrijf. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

Het betoog faalt.

5.       [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn situatie niet vergelijkbaar is met die van de eigenaar van de andere woning. Hij voert aan, met verwijzing naar een voorstel van het college van 22 april 2016 met betrekking tot het wijzigen van de bestemming van de andere woning, dat het gebruik van de andere woning niet onder het overgangsrecht viel en dus illegaal was.

5.1.    De verwijzing naar de bestemmingsplanwijziging voor de andere woning kan [appellant] in deze planschadeprocedure niet baten. Die wijziging is niet relevant voor het antwoord op de vraag of [appellant] als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren.

Het betoog faalt.

6.       [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college het overgangsrecht van het oude bestemmingsplan terecht niet heeft betrokken in de vergelijking met het nieuwe bestemmingsplan. Het overgangsrecht bij een bestemmingsplan strekt tot bescherming van een bestaande situatie die afwijkt van de in dat plan opgenomen bestemmingsregeling. Dat die situatie niet past binnen de nieuwe bestemmingsregeling, betekent dat wordt beoogd om aan deze situatie een einde te maken binnen de planperiode. Volgens [appellant] was echter niet duidelijk hoe dat in dit geval zou gebeuren en lag het toekennen van een positieve bestemming het meest voor de hand. Hij stelt zich verder op het standpunt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het overgangsrecht bij het oude bestemmingsplan een zodanig verstrekkende werking had, dat dit vrijwel dezelfde mogelijkheden bood als het als zodanig bestemmen van de situatie.

6.1.    Of de woning in het nieuwe bestemmingsplan terecht een bestemming als bedrijfswoning heeft gekregen en geen bestemming als burgerwoning, kan, anders dan [appellant] meent, in deze planschadeprocedure niet aan de orde komen. In deze planschadeprocedure is de bij dat bestemmingsplan vastgestelde bestemming een gegeven.

6.2.    In het kader van de beslissing op een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade wordt onderzocht of de aanvrager als gevolg van een wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en schade lijdt of zal lijden. Hiertoe wordt een vergelijking gemaakt tussen het planologische regime na de inwerkingtreding van de wijziging, waarvan wordt gesteld dat deze schade heeft veroorzaakt, en het onmiddellijk daaraan voorafgaande planologisch regime. In die vergelijking neemt het bij een bestemmingsplan behorende overgangsrecht een speciale plaats in. Dit overgangsrecht strekt tot bescherming van een op grond van het oude planologische regime bestaande situatie die afwijkt van de nieuwe bestemmingsregeling voor de desbetreffende gronden. Dat die situatie niet past binnen de nieuwe bestemmingsregeling, betekent dat wordt beoogd om aan deze situatie een einde te maken binnen de planperiode, zoals de Afdeling onder meer bij uitspraak van 12 februari 1997 (AB 1997, 232) heeft overwogen. Die situatie mag dan voorlopig blijven bestaan. De bescherming van een overgangsregeling reikt echter minder ver dan de mogelijkheden die een positieve bestemming geeft.

In voormelde uitspraak van 12 februari 1997 heeft de Afdeling voorts overwogen dat de overgangsbepalingen bij een bestemmingsplan van een andere orde zijn dan de bestemmingsvoorschriften en dat het niet is toegestaan om een vergelijking te maken tussen de mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen van het oude planologische regime en de mogelijkheden ingevolge de bestemmingsvoorschriften van het nieuwe planologische regime. De mogelijkheden ingevolge de overgangsbepalingen van het oude regime worden in beginsel niet betrokken bij het antwoord op de vraag of het nieuwe regime een planologische verslechtering voor de aanvrager betekent.

In de jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 26 augustus 1996, BR 1996, 849) is een uitzondering op deze regel gemaakt in het geval van overgangsbepalingen met een zo verstrekkende werking, dat deze vrijwel dezelfde mogelijkheden boden als een positieve bestemming zou hebben gedaan.

6.3.    In het geval van [appellant] is, gelet op de overgangsbepalingen bij het oude bestemmingsplan, niet voldaan aan de voorwaarden voor het maken van een uitzondering op de regel. Het college heeft deze bepalingen terecht niet betrokken in de vergelijking met het nieuwe bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

7.       [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de woning onder het oude bestemmingsplan illegaal was. Hij voert aan dat rechtbank geen rekening heeft gehouden met de beschermende werking van het overgangsrecht.

7.1.    Dat op 27 juli 1971 bouwvergunning voor het plaatsen van een bedrijfswoning is verleend en dat het gebruik van de woning als burgerwoning onder het oude bestemmingsplan onder de beschermende werking van het overgangsrecht viel, laat onverlet dat, gelet op de in dat bestemmingsplan toegekende bestemming aan de grond ter plaatse van de woning, het gebruik daarvan als burgerwoning in planologische zin niet - bij recht - was toegestaan.

Het betoog faalt.

conclusie

8.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

proceskosten

9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021

452.