Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
202004461/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2020 heeft de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug het bestemmingsplan "Driebergen Buitengebied" vastgesteld. Het plan voorziet in een actualisering van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 16 september 2004. Het nieuwe plan speelt daarbij zoveel mogelijk in op verwachte toekomstige ontwikkelingen. [appellant sub 3] en andere komen in beroep op tegen het plandeel voor het perceel [locatie 1]. Zij betogen dat ten onrechte niet mede is voorzien in een woonbestemming. Ook wensen zij een vergroting van de bebouwingsmogelijkheden aan de achterzijde van het bedrijfsgebouw in verband met een voorgenomen uitbreiding van 30%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004461/1/R4.

Datum uitspraak: 30 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, en andere,

2.       [appellant sub 2], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

3.       [appellant sub 3], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

4.       [appellant sub 4], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

5.       [appellant sub 5], wonend te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug,

6.       CD City Development B.V., gevestigd te Utrecht, en HUB Development B.V., gevestigd te Amsterdam,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Driebergen Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 3] en andere, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en City Development en HUB Development beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[partij A], [partij B] en [partij C] hebben ieder een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

City Development en HUB Development en [appellant sub 5] hebben ieder een reactie ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2021, waar [appellant sub 3] en andere, bijgestaan door mr. A.M. Schotte, advocaat te Doorn, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. A. Praat, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. A.M. Schotte voornoemd, [appellant sub 5], vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, City Development en HUB Development, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de raad, vertegenwoordigd door K. Vreeker, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij A] en [partij B], beiden vertegenwoordigd door [gemachtigde C], gehoord.

Overwegingen

1.       Het plan voorziet in een actualisering van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied" van 16 september 2004. Het nieuwe plan speelt daarbij zoveel mogelijk in op verwachte toekomstige ontwikkelingen.

2.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 3] en andere

3.       [appellant sub 3] en andere komen in beroep op tegen het plandeel voor het perceel [locatie 1]. Zij betogen dat ten onrechte niet mede is voorzien in een woonbestemming. Ook wensen zij een vergroting van de bebouwingsmogelijkheden aan de achterzijde van het bedrijfsgebouw in verband met een voorgenomen uitbreiding van 30%.

3.1.    Aan het plandeel voor het perceel [locatie 1] is de bestemming "Bedrijf" met de aanduiding "bedrijfswoning" toegekend. Ingevolge artikel 4.1 van de planregels zijn op de als zodanig bestemde gronden bedrijven tot en met categorie 2 uit de bij de regels behorende Staat van activiteiten: bedrijven buitengebied toegestaan. Ook is het wonen in een bedrijfswoning en gebruik ten behoeve van mantelzorg ter plaatse mogelijk. In het voorheen geldende bestemmingsplan had het perceel, dat in de voorschriften van dat plan abusievelijk is aangeduid als [locatie 2], een bedrijfsbestemming met daarbij een mogelijkheid voor een bedrijfswoning. De regeling in het plan dat nu voorligt, komt daarmee overeen. Het gebruik van het perceel zoals dat nu plaatsvindt, is daarmee als zodanig bestemd. [appellant sub 3] en andere hebben in hun inspraakreactie op het voorontwerpbestemmingsplan bevestigd dat ter plaatse nog steeds een bedrijf is gevestigd. In dat voorontwerp had het perceel een woonbestemming. [appellant sub 3] en andere hebben in hun reactie verzocht de bestemming te wijzigen in "Bedrijf" met de mogelijkheid om daar te wonen. In hun zienswijze van 23 mei 2018 over het ontwerpbestemmingsplan, waarin het perceel een bedrijfsbestemming had gekregen, hebben zij erop gewezen dat de bedrijfsactiviteiten ter plaatse onder categorie 2 vallen. Niet in geschil is dat dan ten opzichte van woongebouwen in beginsel een afstand van 30 m moet worden aangehouden. De raad stelt zich terecht op het standpunt dat de afstand tussen de bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw te klein is, namelijk 10 m, om de bedrijfswoning als reguliere woning te bestemmen. De raad heeft in redelijkheid bij de tot dusver bestaande planologische regeling met bedrijven in categorie 2 kunnen aansluiten. Dat een bestemmingsregeling met bedrijven in een lagere categorie, waartoe de ter plaatse aanwezige autorijschool met theorielesruimte gerekend zou kunnen worden, momenteel onderwerp van gesprek is, kan daaraan niet afdoen.

Het betoog faalt.

3.2.    De raad heeft in artikel 4.3.1 van de planregels voorzien in een afwijkingsmogelijkheid om te komen tot een uitbreiding van bedrijfsbebouwing tot 20%. Omdat het hier gaat om een niet-agrarisch bedrijf in het buitengebied, heeft de raad deze mogelijkheid, in het licht van het beleid tegen verstening van het buitengebied, in redelijkheid toereikend kunnen achten. [appellant sub 3] en andere hebben bovendien niet duidelijk gemaakt waarom zij behoefte hebben aan ruimere bouwmogelijkheden dan 20%. Hun beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Op de door hen in hun reactie van 29 februari 2020 genoemde percelen [locatie 2], 19 en 21 zijn al grotere bouwwerken aanwezig. Het gaat daar dus niet om uitbreidingsmogelijkheden.

Het betoog faalt.

3.3.    Het beroep van [appellant sub 3] en andere is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 3]

4.       [appellant sub 3] komt in beroep op tegen het plandeel voor het perceel [locatie 3]. Ten onrechte is volgens hem niet voorzien in een brede maatschappelijke bestemming voor dit perceel. Daarbij wijst hij erop dat hij in zijn zienswijze van 23 mei 2018 over het ontwerpbestemmingsplan had verzocht het perceel buiten het bestemmingsplan te laten.

4.1.    Aan het plandeel voor het perceel [locatie 3] is de bestemming "Agrarisch met waarden" met de aanduiding "volkstuin" toegekend. Het perceel is momenteel als zodanig in gebruik. De toegekende bestemming sluit daar dus bij aan. De raad heeft in redelijkheid voor een agrarische en niet een maatschappelijke bestemming kunnen kiezen omdat [appellant sub 3] ten tijde van de planvaststelling geen uitgewerkte plannen met een ruimtelijke onderbouwing en kostenoverzicht voor een maatschappelijke invulling van het perceel had of had ingediend. Dat dit inmiddels mogelijk anders ligt, kan daar niet aan afdoen. In overleg met de gemeente kan worden bezien of een planherziening voor het perceel nodig en aangewezen is.

Het betoog faalt.

4.2.    Het beroep van [appellant sub 3] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5.       [appellant sub 2] komt in beroep op tegen het plandeel voor het perceel [locatie 4]. Hij betoogt dat de horeca-activiteiten in het hoofdgebouw van het landgoed, zoals dans- en bruiloftsfeesten, partijen, congressen en seminars met veel gasten, in het plan ten onrechte zijn beperkt en deels onder het overgangsrecht zijn gebracht althans dat de planregeling in zoverre geen duidelijkheid biedt. Voorts is wel voorzien, maar ten onrechte niet geregeld dat in het koetshuis en in de oranjerie mag worden gewoond.

5.1.    Aan de gronden van het landgoed is de bestemming "Natuur" toegekend. De bebouwing heeft de bestemming "Wonen - B1" gekregen. Voor het hoofdgebouw is voorzien in de functieaanduiding "horeca". Ingevolge artikel 15.1, aanhef en onder c, van de planregels is ter plaatse van de als zodanig aangeduide gronden mede horeca tot en met categorie 2 uit de bij de regels behorende Staat van Horeca-activiteiten toegestaan. Dit maakt lichte en middelzware horeca mogelijk. Horeca wordt in het bestemmingsplan (artikel 1.62 van de planregels) gedefinieerd als een bedrijf waar hoofdzakelijk overdag en/of in de avonduren dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin logies wordt verstrekt, zoals bijvoorbeeld een café, restaurant, hotel, pension, en naar aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen bedrijven.

5.2.    In de Staat van Horeca-activiteiten zijn drie categorieën opgenomen:

"CATEGORIE 1 "LICHTE HORECA"

Horecabedrijven, die gelet op de aard en omvang ervan zowel vanuit functionele als uit milieuoverwegingen (vooral verstrekking van etenswaren en maaltijden) niet of nauwelijks storend kunnen werken op de bestaande en/of toekomstige functies van de omgeving van deze horecabedrijven:

− automatiek

− broodjeszaak

− cafetaria

− crêperie

− croissanterie

− koffiebar

− lunchroom

− snackbar

− tearoom

− ijssalon

− bistro

− hotel/pension

− restaurant (zonder bezorg- en/of afhaalservice)

CATEGORIE 2 "MIDDELZWARE HORECA"

Horecabedrijven, die gelet op de aard en omvang ervan zowel vanuit functionele als uit milieuoverwegingen aanzienlijk storend kunnen werken op de bestaande en/of toekomstige functies van de omgeving van deze horecabedrijven:

− bar

− bedrijven genoemd onder 1a en 1b met een bruto-vloeroppervlak groter dan 250 m²

− biljartcentrum

− café (openbare gelegenheid waar men dranken kan gebruiken, met daaraan ondergeschikte dansgelegenheid)

− café-restaurant (met of zonder bezorg- en/of afhaalservice)

− proeflokaal

− restaurant met een bezorg- en/of afhaalservice (pizzeria, chinees, drive-in, etc.)

CATEGORIE 3 "ZWARE HORECA"

Horecabedrijven, die gelet op de aard en omvang ervan zowel vanuit functionele als uit milieuoverwegingen in min of meer ernstige mate storend kunnen werken op de bestaande en/of toekomstige functies van de omgeving van deze horecabedrijven:

− dancing (dansgelegenheid)

− discotheek/discobar (openbare drank- en dansgelegenheid)

− nachtclub (gelegenheid voor dansen en ander vermaak die 's nachts geopend is)

− partycentrum (regulier gebruik ten behoeve van feesten en muziek-/dansevenementen)"

5.3.    Het hoofdgebouw van het landgoed kan mede worden gebruikt voor horeca in de categorieën 1 en 2. De Afdeling acht de planregeling in zoverre niet onduidelijk of rechtsonzeker. De door [appellant sub 2] gewenste mogelijkheden vallen niet onder de categorieën 1 en 2, nu het gewenste gebruik niet ondergeschikt of incidenteel is. De gewenste dans- en bruiloftsfeesten en partijen vallen onder 'partycentrum' in categorie 3 van de Staat van Horeca-activiteiten. Congressen en seminars vallen onder de functie 'kantoor' (artikel 1.71 van de planregels). De aanduiding "kantoor" is niet aan het hoofdgebouw toegekend. Dit betekent dat de gewenste functies niet zijn toegestaan in het hoofdgebouw.

Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan mocht 50% van de vloeroppervlakte van gebouwen met de aanduiding "horeca" voor horeca worden gebruikt (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften). Aan het hoofdgebouw was die aanduiding toegekend. Onder horeca werd verstaan het bedrijfsmatig verstrekken van dranken en maaltijden, overwegend voor gebruik ter plaatse, en/of het bedrijfsmatig verstrekken van logies, een en ander gepaard gaande met dienstverlening (artikel 1, aanhef en onder 38, van de planvoorschriften). Bedrijven in hoofdzaak gericht op het geven van feesten en partijen en het organiseren van congressen en seminars hebben primair een ander oogmerk en vallen naar het oordeel van de Afdeling niet onder de reikwijdte van die definitiebepaling, nog daargelaten dat congressen en seminars veeleer vallen onder de definitie conferentieoord (artikel 1, aanhef en onder 24, van de planvoorschriften) welke aanduiding niet aan het hoofdgebouw was toegekend. Dat in de toelichting van het vorige bestemmingsplan staat dat de al jaren bestaande horeca in het hoofdgebouw positief wordt bestemd, maakt dit niet anders. Aan de plantoelichting komt geen bindende betekenis toe. De vraag of de functies niettemin via het overgangsrecht van het vorige bestemmingplan mogelijk waren, hoeft niet te worden beantwoord. [appellant sub 2] heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de functies ter plaatse nog steeds en zonder onderbreking plaatsvinden. Het door hem genoemde krantenartikel over ontmoetingsavonden op het landgoed, die volgens hem wekelijks plaatsvonden, is van 4 januari 2001 terwijl uit de historische beschrijving van buitenplaats Dennenburg niet blijkt dat de horeca-activiteiten zijn voortgezet na 2006, na de verkoop van de buitenplaats door de vrienden van Dennenburg. Ter zitting heeft [appellant sub 2] desgevraagd ook niet gemotiveerd uiteengezet dat er daarna nog sprake was van een ononderbroken voortzetting van die activiteiten. De door [appellant sub 2] gewenste functies moeten daarom worden gezien als nieuw planologisch gebruik. De raad heeft daarbij terecht gewezen op de mogelijke gevolgen daarvan voor de omgeving. Als de raad aan een verruiming van de horeca-mogelijkheden in de zin zoals door [appellant sub 2] wordt voorgestaan, wil meewerken, moet daarvoor een ruimtelijke onderbouwing worden gegeven die er nu niet is. Daarbij is van belang dat, zoals de raad terecht betoogt, vooral wordt ingegaan op mogelijke verkeershinder en geluidsoverlast. Daarnaast zal voor de cultuurhistorische inpasbaarheid een integrale toekomstvisie als bedoeld in de gemeentelijke nota 'Buitens op de Heuvelrug' uit 2012 moeten worden gegeven. Daarin kan het financiële belang van de gewenste mogelijkheden voor het voortbestaan van het landgoed nader worden uiteengezet. [appellant sub 2] heeft nu niet met nadere gegevens aannemelijk gemaakt dat het landgoed in verval zal geraken als die mogelijkheden niet zijn toegelaten. Omdat [appellant sub 2] deze informatie niet heeft overgelegd, heeft de raad de horeca-mogelijkheden in redelijkheid kunnen beperken tot de categorieën 1 en 2, waarbij ook van belang is dat met het bestemmingsplan naast de woonbestemming verscheidene andere mogelijkheden voor het landgoed worden geboden. [appellant sub 2] kan zijn plannen aan de hand van een uitgewerkt plan alsnog aan de gemeente voorleggen. Op dat moment kan worden bezien of een planherziening voor het hoofdgebouw nodig en aangewezen is.

Het betoog faalt.

5.4.    In de verbeelding is voor het koetshuis en de oranjerie met kas voorzien in de bestemming "Wonen - B1". Aan het koetshuis en aan een gedeelte van de oranjerie is de functieaanduiding "opslag" toegekend.

          Artikel 15.1 van de planregels luidt:

"De voor "Wonen - B1" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep- en of bedrijf aan huis;

[…]

d. ter plaatse van de aanduiding "opslag" uitsluitend niet voor bewoning bestemde gebouwen ten behoeve van opslag en berging;

[…]"

Tussen [appellant sub 2] en de raad is niet in geschil en ook de Afdeling leest de bepaling zo dat het koetshuis en de oranjerie voor zover daaraan de aanduiding "opslag" is toegekend, ondanks de woonbestemming, niet voor wonen, maar alleen als ruimten voor het bewaren van goederen (artikel 1.88 van de planregels) mogen worden gebruikt. Voor zover de raad ter zitting heeft erkend dat aan het kasgedeelte van de orangerie abusievelijk niet de aanduiding "opslag" is toegekend, geldt de beperking daar niet. Het beroep van [appellant sub 2] mist in zoverre feitelijke grondslag.

Niet in geschil is dat het gebruik van het koetshuis en de oranjerie als woning onder het vorige bestemmingsplan niet was toegelaten. Aannemelijk is dat het koetshuis is bewoond door de koetsier en later chauffeur en dat ter plaatse voertuigen werden gestald. Aan het woongebruik is echter een einde gekomen, wat bevestiging vindt in de in het vorige bestemmingsplan aan het koetshuis toegekende aanduiding "maatschappelijke voorzieningen". Voor de oranjerie was voorzien in de aanduiding "dienstgebouw", een niet voor bewoning bestemd, vrijstaand gebouw. Voor het woongebruik was ook geen aanduiding van het aantal woningen, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de planvoorschriften, op de plankaart vermeld. Het nu mogelijk maken van het gebruik als woning van het koetshuis en de oranjerie is daarmee nieuw planologisch gebruik.

Anders dan [appellant sub 2] aanneemt, is niet met de reactie in de Nota inspraak tegemoetgekomen aan de wens voor een woonmogelijkheid in het koetshuis. In die reactie staat dat aan een hoofdgebouw op een buitenplaats een woonbestemming kan worden toegekend. Het koetshuis is geen hoofdgebouw in de zin van de gemeentelijke nota 'Buitens op de Heuvelrug'. Dat de reactie in de Nota inspraak is opgenomen onder de zienswijze over het koetshuis, maakt dit niet anders, nu de tekst duidelijk is.

Uitgaande van een gewenst nieuw planologisch gebruik van een gedeelte van het koetshuis en het als "opslag" aangeduide gedeelte van de oranjerie zal moeten worden voorzien in een ruimtelijke onderbouwing. Dat zal ook in dit geval de vorm moeten krijgen van een integrale toekomstvisie als bedoeld in de nota 'Buitens op de Heuvelrug'. De cultuurhistorische inpasbaarheid zal moeten worden aangetoond. Nu [appellant sub 2] deze informatie niet heeft overgelegd, heeft de raad in redelijkheid voor een beperking van het gebruik tot opslag kunnen kiezen. [appellant sub 2] kan zijn plannen voor een woongebruik alsnog aan de gemeente voorleggen. Op dat moment kan worden bezien of een planherziening voor een gedeelte van het koetshuis en het desbetreffende gedeelte van de oranjerie nodig en aangewezen is.

Het betoog faalt.

5.5.    Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 4]

6.       [appellant sub 4] komt op tegen het plandeel voor zijn perceel [locatie 5]. Ten onrechte is volgens hem niet voorzien in de door hem gewenste agrarische bestemming voor dit perceel.

6.1.    Aan het plandeel voor het perceel [locatie 5] is de bestemming "Wonen - B1" toegekend. Deze bestemming voorziet, anders dan het tot dusver geldende planologische regime, niet in een agrarisch gebruik van het perceel. De raad heeft in redelijkheid voor een woonbestemming kunnen kiezen omdat het perceel voor wonen wordt gebruikt en al lange tijd niet meer agrarisch in gebruik is. Dat dit anders ligt, heeft [appellant sub 4] niet aannemelijk gemaakt. [appellant sub 4] heeft verder ook geen concrete plannen naar voren gebracht om het perceel weer voor agrarische doeleinden te gebruiken.

Het betoog faalt.

6.2.    Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 5]

7.       [appellant sub 5], woonachtig aan het [locatie 6], komt in beroep op tegen de plandelen voor de percelen [locatie 7], [locatie 8] en [locatie 9]. Hij betoogt dat de omzetting van de bedrijfswoning in een burgerwoning op [locatie 7] niet is voorzien van een ruimtelijke onderbouwing. Daarbij acht hij het vlak voor de woonbestemming te groot en de mogelijkheden tot het bouwen van bijgebouwen te ruim. Wat betreft de panden op [locatie 8] en [locatie 9] heeft de raad volgens [appellant sub 5] niet deugdelijk gemotiveerd waarom het gebruik als burgerwoning wordt gelegaliseerd. De aanleiding voor een woonbestemming is gevonden in de nota 'Buitens op de Heuvelrug', maar de raad heeft miskend dat de panden geen deel meer uitmaken van de buitenplaats. Behoud van de panden is ook mogelijk door er een andere functie dan wonen aan te geven. Om verdere verstening van de percelen te voorkomen, had in dit geval als planregel moeten worden opgenomen dat er bij de panden geen achtererfgebied is. Ten slotte is de oppervlakte in de verbeelding met de aanduiding "opslag" bij beide panden ruimer dan de oorspronkelijke opslagruimten, aldus [appellant sub 5].

7.1.    Aan het plandeel voor het perceel [locatie 7] is de bestemming "Wonen - B1" toegekend. Het bestemmingsvlak heeft een oppervlakte van ruim 1.400 m² en het daarbinnen gelegen bouwvlak heeft een oppervlakte van ongeveer 370 m². Binnen dat bouwvlak is één hoofdgebouw toegestaan (artikel 15.2.2, aanhef en onder c, van de planregels). In het vorige bestemmingsplan waren de gronden bestemd als "Agrarisch gebied met Landschaps- en Natuurwaarden" met de aanduiding "boomkwekerij". Het agrarische bedrijf op deze gronden is beëindigd en tijdens de zienswijzefase is door de eigenaar met een concreet plan om een wijziging van de bestemming verzocht. De raad heeft hieraan medewerking verleend. De wijziging in de woonbestemming past binnen het gemeentelijke beleid dat een stoppende agrariër zijn bedrijfswoning onder voorwaarden mag omzetten in een burgerwoning. Deze mogelijkheid was ook als wijzigingsbevoegdheid neergelegd in artikel 21, tweede lid, van de voorschriften van het voorheen geldende bestemmingsplan. Hierin staat niet dat het vlak met de woonbestemming een maximale oppervlakte van 1.000 m² zou mogen hebben. Dat deze beperking voor wijzigingsplannen wel is neergelegd in het nu voorliggende plan, maakt niet dat de raad het vlak tot die omvang had moeten beperken. Het gaat nu niet om een wijzigingsplan. Aan de raad komt de vrijheid toe de omvang van een bestemmingsvlak te bepalen. Hij kan daarmee maatwerk leveren. De raad heeft daarbij in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij het tot dusver geldende bestemmingsplan en het bestaande gebruik van de gronden als tuin bij de woning. Voor bijbehorende bouwwerken zijn voorts in artikel 15.2.3 van de planregels beperkingen neergelegd. Dat die beperkingen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet volstaan, heeft [appellant sub 5] niet aannemelijk gemaakt.

Het betoog faalt.

7.2.    Aan de plandelen voor de percelen [locatie 8] en [locatie 9] is de bestemming "Wonen - B1" toegekend met op elk perceel een bouwvlak en een vlak met de aanduiding "opslag". De panden op deze percelen maakten vroeger als boerderij en als schuur deel uit van de buitenplaats Broekbergen en zijn als waardevol aangemerkt, wat blijkt uit de nota 'Buitens op de Heuvelrug'. De panden worden al tientallen jaren bewoond. Met de aankoop van de buitenplaats, een voormalig kloostercomplex, in 2008 door [appellant sub 5] is de organisatorische verbondenheid tussen enerzijds [locatie 6] en anderzijds [locatie 8] en [locatie 9] komen te vervallen, maar niet de cultuurhistorische samenhang. Voor de bestemmingswijziging van "Maatschappelijke voorzieningen" met een beperkte woonfunctie in het vorige bestemmingsplan naar "Wonen - B1" is voorzien in een ruimtelijke onderbouwing. [appellant sub 5] heeft niet aannemelijk gemaakt dat een woonbestemming voor beide percelen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet passend is.

De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de cultuurhistorische waarde van de buitenplaats kan worden gewaarborgd door de panden te bestemmen als reguliere woningen en door daarbij de bouwvlakken strak om de hoofdgebouwen te trekken. Ook is van belang dat aan de percelen de functieaanduiding "landschapswaarden" is toegekend. Ingevolge artikel 15.2.3, aanhef en onder b, van de planregels is op gronden met die aanduiding het bouwen van bijbehorende bouwwerken niet toegestaan. De raad heeft met deze regeling afdoende gewaarborgd dat uit een oogpunt van cultuurhistorisch belang de gronden rondom de hoofdgebouwen gevrijwaard blijven van nieuwe bijbehorende gebouwen. Anders dan [appellant sub 5] betoogt, hoefde de raad daartoe niet uitdrukkelijk te bepalen dat die gronden geen achtererfgebied zijn (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:228, 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3267, en 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1408).

Voor de gebouwen met de aanduiding "opslag" op beide percelen heeft de Afdeling geen aanwijzingen dat de omvang van die aanduidingen ruimer is dan wat er zou staan of zou mogen staan. Voor zover het [appellant sub 5] met name gaat om de aanduiding op het perceel Kloosterlaantje 3 meet de Afdeling in de verbeelding een oppervlakte van ongeveer 50 m², terwijl uit het handhavingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van 21 november 2019 volgt dat het vergrote chalet een oppervlakte van 59,6 m² heeft. Daartegen heeft het college dus opgetreden. Daarbij komt dat het volgens de bestemming toegestane gebruik van de gebouwen op beide percelen is beperkt tot opslag en berging. Als [appellant sub 5] van mening is dat gehandeld is in strijd met de planologische regels, kan hij het college wederom om handhaving verzoeken.

De raad heeft verder in redelijkheid niet, onder het voorbijgaan aan het bestaande woongebruik, voor een door [appellant sub 5] genoemd gebruik als tandartspraktijk of kliniek hoeven kiezen. De raad heeft ter zitting onbestreden gesteld dat deze functies veel parkeerplaatsen vergen en meer verkeer dan de woonfunctie aantrekken terwijl de toeleidende Engweg al overbelast is en het Kloosterlaantje doodlopend is. De Afdeling stelt daarbij nog vast dat de raad op 14 december 2020 het bestemmingsplan "Broekbergen" heeft vastgesteld dat voor de buitenplaats voorziet in een woonbestemming voor meerdere wooneenheden. [appellant sub 5] heeft niet toegelicht hoe een maatschappelijke bestemming voor de percelen Kloosterlaantje 2 en 3, daargelaten de tegen het bestemmingsplan "Broekbergen" ingestelde beroepen, in dat licht bezien passend is.

Het betoog faalt.

7.3.    [appellant sub 5] heeft zich voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 5] heeft in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

7.4.    Het beroep van [appellant sub 5] is ongegrond.

Het beroep van City Development en HUB Development

8.       City Development en HUB Development komen in beroep op tegen het plandeel voor het perceel Hoofdstraat 260 (landgoed Lindenhorst). City Development en HUB Development hebben op 16 juni 2020 de economische eigendom van het landgoed verworven van Stichting Huisvesting Youth for Christ - Nederland en hebben nadien ook de juridische eigendom verworven. Zij wensen hier te komen tot de bouw van een woon-/zorgcomplex voor senioren. Ter zitting hebben zij hun beroepsgronden inzake de ligging van het bouwvlak en de wijzigingsbevoegdheid voor het nieuwe hoofdgebouw, de financiële uitvoerbaarheid en het niet vaststellen van een exploitatieplan en de planregeling voor de gronden bij het koetshuis ingetrokken.

9.       City Development en HUB Development betogen dat onduidelijk of op gronden met de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - zorg en dienstverlening" een woon-/zorgcomplex is toegelaten.

9.1.    Aan het plandeel voor het perceel Hoofdstraat 260 is grotendeels de bestemming "Natuur" toegekend, met daarbinnen drie vlakken met de bestemming "Maatschappelijk" met onder meer de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - zorg en dienstverlening". Eén van die vlakken is bedoeld voor een nieuw hoofdgebouw. Op de andere twee staan al gebouwen.

9.2.    Artikel 8.1 van de planregels luidt:

"De voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

c. ter plaatse van de aanduiding "zorgwoning" mede zorgwoningen met daarbij behorende gemeenschappelijke en/of maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van de zorgverlenende functie, waaronder een ontmoetingsruimte en een centrale keuken;

[…]

e. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - woonzorggemeenschap" mede kleinschalige nevenactiviteiten met een maximum oppervlak van in totaal 500 m² behorend bij het bedrijf en het wonen ten behoeve van zorgverlening;

[…]

h. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - zorg en dienstverlening" uitsluitend gezondheidszorg, zorginstellingen, openbare dienstverlening en onderwijs;

[…]"

Artikel 1.117 zorgwoning luidt:

"een woning, complex van ruimten, functioneel ingericht op het bieden van zorg, bedoeld voor de huisvesting van één of meerdere huishoudens voor hulpbehoevenden of het fysieke, psychische en/of sociale vlak eventueel met extra zorg en/of begeleiding, al dan niet door middel van gemeenschappelijke voorzieningen en kantoor, dan wel een woonvorm waar bewoners nagenoeg zelfstandig wonen met (voorzieningen voor) verzorging en begeleiding (ook 24-uurs)."

9.3.    De Afdeling volgt de raad niet in zijn betoog dat met de planregeling een woon-/zorgcomplex mogelijk is gemaakt op het landgoed. City Development en HUB Development wijzen er terecht op dat zorgwoningen en een woonzorggemeenschap worden genoemd in artikel 8.1, aanhef en onder c en e, van de planregels en niet onder h. Alleen deze laatste is hier op de vlakken met de bestemming "Maatschappelijk" van toepassing verklaard. Als de raad een woon-/zorgcomplex mogelijk had willen maken, dan had hij dit uitdrukkelijk moeten vermelden. Met de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - zorg en dienstverlening" heeft hij dit niet mogelijk gemaakt. De toespitsing 'zorg en dienstverlening' duidt ook niet op de mogelijkheid van zorg én wonen. Het beroep van de raad op de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:936, faalt. In die zaak ging het om een concreet bouwplan en de uitleg van een planregeling die anders is dan die nu voorligt. Omdat de raad de combinatie zorg en wonen, met daarbij de nadruk op zorg, op het landgoed wel mogelijk heeft willen maken, maar dit niet in de regels heeft opgenomen, is het besluit onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

9.4.    Het beroep van City Development en HUB Development is gegrond. Het betreden besluit dient te worden vernietigd voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - zorg en dienstverlening" voor de bouwvlakken met de bestemming "Maatschappelijk" op het perceel Hoofdstraat 260.

9.5.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb de raad op te dragen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen, een nieuw plan voor het perceel vast te stellen. De Afdeling zal hiertoe een termijn stellen.

Proceskosten

10.     De raad moet de proceskosten van City Development en HUB Development vergoeden. De raad hoeft de proceskosten van de andere appellanten niet te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep van CD City Development B.V. en HUB Development B.V. gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug van 7 mei 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Driebergen Buitengebied" voor zover het betreft de aanduiding "specifieke vorm van maatschappelijk - zorg en dienstverlening" voor het perceel Hoofdstraat 260 te Driebergen-Rijsenburg;

III.      draagt de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.      verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en andere, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] ongegrond;

V.       veroordeelt de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug tot vergoeding van bij CD City Development B.V. en HUB Development B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.      gelast dat de raad van de gemeente Utrechtse Heuvelrug aan CD City Development B.V. en HUB Development B.V. het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier.

w.g. Drop

lid van de enkelvoudige kamer     

w.g. Bechinka

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021

371.