Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1381

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
202004675/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 september 2018 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een verzoek van [appellant] om inzage in de over hem bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst aanwezige documenten gedeeltelijk afgewezen. Op 3 januari 2018 heeft [appellant] de minister verzocht om kennisneming van eventueel over hem aanwezige documenten bij de AIVD. Bij het besluit van 3 september 2018 heeft de minister een inzagedossier van 69 pagina’s van bij de AIVD aanwezige niet-actuele gegevens over hem verstrekt. De stukken zijn geheel onleesbaar gemaakt, vanwege bronbescherming, persoonsgegevens van derden en omdat de gegevens inzage geven in de actuele werkwijze van de AIVD en/of zijn rechtsvoorgangers. Als deze informatie bekend wordt, schaadt dat de nationale veiligheid. Van één document heeft de minister een parafrase verstrekt. Voor zover het de eventueel aanwezige actuele gegevens over [appellant] betreft, heeft de minister het verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004675/1/A3.

Datum uitspraak: 30 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2020 in zaak nr. 19/2734 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij besluit van 3 september 2018 heeft de minister een verzoek van [appellant] om inzage in de over hem bij de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) aanwezige documenten gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 21 maart 2019 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Rafik, advocaat te Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.C. van der Linden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De van belang zijnde bepalingen uit het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2017 (hierna: Wiv 2017) zijn opgenomen in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.       In artikel 76 van de Wiv 2017 in bepaald dat een ieder kan verzoeken om kennisneming van persoonsgegevens die over hem of haar zijn verwerkt. In artikel 74 van de Wiv 2017 is bepaald dat in het geval van verzoeken tot kennisneming van gegevens van de AIVD uitsluitend de Wiv 2017 van toepassing is. In hoofdstuk 5 van de Wiv 2017 is het kader voor de behandeling van verzoeken om kennisneming van persoonsgegevens opgenomen.

3.       Op 3 januari 2018 heeft [appellant] de minister verzocht om kennisneming van eventueel over hem aanwezige documenten bij de AIVD. Bij het besluit van 3 september 2018 heeft de minister een inzagedossier van 69 pagina’s van bij de AIVD aanwezige niet-actuele gegevens over hem verstrekt. De stukken zijn geheel onleesbaar gemaakt, vanwege bronbescherming, persoonsgegevens van derden en omdat de gegevens inzage geven in de actuele werkwijze van de AIVD en/of zijn rechtsvoorgangers. Als deze informatie bekend wordt, schaadt dat de nationale veiligheid. Van één document heeft de minister een parafrase verstrekt. Voor zover het de eventueel aanwezige actuele gegevens over [appellant] betreft, heeft de minister het verzoek afgewezen. In bezwaar heeft de minister dit besluit gehandhaafd.

4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de artikelen 8 en 13 van het EVRM heeft geschonden door hem niet volledig kennis te laten nemen van zijn niet-actuele gegevens. De inbreuk op het recht op eerbiediging van zijn privéleven is niet noodzakelijk in een democratische samenleving en is ook niet proportioneel in relatie tot het doel. De gegevens over actuele werkwijzen, bronnen en persoonsgegevens van derden had de minister kunnen weglakken en de rest had aan hem moeten worden verstrekt. De minister heeft daarentegen alle documenten, op één na, volledig onleesbaar gemaakt. De minister had ook een samenvatting van de inhoud van niet-actuele gegevens kunnen verstrekken of inlichtingen daaruit kunnen verschaffen. Op die manier worden geen actuele werkwijzen, bronnen en persoonsgegevens van derden prijsgegeven en is geen sprake van doorkruising van de zekere mate van geheimhouding die de AIVD nodig heeft om zijn wettelijke taak uit te voeren en de nationale veiligheid te waarborgen. Bovendien is hiermee het gelijkheidsbeginsel geschonden. In de zaken die voorlagen in de uitspraken van de Afdeling van 7 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:765, en 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3264, was het wel mogelijk om documenten gedeeltelijk te verstrekken. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat de notificatieplicht uit artikel 59 van de Wiv en de klachtenprocedure niet voldoende zijn om te achterhalen of er jegens [appellant] bevoegdheden zijn ingezet. Artikel 59 van de Wiv 2017 ziet maar op een deel van de bevoegdheden die de AIVD heeft. Dat betekent dat de informatieverstrekking op basis van de notificatieplicht niet volledig zal zijn. Een klachtenprocedure voldoet ook niet omdat hij zijn klacht niet kan specificeren. Hij weet niet wat er is voorgevallen, welke gedraging heeft plaatsgevonden en wie daarbij betrokken was. Daarmee is zijn recht om de rechtmatigheid van ingezette bevoegdheden te kunnen betwisten illusoir, aldus [appellant].

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:292) kan de AIVD zijn wettelijke taak uitsluitend binnen een zekere mate van geheimhouding effectief uitoefenen en moet hij zijn bronnen en actuele werkwijzen geheim kunnen houden, omdat het geven van inzicht daarin ten koste gaat van het goed functioneren van de AIVD en daarmee ten koste van de nationale veiligheid, ter bescherming waarvan de AIVD is opgericht. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 55 van de Wiv (thans artikel 84 van de Wiv 2017) volgt dat in gevallen waarin met een beroep op die bepaling kennisneming wordt geweigerd het besluit een op de aanvraag toegesneden deugdelijke motivering dient te bevatten (Kamerstukken II 1997/1998, 25 877, nr. 3, blz. 71).

4.2.    De Afdeling heeft kennisgenomen van de door de minister vertrouwelijk overgelegde gegevens. Deze documenten zijn voor [appellant] volledig onleesbaar gemaakt. In het inzagedossier dat hem is verstrekt, is vermeld op welke grond de minister kennisneming heeft geweigerd.

4.3.    De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de minister in redelijkheid heeft kunnen beslissen de inhoud van de documenten wegens de nationale veiligheid niet te verstrekken. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het voor de minister niet mogelijk de gevraagde gegevens in bewerkte vorm aan [appellant] openbaar te maken zonder daarbij informatie prijs te geven over de werkwijze van de AIVD en zijn voorgangers, bronnen en persoonsgegevens van derden.

De informatie die de minister heeft geweigerd omdat deze inzicht geeft in een actuele werkwijze van de AIVD, mocht op die grond worden geweigerd, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld. Dergelijke werkwijzen moeten geheim blijven om te voorkomen dat personen en organisaties die de aandacht van de AIVD behoeven, door kennis van die werkwijze zich aan die aandacht weten te onttrekken. Het is ongewenst als in dit geval bekend zou worden in welke gevallen, waar en wanneer de AIVD en zijn voorganger gebruik hebben gemaakt van hun wettelijke bevoegdheden. Het gaat in dit geval daadwerkelijk om nog altijd door de AIVD gehanteerde werkwijzen.

Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is de bescherming van bronnen gelet op het bepaalde in artikel 23, aanhef en onder b, van de Wiv 2017 absoluut. Ter zake van de weigering van kennisneming wegens bronbescherming heeft de Afdeling eerder overwogen (onder meer uitspraak van 3 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3264) dat het belang daarvan niet alleen is gelegen in het waarborgen van de veiligheid van in het bijzonder menselijke bronnen maar, in het verlengde daarvan, ook in het voorkomen dat bronnen geen informatie aan de AIVD meer willen verstrekken, hetgeen het goed functioneren van die dienst belemmert waardoor de nationale veiligheid wordt geschaad.

Verder heeft de minister kennisneming van enkele van de documenten in redelijkheid kunnen weigeren omdat deze persoonsgegevens van derden bevatten, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

Dat het in andere zaken wel mogelijk was om documenten gedeeltelijk te verstrekken, maakt niet dat dat ook in dit geval mogelijk is. Zoals hiervoor is overwogen, mocht de minister zich op het standpunt stellen dat gedeeltelijke verstrekking niet mogelijk was zonder inzicht te geven in de werkwijze van de AIVD en zijn rechtsvoorganger, bronnen en persoonsgegevens van derden. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel of misbruik van bevoegdheid is dan ook geen sprake, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

4.4.    Het betoog van [appellant] dat de weigering hem volledig kennis te laten nemen van zijn niet-actuele gegevens, in strijd is met de artikelen 8 en 13 van het EVRM treft geen doel. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2624, is het door een overheidsorgaan bewaren, gebruiken en niet aan de betrokken persoon openbaar maken van gegevens die diens privéleven betreffen een inmenging in het recht op respect voor het privéleven als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM. Deze inmenging vindt echter, gelet op het bepaalde in artikel 82, eerste lid, en 84, eerste en vierde lid, van de Wiv 2017, steun in de wet. Deze inmenging mocht noodzakelijk worden geacht in een democratische samenleving, nu hiervoor een dringende maatschappelijke noodzaak is aangewezen en de gevolgen van de inmenging niet onevenredig zijn ten opzichte van het hiervoor beschreven doel, te weten bescherming van de nationale veiligheid. Daarbij is van belang dat aan het vereiste van een adequate en effectieve waarborg tegen misbruik van het opslaan en gebruik van niet voor de betrokkene toegankelijke gegevens is voldaan. De Wiv 2017 voorziet immers in de mogelijkheid tot kennisneming van persoonsgegevens en andere gegevens. Tegen ter zake door de minister genomen beslissingen staat beroep op de rechter open en de procedure neergelegd in artikel 8:29 van de Awb verzekert de effectiviteit van de rechterlijke controle. Dat laatste vindt bevestiging in onder meer de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 5 april 2005, Brinks tegen Nederland, no. 9940/04. Uit het voorgaande vloeit voort dat de op de Wiv 2017 gebaseerde weigering om een verzoeker inzage te geven in de hem betreffende persoonsgegevens die door of ten behoeve van de AIVD zijn verwerkt, geen schending oplevert van de artikelen 8 en 13 van het EVRM.

Naast de mogelijkheid tot kennisneming van gegevens op grond van de Wiv 2017 en de rechterlijke controle op door de minister genomen beslissingen hierover, bestaan de notificatieplicht uit artikel 59 van de Wiv en het klachtenrecht, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen. Dat de notificatieplicht niet op alle bevoegdheden van de AIVD ziet, doet niet af aan de mogelijkheid tot kennisneming en de rechterlijke controle hierop. Ditzelfde geldt voor het klachtenrecht. Ten aanzien van het klachtenrecht heeft de minister in zijn schriftelijke uiteenzetting toegelicht dat over ieder (vermeend) optreden van de AIVD kan worden geklaagd. Het komt de afhandeling van de klacht ten goede als de klacht zo concreet mogelijk is, maar dat laat onverlet dat het ontbreken van bepaalde informatie bij de klager gebruikmaking van de klachtprocedure niet in de weg staat, aldus de minister. Daarmee is het recht van [appellant] om de rechtmatigheid van ingezette bevoegdheden te kunnen betwisten niet illusoir.

4.5.    Het betoog faalt.

5.       De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister in redelijkheid heeft kunnen beslissen om de gevraagde documenten op grond van de nationale veiligheid niet aan [appellant] te verstrekken.

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.       De minister hoeft geen proceskosten te betalen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane - van de Put, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021

805

 

BIJLAGE

 

EVRM

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 13

Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

Wiv 2017

Artikel 23

De hoofden van de diensten dragen zorg voor:

[…]

b.de geheimhouding van daarvoor in aanmerking komende bronnen waaruit gegevens afkomstig zijn;

[…]

Artikel 59

1. Onze betrokken Minister onderzoekt vijf jaar na de beëindiging van de uitoefening van een bijzondere bevoegdheid als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, 47, eerste lid, alsmede artikel 58, eerste lid, voor zover is binnengetreden in een woning zonder toestemming van de bewoner, en daarna telkens eenmaal per jaar, of de persoon ten aanzien van wie één van deze bijzondere bevoegdheden is uitgeoefend, daarvan verslag kan worden uitgebracht. Indien dit mogelijk is, geschiedt dit zo spoedig mogelijk.

2. Indien het uitbrengen van het verslag aan de persoon ten aanzien van wie de bijzondere bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgeoefend niet mogelijk is, wordt de commissie van toezicht hiervan op de hoogte gesteld. De mededeling aan de commissie gaat vergezeld van de motivering waarom het verslag niet kan worden uitgebracht.

3. Het verslag is schriftelijk en omvat uitsluitend:

a. gegevens betreffende de identiteit van de betrokken persoon;

b. een aanduiding van de bijzondere bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid die ten aanzien van de betrokken persoon is uitgeoefend;

c. de persoon of instantie die voor de uitoefening van de bijzondere bevoegdheid toestemming, machtiging dan wel last heeft verleend;

d. de datum waarop voor de bevoegdheidsuitoefening toestemming, machtiging dan wel last is verleend;

e. de periode gedurende welke de bevoegdheidsuitoefening heeft plaatsgevonden en, indien de uitoefening van de bevoegdheid betrekking had op het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner, een aanduiding van de woning waarin is binnengetreden.

4. Voor zover de bevoegdheidsuitoefening het binnentreden van een woning zonder toestemming van de bewoner betreft, blijft artikel 10, tweede lid, van de Algemene wet op het binnentreden buiten toepassing.

5. De verplichting tot het uitbrengen van een verslag, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment dat is vastgesteld dat zulks redelijkerwijs niet mogelijk is.

6. Het uitbrengen van een verslag aan de persoon wordt uitgesteld, indien de desbetreffende bijzondere bevoegdheid is uitgeoefend in het kader van een onderzoek, waaromtrent verstrekking van gegevens aan de betrokken persoon, indien deze op het moment van onderzoek een aanvraag als bedoeld in artikel 76 zou hebben ingediend, ingevolge artikel 82 zou moeten worden geweigerd.

7. De verplichting tot onderzoek, bedoeld in het eerste lid, vervalt, indien het uitbrengen van een verslag omtrent de uitoefening van de desbetreffende bijzondere bevoegdheid naar redelijke verwachting ertoe leidt, dat:

a. bronnen van een dienst, daaronder begrepen inlichtingen- en veiligheidsdiensten van andere landen, worden onthuld;

b. betrekkingen met andere landen en met internationale organisaties ernstig worden geschaad;

c. een specifieke toepassing van een methode van een dienst of de identiteit van degene die de betrokken dienst behulpzaam is geweest bij de toepassing van de methode worden onthuld.

Artikel 74

Onverminderd de kennisneming van op grond van paragraaf 3.3 verstrekte

gegevens, kan van de gegevens verwerkt door of ten behoeve van een dienst slechts kennis worden genomen overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 76

1. Onze betrokken Minister deelt een ieder op diens aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden mede of en, zo ja, welke hem betreffende persoonsgegevens door of ten behoeve van een dienst zijn verwerkt. Onze betrokken Minister kan zijn besluit voor ten hoogste vier weken verdagen. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de aanvrager.

[…]

Artikel 78

[…]

2. Van inzage zijn uitgezonderd de gegevens die zicht kunnen geven op bronnen die geheim moeten worden gehouden.

[…]

Artikel 81

1. Onze betrokken Minister stelt de aanvrager in kennis van de desbetreffende gegevens door:

a. het geven van een kopie van het document waarin de gegevens zijn neergelegd of door de letterlijke inhoud daarvan in andere vorm te verstrekken,

b.  inzage van de inhoud van het desbetreffende document toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud van het desbetreffende document te geven of

d. inlichtingen uit het desbetreffende document te verschaffen.

2. Bij het kiezen tussen de vormen van inkennisstelling houdt Onze betrokken Minister rekening met de voorkeur van de aanvrager en het belang van de dienst.

[…]

Artikel 82

1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 76 wordt in ieder geval afgewezen, indien:

a. betreffende de aanvrager in het kader van enig onderzoek gegevens zijn verwerkt, tenzij:

1°. de desbetreffende gegevens meer dan 5 jaar geleden zijn verwerkt,

2°. met betrekking tot de aanvrager sindsdien geen nieuwe gegevens zijn verwerkt in verband met het onderzoek in het kader waarvan de desbetreffende gegevens zijn verwerkt, en

3°. de desbetreffende gegevens niet relevant zijn voor enig lopend onderzoek;

b. betreffende de aanvrager geen gegevens zijn verwerkt.

2. Indien een aanvraag ingevolge het eerste lid wordt afgewezen, wordt bij de motivering van de afwijzing slechts in algemene termen gewezen op alle aldaar vermelde gronden voor de afwijzing.

Artikel 84

1. Een aanvraag als bedoeld in artikel 80 wordt afgewezen, voor zover verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft:

a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;

b. de nationale veiligheid zou kunnen schaden;

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld.

2. Een aanvraag wordt voorts afgewezen voor zover het belang van verstrekking van de gegevens waarop de aanvraag betrekking heeft, niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. de betrekkingen van Nederland met andere landen en met internationale organisaties;

b. de economische of financiële belangen van de staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen;

c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

d. inspectie, controle en toezicht door of vanwege bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. het belang, dat de persoon of organisatie waarop de gegevens betrekking hebben erbij heeft om als eerste kennis te kunnen nemen van de gegevens;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel derden.

3. Indien een aanvraag tot kennisneming wordt afgewezen wordt de commissie van toezicht hiervan op de hoogte gesteld. De mededeling aan de commissie gaat vergezeld van een motivering waarom het verzoek is afgewezen.

4. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in artikel 76 onderscheidenlijk 79, voor zover een dergelijke aanvraag niet wordt afgewezen ingevolge artikel 82 onderscheidenlijk 83.