Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1375

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
202005045/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enkhuizen aan [wederpartij] een bewonersparkeervergunning verleend voor het parkeren op een strook grond die grenst aan de watergang aan de voorzijde van de woning van [wederpartij] aan de [locatie] te Enkhuizen. [wederpartij] is eigenaar van twee percelen. Op het ene perceel is zijn woning aan de [locatie] te Enkhuizen gelegen. Het andere perceel ligt voor de woning en grenst aan het water. De twee percelen worden gescheiden door een openbare weg. Het perceel aan de walkant is bestraat en wordt door [wederpartij] gebruikt als parkeerplaats. Daarachter ligt een kleine groenstrook en een aanlegsteiger. Bij de parkeerplaats heeft [wederpartij] een bord geplaatst waarop staat "EIGEN TERREIN" en "NIET PARKEREN". In deze zaak gaat het om de beantwoording van de vraag of de parkeerplaats op het perceel met parkeervak aan de walkant een openbare weg is in de zin van de Wegenwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005045/1/A3.

Datum uitspraak: 30 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Enkhuizen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­Holland van 4 augustus 2020 in zaak nr. 19/3587 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Enkhuizen

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2019 heeft het college aan [wederpartij] een bewonersparkeervergunning verleend voor het parkeren op een strook grond die grenst aan de watergang aan de voorzijde van de woning van [wederpartij] aan de [locatie] te Enkhuizen.

Bij besluit van 4 juli 2019 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 augustus 2020 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 juli 2019 vernietigd en het besluit van 19 februari 2019 vernietigd, de aanvraag van [wederpartij] om verlening van een parkeervergunning afgewezen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2021, waar het college, vertegenwoordigd door mr. A.H.J. Hofman, mr. H.E. Noordhoek, advocaten te Breda, en A. Olij, en [wederpartij], bijgestaan door mr. S. Smit, advocaat te Alkmaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De van belang zijnde bepalingen uit de Wegenwet, de Wegenverkeerswet, de Parkeerverordening Enkhuizen en het Bestemmingsplan Binnenstad en Havens zijn opgenomen in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.       [wederpartij] is eigenaar van twee percelen. Op het ene perceel is zijn woning aan de [locatie] te Enkhuizen gelegen. Het andere perceel ligt voor de woning en grenst aan het water. De twee percelen worden gescheiden door een openbare weg. Het perceel aan de walkant is bestraat en wordt door [wederpartij] gebruikt als parkeerplaats. Daarachter ligt een kleine groenstrook en een aanlegsteiger. Bij de parkeerplaats heeft [wederpartij] een bord geplaatst waarop staat "EIGEN TERREIN" en "NIET PARKEREN".

In deze zaak gaat het om de beantwoording van de vraag of de parkeerplaats op het perceel met parkeervak aan de walkant een openbare weg is in de zin van de Wegenwet. Als het parkeervak van [wederpartij] als zodanig is aan te merken, mag daar alleen worden geparkeerd met een parkeervergunning. Het college stelt zich op het standpunt dat dit het geval is en heeft [wederpartij] daarom bij het besluit van 19 februari 2019 een parkeervergunning verleend. [wederpartij] stelt zich op het standpunt dat geen parkeervergunning is vereist omdat het gaat om een parkeerplaats op eigen terrein en dat de walkant geen openbare weg is.

De rechtbank heeft [wederpartij] in het gelijk gesteld door te oordelen dat de walkant en de daarop gelegen parkeerplaats geen weg is in de zin van de Wegenwet. Dit betekent dat het college de aanvraag van [wederpartij] om een parkeervergunning had moeten afwijzen, omdat er sprake is van een parkeerplaats op eigen terrein.

3.       Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het terecht een parkeervergunning aan [wederpartij] had verleend omdat de parkeerplaats tegenover de woning van [wederpartij] wel een openbare weg is. Die parkeerplaats is openbaar omdat deze gedurende minimaal tien achtereenvolgende jaren voor eenieder toegankelijk is geweest en door de gemeente is onderhouden. De parkeerplaats is een ‘weg’ in de zin van de Wegenwet. Ook een (verharde) berm valt onder het begrip ‘weg’. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat parkeren onderdeel is van de afwikkeling van het verkeer. Daarmee kunnen parkeerplaatsen als ‘weg’ worden gekwalificeerd. In dit geval gaat het om een parkeerplaats die dient ten behoeve van parkeren door een grote en onbepaalde publieksgroep, nu deze parkeerplaats direct toegankelijk is voor eenieder vanaf de Burgwal. Bovendien zijn bij de entree van de binnenstad van Enkhuizen verkeersborden geplaatst waaruit volgt dat parkeren met een parkeervergunning is toegestaan. Wie de eigenaar van de grond is waarop de parkeerplaats zich bevindt, is niet relevant voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een ‘weg’. De rechtbank heeft ten onrechte de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3836, gevolgd. Deze uitspraak is onjuist. Bepalend is immers dat parkeren onderdeel is van de afwikkeling van het verkeer en dat de langsparkeerplaatsen, nu deze direct toegankelijk zijn vanaf de openbare weg, een grote, onbepaalde publieksgroep bedienen. In de zaak van 16 december 2015 ging het bovendien om een soort privétuin aan de overzijde van de weg. In het hier voorliggende geval is geen tuin. De parkeerplaats is niet omheind of omsloten en dus direct voor eenieder toegankelijk, aldus het college.

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3836, is het doel van de Wegenwet om een regeling te treffen ten behoeve van het openbaar verkeer. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wegenwet (Kamerstukken II 1929/1930, nr. 99a, blz. 1) werd een afzonderlijke bepaling, waarin tot uitdrukking komt wat tot de wegen geacht wordt te behoren, niet nodig en niet gewenst geacht omdat voornamelijk door de praktijk zelf wordt aangegeven wordt wat tot weg gerekend moet worden. De Wegenwet heeft, zo heeft de Afdeling in die uitspraak geoordeeld, betrekking op verkeersbanen die een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het openbare verkeer en die derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen.

3.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat de situatie qua inrichting van de walkant vergelijkbaar is met de situatie die voorlag in de eerdere uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3836. Uit de eerdere uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA1331, en 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2283, waarnaar het college heeft verwezen, volgt, anders dat het college betoogt,  niet dat parkeerplaatsen per definitie een functie vervullen voor de afwikkeling van het verkeer. Of een parkeerplaats een dergelijke functie vervult, zal dan ook afhangen van de omstandigheden van het geval. De parkeerplaats van [wederpartij] is gelegen aan de walkant naast het water en er bevindt zich zowel links als rechts van het parkeervak een boom. Daarmee is het perceel uitsluitend te gebruiken voor langsparkeren, maar niet (tevens) als verkeersbaan naast, of in aanvulling op de naastgelegen openbare weg. Het parkeervak van [wederpartij] vervult dan ook geen functie ten behoeve van de afwikkeling van het openbaar verkeer. Die functie vervult de openbare weg die is gelegen tussen de walkant en de woning van [wederpartij]. Weliswaar is incidenteel uitwijken via de parkeerplaats mogelijk, bijvoorbeeld wanneer grote voertuigen elkaar willen passeren, maar daarmee is de parkeerplaats geen verkeersbaan geworden, mede gelet op de blokkerende bomen aan de beide zijkanten van de parkeerplaats. Dat andere parkeerplaatsen onder omstandigheden wel zo’n functie ten behoeve van de afwikkeling van het openbaar verkeer kunnen vervullen, is niet doorslaggevend. Of sprake is van een verkeersbaan is afhankelijk van de omstandigheden van de geval. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ging het in de door het college aangehaalde zaken niet om een vergelijkbare situatie met langsparkeerplekken langs het water, met flankerende bomen. Nu het perceel aan de walkant, anders dan de door het college genoemde gevallen, in dit geval geen functie vervult ten behoeve van de afwikkeling van het openbaar verkeer, is dit en dus de parkeerplaats geen ‘weg’ in de zin van de Wegenwet. Aan de vraag of sprake is van een openbare ‘weg’ in de zin van de Wegenverkeerswet is de rechtbank dus terecht niet meer toegekomen.

Het betoog faalt.

4.       De conclusie is dat [wederpartij] over een parkeerplaats op eigen terrein beschikt en hij dus geen parkeervergunning nodig heeft om zijn auto op de walkant te mogen parkeren.

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.       Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Enkhuizen tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.      bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Enkhuizen een griffierecht van € 532,00 (zegge: vijfhonderdtweeëndertig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane - van de Put, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2021

805

 

BIJLAGE

 

Wegenwet

Artikel 1

1 Deze wet is uitsluitend van toepassing op openbare wegen.

2 Onder wegen worden in deze wet mede verstaan:

I. voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeersbanen voor beperkt gebruik;

II. bruggen.

Artikel 4

1 Een weg is openbaar:

I. wanneer hij, na het tijdstip van dertig jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende dertig achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. wanneer hij, na het tijdstip van tien jaren vóór het in werking treden van deze wet, gedurende tien achtereenvolgende jaren voor een ieder toegankelijk is geweest en tevens gedurende dien tijd is onderhouden door het Rijk, eene provincie, eene gemeente of een waterschap;

III. wanneer de rechthebbende daaraan de bestemming van openbaren weg heeft gegeven.

2 Het onder I en II bepaalde lijdt uitzondering wanneer, loopende den termijn van dertig of van tien jaren, gedurende een tijdvak van ten minste een jaar duidelijk ter plaatse is kenbaar gemaakt, dat de weg slechts ter bede voor een ieder toegankelijk is.

3 Dit kenbaar maken kan geschieden door het stellen van opschriften als: eigen weg, particuliere weg, private weg en soortgelijke, of door andere kenteekenen.

Artikel 7

Een weg heeft opgehouden openbaar te zijn:

I. wanneer hij gedurende dertig achtereenvolgende jaren niet voor een ieder toegankelijk is geweest;

II. wanneer hij door het bevoegd gezag aan het openbaar verkeer is onttrokken.

Wegenverkeerswet

Artikel 1

1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

b wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten;

Parkeerverordening Enkhuizen

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a. belanghebbendenparkeerplaats: een parkeerplaats die

1. is aangeduid met bord E9 (of bord 99a) uit bijlage 1 van het RVV 1990, of

2. gelegen is binnen een zone aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor zover deze plaats niet is uitgezonderd;

3. door de gemeente is gemarkeerd voor het parkeren door vergunningenhouders.

f. parkeerplaats op eigen terrein, voor zover deze niet tot de openbare weg (zoals bedoeld in de APV) behoort en anders dan een met de woning verbonden ruimte die de bestemming garage heeft en anders dan een losse garagebox:

l. een parkeerplaats waarover de aanvrager kan beschikken op grond van eigendom, erfpacht, huur, ingebruikgeving of anderszins (zoals aangewezen parkeerplaatsen op kenteken voor

artsen, gehandicapten, auto-date) of;

Artikel 2 Parkeervergunningen, plaatsen, tijdstippen en maximum aantal

1. Het college kan, bij openbaar te maken besluit, weggedeelten aanwijzen die bestemd zijn

voor het parkeren door vergunninghouders met onderscheid naar de categorieën als bedoeld in artikel 3.

Artikel 3 Type parkeervergunningen

1. Het college kan één van de volgende parkeervergunningen verlenen voor het parkeren op belanghebbendenparkeerplaatsen als bedoeld in artikel 2.

a. Bewonersparkeervergunning: een parkeervergunning voor bewoners van de binnenstad.

Artikel 4 De bewonersparkeervergunning

1. Indien en zolang hel maximale aantal parkeervergunningen in een parkeerzone niet is overschreden kan het college op aanvraag aan:

a. de eigenaar of houder van een motorvoertuig die als bewoner in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op een adres staat ingeschreven dat een zelfstandige woning betreft in de binnenstad, een eerste bewonersparkeervergunning voor een eerste auto of een tweede bewonersparkeervergunning verlenen voor een tweede auto. Indien de aanvrager houder is van het voertuig middels een lease-overeenkomst, middels de werkgever dan wel anderszins, wordt bij de aanvraag een schriftelijke verklaring van de eigenaar overlegd, waarin het gebruiksrecht wordt aangetoond.

b. de eigenaar of houder van een voertuig die niet in de binnenstad woont maar wel eigenaar

of huurder is van een woning in de binnenstad, een eerste en/of tweede

bewonersparkeervergunning voor een eerste en/of tweede auto verlenen.

4. Indien de aanvrager beschikt over parkeergelegenheid op eigen terrein, als bedoeld in artikel 1f, vervalt het recht op een eerste bewonersparkeervergunning.

Artikel 10 Geldigheid van verdunningen

1. Het college stelt de regels vast op grond waarvan zij parkeervergunningen, genoemd in artikel 3 van deze verordening, verlenen.

2. De bewonersparkeervergunningen en bedrijfsparkeervergunningen zijn geldig voor een periode van maximaal één jaar, met ingang van de dag na verlening tot uiterlijk één februari van het volgende jaar.

3. Elke parkeervergunning geldt voor het parkeren met één motorvoertuig op één parkeerplaats.

Bestemmingsplan Binnenstad en Havens

Artikel 13 Groen - 2

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

- groen voorzieningen;

- walkanten en taluds;

- parkeervoorzieningen.