Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1365

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
201901969/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 november 2016 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901969/1/V2.

Datum uitspraak: 29 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 13 februari 2019 in zaak nr. 16/29071 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 13 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W.H.M. Ummels, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       Wat de vreemdeling in grieven 1 tot en met 3 en gedeeltelijk in grief 4 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.       De vreemdeling klaagt verder in grief 4 dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris in strijd met WI 2018/10 de door hem overgelegde verklaringen van Stichting Elim van 24 mei 2016 en 9 september 2017 en [pastoor] over zijn geloofsverdieping met een algemene, niet nader gemotiveerde opmerking terzijde heeft geschoven.

2.1.    Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 12 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:977, moet de staatssecretaris volgens WI 2018/10 enerzijds motiveren waarom een verklaring van een derde geen nieuwe inzichten biedt, dan wel niet van toegevoegde waarde is. Anderzijds moet de staatssecretaris inhoudelijk op een verklaring van een derde ingaan als deze wel nieuwe inzichten biedt of een bevestiging is van wat de vreemdeling heeft verklaard.

2.2.    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat de overgelegde verklaringen van Stichting Elim en [pastoor] betrekking hebben op de activiteiten van de vreemdeling in Nederland, en dus niet de verklaringen van de vreemdeling over zijn bekering in Iran ondersteunen. Volgens de staatssecretaris kunnen deze dan ook niet afdoen aan de ongeloofwaardige verklaringen van de vreemdeling over zijn bekering.  Verder heeft de staatssecretaris het standpunt ingenomen dat het overleggen van verklaringen van derden een gestelde bekering kunnen onderbouwen, maar dat dit niet wegneemt dat ook van de vreemdeling zelf mag worden verwacht dat hij overtuigende verklaringen over zijn bekering aflegt, waarin hij niet is geslaagd.

2.3.    In paragraaf 4.3 van WI 2018/10 staat dat de ongeloofwaardigheid van de bekering in het land van herkomst niet per definitie wil zeggen dat in Nederland niet alsnog sprake kan zijn van een diepgewortelde innerlijke overtuiging ten aanzien van de nieuwe geloofsovertuiging. Het is volgens de werkinstructie van belang om ook te kijken naar de situatie zoals die nu in Nederland is. Het ongeloofwaardig achten van de verklaringen over de bekering in het land van herkomst kan echter wel van invloed zijn op het al dan niet geloofwaardig achten van de bekering in Nederland.

2.4.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris de verklaringen van derden heeft meegewogen. Daarmee heeft de rechtbank echter niet onderkend dat de staatssecretaris dit meewegen niet conform WI 2018/10 heeft verricht. De staatssecretaris heeft immers overwogen dat de verklaringen van derden niet kunnen afdoen aan de verklaringen van de vreemdeling, alleen al omdat de verklaringen van de vreemdeling over de bekering in Iran ongeloofwaardig zijn bevonden. Dat is niet in overeenstemming met paragraaf 4.3 van WI 2018/10. Gelet hierop heeft zij miskend dat de staatssecretaris niet daadwerkelijk heeft gemotiveerd hoe hij de overgelegde verklaringen van derden heeft gewogen tegen de ongeloofwaardig geachte verklaringen van de vreemdeling. In zoverre klaagt de vreemdeling terecht dat er geen sprake is van een deugdelijke motivering.

2.5.    De grief slaagt in zoverre.

3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 17 november 2016 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 13 februari 2019 in zaak nr. 16/29071;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van 17 november 2016, V-[…];

V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.312,50 (zegge: dertienhonderdtwaalf euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Prins

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2021

594-596.