Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1343

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
202003867/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem locaties aangewezen voor de plaatsing van afvalcontainers, waaronder de locatie ter hoogte van de [locatie] te Haarlem (locatie G46). Het college heeft locatie G46 aangewezen voor de plaatsing van twee bovengrondse containers voor gft-afval. De locatie bevindt zich op de hoek van de Atjehstraat en de Riouwstraat naast de woning [locatie]. [appellant] woont op het adres [locatie] en is het niet eens met de aanwijzing van deze locatie. Volgens hem is de aangewezen locatie, die zich in de onmiddellijke nabijheid van zijn woning bevindt, ongeschikt als locatie voor gft-containers en is er een alternatieve locatie die wel geschikt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003867/1/R1.

Datum uitspraak: 23 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Haarlem,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2019 heeft het college locaties aangewezen voor de plaatsing van afvalcontainers, waaronder de locatie ter hoogte van de [locatie] te Haarlem (locatie G46).

Bij besluit van 14 mei 2020 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 juni 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. H. Temel, advocaat te Haarlem, is verschenen. Het college, vertegenwoordigd door E. Knaape en P. Möllers, heeft via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het college heeft locatie G46 aangewezen voor de plaatsing van twee bovengrondse containers voor gft-afval. De locatie bevindt zich op de hoek van de Atjehstraat en de Riouwstraat naast de woning [locatie].

2.       [appellant] woont op het adres [locatie] en is het niet eens met de aanwijzing van deze locatie. Volgens hem is de aangewezen locatie, die zich in de onmiddellijke nabijheid van zijn woning bevindt, ongeschikt als locatie voor gft-containers en is er een alternatieve locatie die wel geschikt is.

Inloopbijeenkomst

3.       [appellant] voert allereerst aan dat het college hem ten onrechte niet tijdig heeft geïnformeerd over het voornemen tot het plaatsen van afvalcontainers naast zijn woning. De stelling van het college dat bewoners schriftelijk zijn geïnformeerd en zijn gewezen op een inloopbijeenkomst is volgens hem daarom onjuist. Hierdoor heeft hij zijn bezwaren niet op deze bijeenkomst naar voren kunnen brengen.

3.1.    De Afdeling overweegt dat er geen wettelijke verplichting bestaat om een inloopbijeenkomst voor omwonenden over een ontwerpplaatsingsplan te organiseren. Het college heeft er in dit geval voor gekozen toch een inloopbijeenkomst te organiseren en daarvoor omwonenden uit te nodigen. Omdat het college wel zo’n bijeenkomst heeft georganiseerd, had het daarvoor ook [appellant] moeten uitnodigen. Maar het college heeft het gebrek om dat niet te doen hersteld, want het heeft [appellant] in de bezwaarprocedure in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord op de hoorzitting van de bezwaarschriftencommissie op 8 april 2020.

Het betoog faalt.

Toetsingskader

4.       Bij de keuze van een locatie voor afvalcontainers dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2506), komt het college bij de keuze voor locaties voor de plaatsing van afvalcontainers beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling, aan de hand van de beroepsgronden, moet beoordelen of het college in redelijkheid tot zijn keuze voor de aangewezen locatie heeft kunnen komen. Daarbij beoordeelt zij allereerst of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een afvalcontainer. Als dat zo is, beoordeelt de Afdeling vervolgens of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

Wettelijk kader

5.       Artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidt: "De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast."

6.       Artikel 7 van de Afvalstoffenverordening Haarlem 2019 luidt:

"1. Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel.

2. In ieder geval worden de volgende bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld:

- groente-, fruit- en tuinafval (GFT);

[…]."

Artikel 10, eerste lid, luidt:

"Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van:

a. inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel;

b. inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel en op wijkniveau."

7.       Bij het aanwijzen van de locaties voor de afvalcontainers hanteert het college de "Richtlijnen voor plaatsing inzamelmiddelen-en voorzieningen" (hierna: de Richtlijnen), vastgesteld door het college op 4 september 2018.

Hinder

8.       [appellant] vreest dat hij geuroverlast zal ondervinden van de afvalcontainers die in de onmiddellijke nabijheid van zijn woonhuis zijn gesitueerd. In dit verband stelt hij dat het college ten onrechte meent dat de geuroverlast verwaarloosbaar is vanwege de beluchting van de afvalcontainers. Ook vreest hij voor hinder door ongedierte.

8.1.    Het college heeft toegelicht dat er voor de afvalcontainers gebruik wordt gemaakt van containers die belucht zijn, waarbij de kans op stankoverlast klein is. Mocht er toch overlast zijn, dan worden de containers schoongemaakt. De afvalcontainers worden verder gemonitord en bij stankoverlast worden er zogenoemde ‘afvalcoaches’ ingezet, aldus het college. Ter zitting heeft het college verder toegelicht dat de containers bij meldingen van burgers worden gecontroleerd. Ook heeft het college ter zitting toegelicht hoe het zit met de vereiste afstand tussen de containers en de dichtstbijzijnde woning. In paragraaf 4.2.5 van de Richtlijnen is opgenomen dat de minimumafstand tussen een container en de voorgevel van een woning 3 m bedraagt. Voor andere zijden van een woning geldt dat de minimumafstand minder dan 1 m kan bedragen, bijvoorbeeld als er geen (direct) uitzicht op de container is. Ter zitting heeft het college erop gewezen dat het om de betekenis van de gevel gaat zoals bedoeld in paragraaf 4.2.5 van de Richtlijnen, namelijk de gevel waar de ramen van de woonkamer zich bevinden.

8.2.    Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat mogelijke stankhinder tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijft. Hierbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking. Op ongeveer 2 m afstand van de gft-containers bevindt zich de muur die de tuin van het perceel van [appellant] begrenst. De gevel waar het raam van de woonkamer zich bevindt, is niet binnen een afstand van 3 m gelegen. Om die reden kon het college voor de gft-containers een locatie op minder dan 3 m afstand van de woning van [appellant] aanwijzen. In de door [appellant] in algemene zin geuite vrees voor hinder heeft het college geen belemmering voor de aanwijzing van locatie G46 hoeven zien. Het tegengaan van zwerfafval ter voorkoming van ongedierte is verder een kwestie van handhaving.

Het betoog faalt.

Alternatieve locatie

9.       [appellant] voert tot slot aan dat het college de locatie niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen, omdat er een geschiktere alternatieve locatie aanwezig is. Hij wijst daarbij op een bestaande locatie voor restafval waardoor de afvalinzameling geclusterd kan plaatsvinden. De loopafstand acht [appellant] geen goede reden om deze locatie niet aan te wijzen, aangezien deze loopafstand ook al voor restafval geldt. Ook acht [appellant] van belang dat op de alternatieve locatie geen woningen in de directe nabijheid zijn gelegen, zodat die locatie ook vanwege stankhinder geschikter is dan de aangewezen locatie.

9.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat het door [appellant] genoemde alternatief niet geschikter is voor het plaatsen van de afvalcontainers dan de aangewezen locatie. Het college heeft toegelicht dat de reden om het alternatief op de kruising Atjehstraat/Soendastraat minder geschikt te achten gelegen is in de langere loopafstanden voor de bewoners van de Atjehstraat. Het college heeft verder toegelicht dat gft-containers zo dicht mogelijk bij de gebruikers dienen te staan. Het verplaatsen van de gft-containers naar de locatie van de restafvalcontainer in de Soendastraat leidt tot een vergroting van de loopafstand. Voor bewoners kan de loopafstand tot de gft-containers daarmee oplopen tot 100-110 m, wat volgens het college onwenselijk is. Het college heeft ter zitting toegelicht dat spreiding van gft-containers in de buurt van belang is om een goed inzamelresultaat te behalen en eraan bijdraagt om mensen te ontmoedigen restafval te produceren.

9.2.    De Afdeling is van oordeel dat het college zich, gelet op het voorgaande, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de alternatieve locatie niet zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie dat het college in redelijkheid voor de alternatieve locatie had moeten kiezen.

Het betoog faalt.

Conclusie

10.     Het beroep is ongegrond.

11.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. 

Beslissing

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021

191-928.