Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1334

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
202001093/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2019 heeft de raad van de gemeente Boekel het bestemmingsplan "Zuidwand, Boekel" vastgesteld. Het plangebied bevindt zich aan de zuidkant van het Sint Agathaplein, in het centrum van de kern Boekel. Het plan maakt maximaal 65 woningen mogelijk en detailhandel, waaronder een supermarkt. Beoogd is om de bestaande bebouwing op deze plek te slopen. De vervangende nieuwbouw moet de nieuwe zuidwand van het Sint Agathaplein vormen. [appellant sub 1], [appellant sub 2], Coop, Aldi Best en [appellant sub 5] zijn het niet eens met het plan. Zij vrezen voor parkeeroverlast. Ook is volgens [appellant sub 1], Coop, Aldi Best en [appellant sub 5] geen behoefte aan de detailhandel, waaronder de supermarkt, die het plan mogelijk maakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001093/1/R2.

Datum uitspraak: 23 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend te Boekel,

2.       [appellant sub 2A], wonend te Boekel en [appellante sub 2B], gevestigd te Boekel, waarvan de vennoten zijn [vennoot 1] en [vennoot 2], beide wonend te Venhorst, gemeente Boekel, (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 2])

3.       Coop supermarkten B.V. gevestigd te Velp, gemeente Rheden, en anderen, (hierna samen en in enkelvoud: Coop)

4.       Aldi Best B.V., gevestigd te Best,

5.       [appellant sub 5], wonend te Boekel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Boekel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwand, Boekel" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], Coop, Aldi Best en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

Bij besluit van 25 juni 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwand, Boekel" opnieuw, gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], Coop, Aldi Best en [appellant sub 5] een reactie ingediend op het besluit van 25 juni 2020.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad, Coop en Aldi Best hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 maart 2021, waar [appellant sub 5], Aldi Best, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en bijgestaan door mr. M.W. van Nijendaal, advocaat te Arnhem, [appellant sub 1], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, Coop, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en bijgestaan door mr. J.P. Hoegee, advocaat te Nijmegen, R. Jonker en A. Beterams, deskundigen bij Loendersloot en de raad, vertegenwoordigd door P.J.A. van den Hoogen en J.P.P.M. Gerrits en bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam en mr. M. van Moorsel, advocaten te Nijmegen, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [partij], vertegenwoordigd door [initiatiefnemer], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plangebied bevindt zich aan de zuidkant van het Sint Agathaplein, in het centrum van de kern Boekel. Het plan maakt maximaal 65 woningen mogelijk en detailhandel, waaronder een supermarkt. Beoogd is om de bestaande bebouwing op deze plek te slopen. De vervangende nieuwbouw moet de nieuwe zuidwand van het Sint Agathaplein vormen.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], Coop, Aldi Best en [appellant sub 5] zijn het niet eens met het plan. Zij vrezen voor parkeeroverlast. Ook is volgens [appellant sub 1], Coop, Aldi Best en [appellant sub 5] geen behoefte aan de detailhandel, waaronder de supermarkt, die het plan mogelijk maakt.

Ingetrokken beroepsgronden

2.       Ter zitting heeft [appellant sub 2] de beroepsgrond over de zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling ingetrokken, hebben Coop en Aldi Best hun beroepsgrond over de Dienstenrichtlijn ingetrokken, Coop de beroepsgrond over het verzorgingsgebied van de voorziene detailhandel en [appellant sub 5] de beroepsgrond dat zijn belangen, als het gaat om de waardevermindering van zijn pand als gevolg van het plan, onvoldoende zijn betrokken.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Herstelbesluit 25 juni 2020

4.       Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft een beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

4.1.    Bij besluit van 25 juni 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Zuidwand, Boekel" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Dit herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

De Afdeling zal eerst de beroepen beoordelen voor zover gericht tegen het herstelbesluit en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een beoordeling van de beroepen gericht tegen het besluit van 12 december 2019.

Centrumvisie

5.       Coop, Aldi Best en [appellant sub 5] betogen dat het plan in strijd is met de Centrumvisie Boekel van 22 juli 2010, opgesteld door bureau DTNP (hierna: Centrumvisie). De gewenste concentratie van winkels aan het Sint Agathaplein zal niet plaatsvinden, waardoor het plan ook niet leidt tot versterking van de winkelstructuur. Volgens [appellant sub 5] laat de Centrumvisie ruimte voor twee supermarkten, terwijl het plan voorziet in een derde supermarkt. Volgens [appellant sub 5] is ten onrechte niet gekeken naar een alternatief voor herontwikkeling van de zuidwand, zonder een derde supermarkt.

5.1.    In paragraaf 5.1 van de Centrumvisie staat dat concentratie van het winkelaanbod noodzakelijk is om het huidige winkelvoorzieningenniveau van Boekel op peil te houden. In de Centrumvisie wordt daarvoor een "hoefijzermodel" beschreven, met maximale concentratie van het boodschappenaanbod. Hiervoor biedt het Sint Agathaplein de beste ruimtelijke mogelijkheden. Die concentratie houdt onder meer in dat er naast de Coop een tweede supermarkt wordt toegevoegd met entree aan het plein, bijvoorbeeld door de verplaatsing van de buiten het Sint Agathaplein gelegen Aldi naar het plein. De raad heeft ter zitting toegelicht dat hij sinds de vaststelling van de Centrumvisie beleid voert dat is gericht op de concentratie van het boodschappenaanbod aan het Sint Agathaplein. Het plan past binnen dit beleid, aldus de raad. In dit verband wijst de raad er ook op dat buiten het Sint Agathaplein, ter plaatse van de Schutboom 8 en de Bergstraat 28 in Boekel, in het verleden planologische mogelijkheden bestonden voor een supermarkt. Daarvoor is al op 25 januari 2016 een bestemmingsplan vastgesteld dat vestiging van een supermarkt daar uitsluit.

5.2.    De Afdeling acht, gelet op de gegeven motivering, de beleidskeuze van de raad om het boodschappenaanbod te concentreren door middel van een "hoefijzermodel" met een tweede supermarkt aan het Sint Agathaplein niet onredelijk. Het plan voorziet conform de Centrumvisie in een tweede supermarkt aan het Sint Agathaplein. In de Centrumvisie staat niet dat dit doel moet worden bereikt door verplaatsing van de Aldi naar het Sint Agathaplein, maar alleen dat verplaatsing van de Aldi een mogelijkheid is om dit doel te bereiken. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vaststelling van dit plan, met een supermarkt, past binnen het beleid dat hij voert.

Het betoog slaagt niet.

6.       Het betoog van [appellant sub 1] dat in strijd met de Centrumvisie buiten het centrum wordt voorzien in winkels kan niet aan de orde komen in deze procedure. Dit betoog ziet niet op het hier voorliggende plan, dat juist op een centrumlocatie voorziet in detailhandel.

7.       Voor het overige gaan de betogen niet zozeer over de Centrumvisie, maar over de vraag of met de detailhandel die het plan mogelijk maakt wordt voorzien in een behoefte. De Afdeling zal daar hierna onder 8 op ingaan.

Is er behoefte aan het plan?

8.       Aldi Best, Coop, [appellant sub 5] en [appellant sub 1] betogen dat de behoefte aan de in het plan voorziene supermarkt en detailhandel niet is aangetoond. Het plan is daarom in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Coop en Aldi Best hebben ter onderbouwing van dat standpunt een tegenrapport overgelegd, namelijk de "Deskundigennotitie Centrumplan Boekel" van februari 2021 van bureau Seinpost (hierna: tegenrapport Seinpost).

8.1.    Volgens de raad blijkt uit onderzoek van bureau BSP dat het plan voorziet in een kwalitatieve behoefte. Het creëert een volwaardig en sterk cluster voor dagelijkse boodschappen waaronder een supermarkt met moderne maatvoering op de daarvoor meest geschikte plek in het centrum. De raad verwijst daarbij naar de eerdergenoemde Centrumvisie en naar de notitie "Centrumplan Boekel behoefte en effecten" van bureau BSP van 31 augustus 2018 (hierna: Centrumplan Boekel) en de geactualiseerde en gerectificeerde "Oplegnotitie Detailhandel Centrumplan Boekel (rectificatie)" van 25 februari 2020 van bureau BSP (hierna: Oplegnotitie Centrumplan Boekel 2020), die aan het besluit van 25 juni 2020 ten grondslag liggen.

8.2.    Het plan staat op grond van artikel 3.4.1, lid g, onder 1 en 3, van de planregels 3.650 m2 winkelvloeroppervlak (hierna: wvo) aan detailhandel toe, waarvan maximaal 1.300 m2 voor een supermarkt gebruikt mag worden.

8.3.    Ter zitting heeft de Afdeling met partijen vastgesteld dat partijen twisten over de vraag of het plan wat betreft de detailhandel, waaronder de supermarkt, voorziet in een kwalitatieve behoefte. Tussen partijen is niet in geschil dat de kwantitatieve behoefte aan de hoeveelheid detailhandel die het plan mogelijk maakt, ontbreekt. De gestelde verschillen tussen de rapporten van BSP en het tegenrapport Seinpost in uitgangspunten en de precieze omvang van de marktruimte leiden uiteindelijk niet tot andere conclusies. Er is enige uitbreidingsruimte in de dagelijkse sector en een beperkte uitbreidingsruimte voor supermarkten, maar er is geen behoefte aan de hoeveelheid detailhandel die het plan mogelijk maakt. De Afdeling zal daarom, gelet op het voorgaande, beoordelen of de raad met zijn standpunt dat het plan in zoverre voorziet in een kwalitatieve behoefte, heeft voldaan aan de eisen die artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro stelt.

Het gaat partijen verder niet om de behoefte aan de woningen waarin het plan voorziet.

8.4.    De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724), het volgende over het toetsingskader.

Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.

Bij de behoefte kan het ook gaan om de kwalitatieve behoefte, zijnde de behoefte aan het specifieke karakter van de voorziene stedelijke ontwikkeling. Inzichtelijk dient te worden gemaakt dat het plan niet tot onnodig nieuw ruimtebeslag leidt en geen zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie in het verzorgingsgebied van de voorziene ontwikkeling zal leiden. De omstandigheid dat een kwantitatieve behoefte ontbreekt, de omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot een overaanbod in een bepaalde branche, de omstandigheid dat een ruimtelijke ontwikkeling zal leiden tot marktverschuiving in een bepaalde branche, of tot sluiting van ondernemingen, of dat deze zal leiden tot leegstand betekenen nog niet dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Of de voorziene ontwikkeling leidt tot een vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare leegstand, hangt onder meer af van de al dan niet structurele aard en de omvang van de leegstand die daarvan het gevolg kan zijn. Ook kan van belang zijn of er voldoende mogelijkheden zijn voor een nieuwe invulling binnen de voor de desbetreffende gronden geldende bestemming. De Afdeling acht van belang of zodanige gegevens voorhanden zijn dat kan worden geconcludeerd dat voor structurele leegstand niet behoeft te worden gevreesd.

De enkele stelling van [appellant sub 1] dat het plan leidt tot leegstand betekent dus niet dat daarom al sprake is van strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

8.5.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1668) kan, anders dan Aldi Best betoogt, niet worden opgemaakt dat de kwalitatieve behoefte minder bepalend is als er sprake is van een aanzienlijk kwantitatief overschot in het aanbod. In het geval genoemd in die uitspraak was onvoldoende gemotiveerd waarom er een kwalitatieve behoefte bestond, ondanks het aanzienlijke kwantitatieve overschot. Van belang is dus dat de kwalitatieve behoefte voldoende gemotiveerd wordt. De Afdeling zal dat hierna beoordelen. Verder moet inzichtelijk zijn dat het plan niet leidt tot leegstand die vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is. Ook hierop zal de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden ingaan.

Kwalitatieve motivering

9.       Aldi Best, Coop en [appellant sub 1] betogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat het plan voorziet in een kwalitatieve behoefte. Coop en Aldi Best verwijzen daarbij naar het tegenrapport Seinpost, waaruit volgens hen volgt dat het plan geen kwalitatieve verbetering van de structuur van het winkelgebied biedt. Beoogd was de verplaatsing van de Aldi naar het Sint Agathaplein, maar dat gebeurt niet, in elk geval niet binnen afzienbare termijn. Ook staat niet vast dat bestaande detailhandel buiten het Sint Agathaplein kan worden bewogen te verplaatsen naar de Zuidwand. Het plan voorziet daarom alleen in toevoeging van detailhandelsmeters en niet in de concentratie van een boodschappencluster. Aldi Best betoogt dat binnen de huidige planologische mogelijkheden in de gewenste kwaliteitsimpuls kan worden voorzien.

Volgens Aldi Best, Coop en [appellant sub 1] had een breder bestemmingsplan moeten worden vastgesteld, waarbij bestaand gebruik voor detailhandel buiten het Sint Agathaplein wordt wegbestemd. Verder had in het plan een voorwaardelijke verplichting moeten worden opgenomen dat gebruik voor detailhandel alleen is toegestaan als dat gebruik op de huidige locaties buiten het Sint Agathaplein is beëindigd.

9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voorziet in een kwalitatieve behoefte. De raad verwijst daarbij naar de Centrumvisie, het Centrumplan Boekel en de Oplegnotitie Centrumplan Boekel 2020, waarin staat dat de kwalitatieve behoefte bestaat uit de clustering van het detailhandels- en boodschappenaanbod aan het Sint Agathaplein. Het plan voorziet in een tweede supermarkt aan het plein met een moderne, ruime maatvoering. Daarmee ontstaat een centrumplein met twee supermarkten op de kopse kanten, een hoefijzermodel. Verder maakt het plan detailhandel mogelijk, waaronder detailhandel in dagelijkse goederen. Door de clustering van die detailhandel met de supermarkten aan het Sint Agathaplein ontstaat ook meer combinatiebezoek, wat leidt tot een levendig plein. Door de hoeveelheid klanten die dit plein zal trekken, is dit eveneens aantrekkelijk voor supermarktorganisaties als vestigingslocatie, zo staat in de Oplegnotitie Centrumplan Boekel 2020. Verder staat daarin dat de toename van detailhandelsmeters ten opzichte van het huidige planologische regime voornamelijk zal worden ingevuld door de voorziene supermarkt. De raad erkent dat op grond van het huidige planologische regime ook een supermarkt mogelijk is, maar stelt zich op het standpunt dat dit bouwvlak niet passend is. Het bestemmingsplan voorziet nu in een bouwvlak waarin de nieuwe supermarkt optimaal kan functioneren. Aangezien een sterke supermarkt een belangrijk onderdeel is van de noodzakelijke structuurversterking, is een nieuw plan vastgesteld.

Volgens de raad blijkt uit de Oplegnotitie Centrumplan Boekel 2020 dat als geen ruimtelijke keuzes worden gemaakt, de verblijfskwaliteit op het Sint Agathaplein in een neerwaartse spiraal terechtkomt, wat zal leiden tot een slechtere vestigingskwaliteit voor winkels. Bewoners zullen bovendien het overgebleven aanbod in Boekel vaker links laten liggen, wat uiteindelijk zal resulteren in het terugtrekken van winkels uit de kern en een verdere toename van leegstand.

9.2.    De Afdeling heeft hiervoor onder 5.2 naar aanleiding van de Centrumvisie al overwogen dat de vaststelling van het plan met een supermarkt aan het Sint Agathaplein past binnen het beleid dat de raad voert, dat is gericht op concentratie van het winkelaanbod aan het Sint Agathaplein. De raad heeft de keuze gemaakt om een plan vast te stellen dat alleen ziet op de Zuidwand aan het Sint Agathaplein. De door Coop en Aldi Best gesuggereerde keuze om een breder bestemmingsplan vast te stellen waarbij detailhandel buiten het Sint Agathaplein wordt wegbestemd en een voorwaardelijke verplichting met betrekking tot gebruik voor detailhandel wordt opgenomen, heeft de raad dus niet gemaakt. De Afdeling ziet, ook gelet op de gegeven kwalitatieve motivering in het Centrumplan Boekel en de Oplegnotitie Centrumplan Boekel 2020, geen aanleiding om de door de raad gemaakte keuze, in lijn met zijn beleid, op voorhand onredelijk te achten.

Tegen deze achtergrond moet de raad wel inzichtelijk maken dat het plan met de daarin gemaakte ruimtelijke keuze, niet leidt tot leegstand die vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar is.

Leegstand als gevolg van het plan

10.     Volgens Coop, Aldi Best en [appellant sub 1] leidt het plan tot leegstand van het pand waar de Coop nu gevestigd is. Uit het tegenrapport Seinpost volgt volgens Coop en Aldi Best dat sluiting van de Coop het meest voor de hand ligt, omdat de derde supermarkt zeer waarschijnlijk wordt ingevuld met een fullservice-supermarkt die concurreert met de Coop en niet met de Aldi. Volgens Coop en Aldi Best blijkt uit het tegenrapport Seinpost dat bij het sluiten van de Coop of de andere fullservice-supermarkt aan het Sint Agathaplein het gewenste hoefijzermodel niet tot zijn recht komt, met alle gevolgen van dien voor de kleinere winkels die tussen beide supermarkten gevestigd zijn. Een andere functie dan detailhandel is niet gewenst door de locatiespecifieke eigenschappen midden in het winkelgebied en als trekker in het hoefijzermodel. Het plan leidt in zoverre tot onaanvaardbare leegstand. De raad stelt ten onrechte dat bij sluiting van de Coop een andere supermarkt het pand zal betrekken, aldus Coop en Aldi Best.

10.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare leegstand van het pand waar de Coop gevestigd is of de supermarkt binnen het plangebied. Het gaat om twee panden met een voor een supermarkt geschikte moderne maatvoering. De raad verwijst daarbij naar de Oplegnotitie Centrumplan Boekel 2020. Daarin staat dat dit komt door de goede zichtbaarheid, de ruime oppervlakte van ongeveer 1.500 m2 wvo en de synergievoordelen met het overige winkelaanbod. De raad acht het dus op grond hiervan niet waarschijnlijk dat de Coop zal vertrekken. Als dat wel gebeurt zal er waarschijnlijk een andere supermarkt voor in de plaats komen. Daarbij heeft de raad er ook nog op gewezen dat, mocht leegstand als gevolg van het vertrek van Coop ontstaan, er voldoende andere invullingen van het pand mogelijk zijn.

10.2.  Coop, Aldi Best en [appellant sub 1] hebben naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende hard kunnen maken dat, als Coop haar pand zou verlaten, dit zou leiden tot langdurige leegstand, ondanks dat het pand een voor een supermarkt moderne maatvoering heeft. Dat twee fullservice-supermarkten niet naast elkaar zouden kunnen bestaan, heeft de raad, onder verwijzing naar de reactie van bureau BSP op het tegenrapport Seinpost in de "Oplegnotitie Boekel Zuidwand reactie op contra-expertise Seinpost" van 4 maart 2021, gemotiveerd betwist. Volgens BSP zijn er vergelijkbare plaatsen als Boekel met een relatief hoge supermarktdichtheid en met twee fullservice-supermarkten. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat de geringe kans dat een van de supermarkten aan het Sint Agathaplein zou stoppen, had moeten leiden tot de conclusie dat het hoefijzermodel niet tot zijn recht zal komen en de kwalitatieve behoefte ontbreekt. De raad heeft er in dat verband wat betreft de invulling van het pand van de Coop terecht op gewezen dat voor die gronden, op basis van het geldende planologische regime, een ruime bestemming geldt, namelijk "Gemengd", die voldoende alternatieve invulmogelijkheden biedt.

Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre leidt tot onaanvaardbare leegstand.

Het betoog slaagt niet.

11.     [appellant sub 5] betoogt dat het plan leidt tot onaanvaardbare leegstand van zijn pand aan de [locatie 1]. Volgens [appellant sub 5] is het meest waarschijnlijke scenario dat alleen de twee supermarkten aan het Sint Agathaplein overleven. Coop en Aldi Best betogen onder verwijzing naar het tegenrapport Seinpost dat bij vertrek van Aldi het voorzieningenniveau afneemt. Het is waarschijnlijk dat er een tweede fullservice-supermarkt komt aan het Sint Agathaplein, zodat Boekel dan geen discountsupermarkt meer heeft. Dat leidt tot koopkrachtafvloeiing naar omliggende kernen waar wel een discountsupermarkt is gevestigd.

11.1.  De raad erkent de mogelijkheid dat Aldi als gevolg van het plan uit het pand aan de [locatie 1] vertrekt. Dat daarmee tijdelijk leegstand ontstaat, betekent nog niet dat sprake is van strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Op grond van het geldende planologische regime is aan het betreffende perceel de bestemming "Centrum" toegekend. Naast detailhandel is binnen die bestemming ook horeca in categorie 1, 2 en 3 toegestaan, dienstverlening, kantoren, maatschappelijke en culturele voorzieningen, industriële en ambachtelijke bedrijven, voor zover op lijst van bedrijfsactiviteiten, en wonen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het pand aan de [locatie 1] op grond van het planologische regime voldoende alternatieve invullingen denkbaar zijn. De raad heeft zich daarom naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet tot onaanvaardbare leegstand leidt.

In de stelling van Coop en Aldi Best dat het eventuele verdwijnen van een discountsupermarkt ervoor zorgt dat inwoners van Boekel zullen uitwijken naar andere kernen waar wel een discountsupermarkt gevestigd is, ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat dit effect zodanig zou zijn dat het plan niet langer voorziet in een kwalitatieve behoefte.

Het betoog slaagt niet.

12.     Coop en Aldi Best betogen onder verwijzing naar het tegenrapport Seinpost dat het plan leidt tot leegstand van het pand aan Kerkpad 4 in Venhorst, een andere kern binnen de gemeente Boekel. Daar is nu een supermarkt gevestigd. Deze zal als gevolg van het plan moeten sluiten.

12.1.  Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.

12.2.  De Afdeling stelt vast dat de supermarkt in een andere kern dan de kern Boekel ligt, op meer dan 4 km van de vestigingen van Coop en Aldi Best. Eventuele leegstand in Venhorst raakt niet aan het belang van Coop en Aldi Best, dat gaat over het ondernemers- en verblijfsklimaat in de kern Boekel. Zij kunnen zich dan ook niet beroepen op de gevolgen van het plan wat betreft leegstand in Venhorst. Het betoog kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het plan.

13.     Aldi Best, Coop en [appellant sub 1] betogen verder dat het plan leidt tot onaanvaardbare leegstand wat betreft panden die worden gebruikt voor detailhandel. In dat verband wijzen Coop en Aldi Best zij op leegstand van de detailhandel buiten het Sint Agathaplein.

13.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat vaststelling van het plan zonder het gebruik voor detailhandel buiten het Sint Agathaplein weg te bestemmen niet leidt tot een vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare leegstand. De raad heeft toegelicht dat hij beleid voert om bestaande winkeliers die elders in de gemeente gevestigd zijn te verleiden om hun winkel naar de Zuidwand te verplaatsen door hen een herontwikkelingsperspectief in de kwalitatief hoogwaardige Zuidwand en het toekomstbestendige centrum aan te bieden. Volgens de raad is het niet aannemelijk dat zich op de locatie van een winkelier die naar de Zuidwand verhuist een (minder levensvatbare) dagwinkel zal vestigen, aangezien de Zuidwand een aantrekkelijker perspectief biedt. Voor zover winkels worden verplaatst geldt dat ter plaatse van de vrijkomende winkelruimte over het algemeen een ruime bestemming geldt, die herontwikkeling ten behoeve van een andere functie zoals wonen rechtstreeks mogelijk maakt.

13.2.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet leidt tot een vanuit goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare leegstand. Aldi Best, Coop en [appellant sub 1] hebben niet weersproken dat op basis van het planologisch regime voor detailhandel buiten het Sint Agathaplein ruime bestemmingen gelden, waaronder voor een bakker aan de Kennedystraat 5 en een slager aan de Kerkstraat 11, waarvan is beoogd dat die worden verplaatst naar het plangebied. Ter plaatse van gronden met de bestemming "Centrum" en "Gemengd" is weliswaar detailhandel toegestaan, maar het planologisch regime staat daar ook horeca in categorie 1, 2 en 3, dienstverlening, kantoren, maatschappelijke en culturele voorzieningen, industriële en ambachtelijke bedrijven, voor zover op lijst van bedrijfsactiviteiten, en gebruik voor wonen toe. Ter plaatse van Kerkstraat 11 geldt de bestemming "Gemengd" met de daarbij behorende ruime bestemmingsmogelijkheden en ter plaatse van Kennedystraat 5 de bestemming "Wonen" met de aanduiding "detailhandel toegestaan", zodat het perceel ook gebruikt kan worden voor wonen.

Aldi Best en Coop hebben verder gewezen op de panden waar bestaande supermarkten zijn gevestigd. Voor zover zij zich op die leegstand kunnen beroepen, is de Afdeling daar hiervoor onder 9-11.1 al inhoudelijk op ingegaan. Het betoog slaagt niet.

Conclusie 3.1.6, tweede lid, van het Bro

14.     Gelet op het voorgaande heeft de raad voldoende gemotiveerd dat het plan voorziet in een kwalitatieve behoefte, en dat het plan niet leidt onaanvaardbare leegstand. Omdat sprake is van een kwalitatieve behoefte kunnen de betogen dat de kwantitatieve behoefte ontbreekt niet afdoen aan de conclusie dat het plan voorziet in een behoefte. Het plan is daarom niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld. De betogen slagen niet.

Beperkingen detailhandel en Dienstenrichtlijn

15.     [appellant sub 5] betoogt dat de raad in strijd met artikel 15 van de Dienstenrichtlijn de in het plan gestelde beperkingen aan detailhandel niet heeft onderbouwd.

15.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 5] zich niet kan beroepen op de Dienstenrichtlijn, omdat hij een belang heeft dat tegengesteld is aan het belang dat de Dienstenrichtlijn beoogt te beschermen. Daarom moet volgens de raad het relativiteitvereiste uit artikel 8:69a van de Awb worden tegengeworpen.

15.2.  De Afdeling stelt vast dat het belang van [appellant sub 5] hier voortkomt uit zijn positie als concurrerende vastgoedeigenaar met winkelvastgoed in de omgeving, namelijk zijn pand aan de [locatie 1] waar nu een Aldi is gevestigd. [appellant sub 5] is dus geen dienstverrichter die zich in het plangebied wil vestigen of eigenaar van winkelvastgoed in het plangebied die zou worden geraakt door de planregeling. Het belang dat hij wil beschermen is tegengesteld aan het belang dat de Dienstenrichtlijn beoogt te beschermen, omdat [appellant sub 5] de vestiging van andere dienstverrichters beoogt tegen te gaan. Hij valt daarom niet onder de personele beschermingsomvang van de Dienstenrichtlijn. Het relativiteitsvereiste uit artikel 8:69a van de Awb moet om die reden aan [appellant sub 5] worden tegengeworpen. De Afdeling zal het betoog niet inhoudelijk behandelen (vergelijk de uitspraak van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706), onder 11.2 en 11.3).

Parkeren

Parkeerregeling

16.     Coop en Aldi Best betogen dat de planregeling in artikel 8.1 zoals gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl afwijkt van de planregeling die volgens het raadsbesluit van 25 juni 2020 is vastgesteld. Daardoor is onduidelijk welke regeling er geldt.

16.1.  In het vaststellingsbesluit van 25 juni 2020 staat dat de raad heeft besloten het bestemmingsplan vast te stellen, met dien verstande dat in dat besluit is opgenomen dat een aantal punten worden gewijzigd. Daarin staat, voor zover hier relevant, onder andere dat planregel 8 (parkeren) wordt vervangen door:

"8.1 Bouwregels

a. De gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, alsmede dat voor het laden en lossen van goederen in voldoende mate moet zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Voor het bouwen van woningen geldt de aanvullende voorwaarde dat voor bewoners van die woningen op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

b. Bij omgevingsvergunning om te bouwen wordt conform de publicatie van CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie‘ bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde publicatie gedurende de planperiode wordt gewijzigd, aan de hand van die nieuwe publicatie wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.

8.2 Gebruiksregels

Als gebruik in strijd met het bestemmingsplan geldt het (veranderen van het) gebruik van gronden of bouwwerken, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, alsmede voor het laden en lossen van goederen niet voldoende voorzieningen worden getroffen, een en ander conform de publicatie van CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie‘. Indien op grond van artikel 8.1 onder a op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd en in stand worden gehouden, geldt als gebruik in strijd met het bestemmingsplan het (veranderen van het) gebruik van gronden of bouwwerken, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

8.3 Binnenplanse afwijkbevoegdheid

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 8.1 en 8.2 indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit en mits wordt voldaan aan de publicatie van CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie‘, met dien verstande dat indien voornoemde publicatie gedurende de planperiode worden gewijzigd, voldaan moet worden aan die nieuwe publicatie."

16.2.  Artikel 8.1 van de planregels op ruimtelijkeplannen.nl luidt:

"8.1 Parkeren

8.1.1 Bouwregels

a. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet aan voldoende parkeergelegenheid voldaan moeten worden.

b. De gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, alsmede dat voor het laden en lossen van goederen in voldoende mate moet zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Voor het bouwen van woningen geldt de aanvullende voorwaarde dat voor bewoners van die woningen op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

c. Bij omgevingsvergunning om te bouwen wordt conform de publicatie van CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie‘ bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde publicatie gedurende de planperiode wordt gewijzigd, aan de hand van die nieuwe publicatie wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.

8.1.2 Gebruiksregels

Als gebruik in strijd met het bestemmingsplan geldt het (veranderen van het) gebruik van gronden of bouwwerken, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, alsmede voor het laden en lossen van goederen niet voldoende voorzieningen worden getroffen, een en ander conform de publicatie van CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie‘. Indien op grond van artikel 8.1.1 onder a op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd en in stand worden gehouden, geldt als gebruik in strijd met het bestemmingsplan het (veranderen van het) gebruik van gronden of bouwwerken, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

8.1.3 Binnenplanse afwijkbevoegdheid

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 8.1.1 en 8.1.2 indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit en mits wordt voldaan aan de publicatie van CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie‘, met dien verstande dat indien voornoemde publicatie gedurende de planperiode worden gewijzigd, voldaan moet worden aan die nieuwe publicatie."

16.3.  De Afdeling stelt vast dat in het plan zoals dat is gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl de planregeling van artikel 8.1 afwijkt van die in het vaststellingsbesluit. In de planregeling van ruimtelijkeplannen.nl is met artikel 8.1.1, onder a, een extra planregel opgenomen die niet staat in artikel 8.1 van het vaststellingsbesluit. Verder wordt als nummering 8.1.1, 8.1.2 en 8.1.3 aangehouden, terwijl de regeling in het vaststellingbesluit uitgaat van de nummers 8.1, 8.2 en 8.3.

De raad heeft ter zitting verklaard dat hij heeft beoogd om de planregeling zoals opgenomen op ruimtelijkeplannen.nl vast te stellen. Daarbij heeft de raad opgemerkt dat in artikel 8.1.2 daarvan een kennelijke verschrijving staat. Er wordt verwezen naar 8.1.1, onder a, van de planregels maar bedoeld is te verwijzen naar artikel 8.1.1, onder b.

Wat betreft de verwijzing in artikel 8.1.2 van de planregeling, zoals gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl is de Afdeling van oordeel dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Voldoende duidelijk is dat wordt verwezen naar de regeling voor parkeren op eigen terrein, die is opgenomen in artikel 8.1.1, onder b. Verder stelt de Afdeling vast dat in de artikelen 8.1.1, onder c, en 8.1.3, van de planregeling, zoals gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl, staat dat rekening kan worden gehouden met een wijziging van de CROW-publicatie. Daarbij is echter ook een verwijzing opgenomen naar de planperiode. Door de afschaffing van de actualiseringsplicht voor bestemmingsplannen bestaat er geen planperiode meer, zodat de zinsnede "gedurende de planperiode" zinledig is.

Gezien het voorgaande wijkt de door de raad beoogde planregeling die gepubliceerd is op ruimtelijkeplannen.nl af van het plan, zoals de raad dat blijkens het bestreden besluit heeft vastgesteld. Het bestreden besluit en het plan, in onderlinge samenhang bezien, zijn daarom in zoverre in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog slaagt.

16.4.  Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, zal de Afdeling in het kader van de finale geschilbeslechting wat betreft dit gebrek zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat de planregeling die door de raad is beoogd en die is gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl, geldt. De Afdeling zal in dat verband ook de kennelijke verschrijving in artikel 8.1.2 van de planregels aanpassen en de zinsnede "gedurende de planperiode" schrappen in de artikelen 8.1.1, onder c, en 8.1.3.

17.     Gezien het voorgaande zal de Afdeling bij de verdere beoordeling van de beroepsgronden uitgaan van de planregeling die de Afdeling zelf voorziend bepaalt en die de raad heeft beoogd.

Parkeerbehoefte

Uitgangspunten parkeren

18.     Coop, Aldi Best, [appellant sub 5], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen dat de parkeerbehoefte is onderschat. Volgens hen leidt het plan tot parkeeroverlast. Coop en Aldi Best verwijzen daarbij naar het tegenrapport "Rapportage onderzoek Parkeervraag Zuidwand Boekel" van 4 februari 2021, van bureau Loendersloot (hierna: tegenrapport Loendersloot). Volgens hen is ten onrechte niet uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Coop stelt in dat verband dat in artikel 3.4.1, onder g, van de planregels het brutovloeroppervlak (hierna: bvo) had moeten worden gemaximeerd.

18.1.  Met het herstelbesluit is een gewijzigde parkeerregeling opgenomen en is de motivering van het aspect parkeren aangevuld. Aan het herstelbesluit liggen de "Parkeerbalans Centrum Boekel" van bureau Kragten van 1 april 2020 (hierna: Parkeerbalans 2020) en de memo "Kwantitatief onderzoek inpassing parkeerbehoefte Zuidwand" door bureau Arcadis van 1 april 2020 (hierna: Memo parkeerbehoefte 2020) ten grondslag. Deze zijn mede gebaseerd op de "Parkeerdrukmeting 2017" door bureau Kragten van 30 november 2017 (hierna: Parkeerdrukmeting). In de Parkeerbalans 2020 is de parkeerbehoefte berekend. De parkeernorm is bepaald aan de hand van de parkeernormen uit de CROW-publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van november 2018. Geconcludeerd wordt dat de parkeerplaatsen voor de bewoners kunnen worden aangelegd op het eigen terrein, binnen het plangebied, en dat de overige parkeerbehoefte buiten het plangebied moet worden opgevangen. Dit kan door extra openbare parkeerplaatsen te realiseren in de omgeving van het plangebied, in combinatie met de restcapaciteit aan bestaande parkeerplaatsen in de omgeving.

18.2.  De Afdeling stelt vast dat in artikel 8.1.1, onder b, van de planregels staat dat de gronden slechts mogen worden bebouwd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. In artikel 8.1.1, onder c, is vervolgens opgenomen dat bij omgevingsvergunning om te bouwen conform de publicatie van CROW "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" wordt bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde publicatie wordt gewijzigd, aan de hand van die nieuwe publicatie wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.

Naar het oordeel van de Afdeling is daarmee, anders dan Aldi Best betoogt, voldoende duidelijk dat op grond van artikel 8.1.1 van de planregels bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien overeenkomstig de CROW-parkeernormen uit de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie".

Gelet op het voorgaande zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen zou kunnen worden voorzien overeenkomstig artikel 8.1.1 en dat het plan daarom niet uitvoerbaar is.

18.3.  Wat betreft het ontbreken van een maximum aan bvo ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de parkeerbehoefte door het ontbreken daarvan onvoldoende zou kunnen worden berekend. Zoals hiervoor is overwogen, zal aan de CROW-publicatie moeten worden voldaan zoals deze luidt ten tijde van de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen. In de CROW-publicatie "Kencijfers en verkeersgeneratie" is een omrekeningsfactor opgenomen van wvo naar bvo, zodat de parkeerbehoefte kan worden berekend. De raad mocht daarvan uitgaan.

Het betoog slaagt niet.

18.4.  De Afdeling volgt Aldi Best, [appellant sub 5] en [appellant sub 2] ook niet in hun betoog dat de raad had moeten bepalen dat op eigen terrein in de volledige parkeerbehoefte had moeten worden voorzien. De raad voert geen beleid van die strekking. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte heeft aangesloten bij de parkeernormen op grond van de CROW-publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie".

Het betoog slaagt niet.

19.     Coop en Aldi Best betogen, onder verwijzing naar het tegenrapport Loendersloot, dat onvoldoende is gemotiveerd waarom gekozen is voor de parkeernormen die als gemiddeld zijn weergegeven binnen de bandbreedte die de CROW-normen bieden (hierna: gemiddelde CROW-norm). Er wordt in de Parkeerbalans 2020 verwezen naar een parkeerdrukmeting die voor de Aldi is uitgevoerd, maar onduidelijk is waarom daar voor dit plan naar kan worden verwezen. Ook volgens [appellant sub 1] had van een hogere parkeernorm moeten worden uitgegaan.

19.1.  Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen grond voor het oordeel dat ten onrechte van de gemiddelde CROW-norm is uitgaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad, onder verwijzing naar de Parkeerbalans 2020, heeft toegelicht dat uit de gebruikte parkeerdrukmeting bleek dat in het centrum van Boekel op het drukste moment van de week voldoende restcapaciteit beschikbaar is. In de periode tussen 2017 en het moment dat de Parkeerbalans 2020 is opgesteld hebben geen ontwikkelingen plaatsgevonden die aanleiding geven tot een andere beoordeling van de parkeersituatie in Boekel. Dan is het verantwoord om uit te gaan van de gemiddelde CROW-norm, zo staat in de Parkeerbalans 2020. Verder heeft de raad onder verwijzing naar een memo van Kragten van 5 maart 2021, "Reactie Zuidwand Boekel - Loendersloot Groep B.V. (04-02-2021)" (hierna: reactie Kragten) toegelicht dat de parkeercapaciteit voldoet aan de huidige parkeerbehoefte, wanneer de gemiddelde CROW-norm wordt gehanteerd. Dit blijkt uit een parkeerdrukmeting bij de nabijgelegen Aldi, maar ook uit parkeeronderzoek in het onderzoeksgebied, aldus de raad. De Afdeling acht gelet hierop voldoende gemotiveerd waarom van een gemiddelde CROW-norm is uitgegaan.

Het betoog slaagt niet.

Parkeerbehoefte appartementen

20.     Coop en Aldi Best betogen verder, onder verwijzing naar het tegenrapport Loendersloot, dat de parkeerbehoefte als gevolg van de voorziene woningen is onderschat. Volgens hen had moeten worden uitgegaan van appartementen koop - duur en huur - duur. Daarvoor geldt een hogere CROW-parkeernorm dan waarmee is gerekend.

20.1.  In de parkeeronderzoeken is uitgegaan van 40 koopappartementen in het middensegment met een parkeernorm van 1,1 en 25 vrije sector huurappartementen in het middensegment met een parkeernorm van 0,8, wat leidt tot 62 benodigde parkeerplaatsen binnen het plangebied. Niet in geschil is dat er feitelijk ook 62 parkeerplaatsen zouden kunnen worden gerealiseerd.

20.2.  De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 8.1.1, onder b, van de planregels voor de woningen in beginsel moet worden voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein. De Afdeling stelt verder vast dat de gronden binnen het plangebied op grond van artikel 3.1, onder f, van de planregels zijn bestemd voor voorzieningen voor verkeer en verblijf. Naar het oordeel van de Afdeling vallen ook parkeervoorzieningen hieronder, zodat het plan de benodigde parkeerplaatsen ook mogelijk maakt. In zoverre staat de parkeerbehoefte als gevolg van de woningen niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. Dat voor andere typen woningen een hogere CROW-parkeernorm geldt dan waarmee is gerekend, doet daar niet aan af. De Afdeling heeft hiervoor onder 18.2 al geoordeeld dat op grond van artikel 8.1.1 van de planregels bij de verlening van een omgevingsvergunning voor bouwen in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien overeenkomstig de CROW-parkeernormen. Bij de bouw van een ander type woning met een hogere parkeernorm zal daarom in meer parkeerplaatsen moeten worden voorzien dan de 62 voorziene en te realiseren parkeerplaatsen. Omdat de gronden binnen het hele plangebied parkeerplaatsen mogelijk maken, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat wat betreft de voorziene woningen op voorhand duidelijk is dat niet aan het vereiste van artikel 8.1.1 kan worden voldaan.

Het betoog slaagt niet.

Parkeerbehoefte overige functies

21.     Coop en Aldi Best betogen onder verwijzing naar het tegenrapport Loendersloot dat de restcapaciteit die in de Parkeerbalans 2020 is gebruikt onvoldoende gemotiveerd is. Zij wijzen erop dat bij de berekening van de restcapaciteit ten onrechte de dinsdagochtend niet als drukste telmoment is gehanteerd. Vanwege de weekmarkt zijn dan 24 parkeerplaatsen op het Sint Agathaplein niet beschikbaar. Verder wordt in de rapporten over de parkeerbehoefte uitgegaan van een maximale bezettingsgraad van 90%, terwijl in de Parkeerdrukmeting de gebruikelijke 80% wordt gehanteerd. Ook is voor de restcapaciteit die is bepaald in Parkeerdrukmeting geen loopafstand tot het plangebied opgenomen, zodat de Parkeerdrukmeting in zoverre niet kon worden gebruikt.

21.1.  De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de Parkeerbalans 2020 zodanige gebreken en leemten vertoont dat de raad zich daarop niet kon baseren voor zijn conclusie dat parkeren niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Waar het gaat om het drukste telmoment heeft de raad, onder verwijzing de reactie Kragten, toegelicht dat de zaterdagochtend maatgevend is omdat de functies, voornamelijk winkels, op zaterdag de hoogste parkeerbehoefte hebben. Op de dinsdagochtend zal de parkeerbehoefte van de beoogde functies die in de openbare ruimte moet worden opgevangen lager zijn. De Afdeling acht het gekozen uitgangspunt, gelet op de gegeven motivering, niet onredelijk. Wat betreft de bezettingsgraad ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte is uitgegaan van een maximale bezettingsgraad van 90%. In de reactie Kragten is toegelicht dat de maximale bezettingsgraad afhankelijk is van meerdere factoren. In dit geval is op het absolute piekmoment een bezettingsgraad van 90% aanvaardbaar. Daarom is een hogere maximale bezettingsgraad gebruikt dan de 80% uit de Parkeerdrukmeting, zo staat in de reactie Kragten. De stelling in het tegenrapport Loendersloot dat 80% zou worden aanbevolen door de CROW leidt niet tot een ander oordeel. Daarover staat namelijk in de reactie Kragten dat die aanbeveling niet gaat over de maximaal acceptabele bezettingsgraad. Zoals in de reactie Kragten terecht staat, komt die aanbeveling uit een CROW-publicatie over parkeertarieven, namelijk "Parkeren en gedrag", en is het een vuistregel over de tarieven die gemeentes kunnen hanteren in gereguleerd parkeergebied. Gelet hierop mocht de raad een maximale bezettingsgraad van 90% hanteren.

Het betoog slaagt niet.

22.     Coop en Aldi Best betogen dat onvoldoende inzichtelijk is gemaakt dat er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn buiten het plangebied ten behoeve van de voorziene functies, anders dan de parkeerplaatsen binnen het plangebied voor bewoners van de appartementen. De raad stelt zich ten onrechte op het standpunt dat er voldoende restcapaciteit in het centrum is en dat gebruik kan worden gemaakt van het Sint Agathaplein, de Regenbooglocatie aan de Kennedystraat 3 en het terrein achter Nia Domo, ten noorden van het plangebied (hierna: Nia Domo-terrein). Volgens Coop wordt ten onrechte gesteld dat er parkeerplaatsen beschikbaar zijn op het Sint Agathaplein en de Regenbooglocatie. Het geldende planologische regime staat daar geen gebruik voor parkeren toe.

Onder verwijzing naar het tegenrapport Loendersloot stellen Coop en Aldi Best dat inmiddels duidelijk is dat er geen 68 maar 51 parkeerplaatsen zijn voorzien op het Sint Agathaplein. Dit volgt uit de Gebiedsvisie centrum Boekel van Antea group, door de raad vastgesteld op 25 juni 2020 (hierna: Gebiedsvisie centrum Boekel). Uit het tegenrapport Loendersloot volgt volgens Coop en Aldi Best verder dat, als er wel op het Sint Agathaplein geparkeerd zou kunnen worden, aanvullend nog in 79 parkeerplaatsen daarbuiten moet worden voorzien. Voor de restcapaciteit wordt een loopafstand van 200-600 m tot het plangebied aangenomen, terwijl een realistische loopafstand maximaal 250 m is, aldus Coop en Aldi Best.

Omdat er in onvoldoende parkeerplaatsen wordt voorzien, zal volgens [appellant sub 5] ook op en rond zijn gronden aan de [locatie 1] parkeeroverlast ontstaan. Ook [appellant sub 1] betoogt dat als gevolg van het plan de parkeerdruk groter zal worden.

22.1.  Ter zitting hebben Coop en Aldi Best verwezen naar een door bureau Loendersloot gemaakte nieuwe berekening met inrichtingsschets die bij de pleitnota van Coop is gevoegd. Daaruit blijkt volgens hen dat op het Sint Agathaplein, uitgaande van de Gebiedsvisie centrum Boekel, geen 51 extra parkeerplaatsen kunnen worden ingetekend, maar slechts 3, waardoor het plan in zoverre niet uitvoerbaar is. De Afdeling overweegt daarover als volgt. Ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nieuwe argumenten worden aangevoerd en stukken, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval als die argumenten, gegevens of stukken verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd. Coop en Aldi Best zijn pas ter zitting gekomen met deze berekening en inrichtingsschets, terwijl in het tegenrapport Loendersloot, dat dateert van enkele weken voor de zitting, een toename van 51 parkeerplaatsen ter plaatse is berekend. Niet gebleken is dat Coop en Aldi Best niet eerder dan op de zitting met dit stuk konden komen. Omdat de raad zich niet daarop kon voorbereiden en dus onvoldoende kon reageren, zal de Afdeling dit stuk vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing laten.

22.2.  De raad stelt zich op het standpunt dat er voldoende restcapaciteit is om de parkeerbehoefte op te vangen in combinatie met de aanleg van extra parkeerplaatsen op het Sint Agathaplein, de Regenbooglocatie en Nia Domo. Binnen de loopafstand die de raad aanvaardbaar acht, zijn volgens hem voldoende parkeerplaatsen beschikbaar. De raad heeft toegelicht dat in de Gebiedsvisie centrum Boekel is vastgelegd dat er 85 extra parkeerplaatsen worden gerealiseerd op de Regenbooglocatie, mede ten behoeve van de winkels aan het Sint Agathaplein. Anders dan in het tegenrapport Loendersloot staat, zijn er geen bouwplannen rond de Regenbooglocatie waar parkeerplaatsen zijn bedacht. Verder heeft de raad er op gewezen dat in de parkeerdrukmeting 2017 is uitgegaan van 22 parkeerplaatsen op het Nia Domo-terrein, maar dat er feitelijk meer aanwezig zijn. Coop zelf gaat uit van 30 parkeerplaatsen. Waar het de loopafstand betreft, heeft de raad toegelicht dat hij op piekmomenten de langere maximale loopafstand van 200-600 m aanvaardbaar acht, die voor de functie winkelen is opgenomen in de CROW-richtlijnen uit de publicatie "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Ook als wordt uitgegaan van de berekening in het tegenrapport Loendersloot over de beschikbare restcapaciteit van 50 parkeerplaatsen en de 79 benodigde parkeerplaatsen buiten het Sint Agathaplein, staat parkeren niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg, aldus de raad.

22.3.  Wat betreft de loopafstand acht de Afdeling het standpunt van de raad niet onredelijk om op piekmomenten de maximale loopafstand van 200-600 m aanvaardbaar te achten die voor de functie winkelen in de CROW-publicatie is opgenomen. Het Sint Agathaplein ligt op zeer korte afstand van het plangebied. Voor de Regenbooglocatie stelt de Afdeling vast dat de loopafstand minder dan 200 m bedraagt. Voor het terrein achter Nia Domo is de loopafstand met ongeveer 400-450 m groter maar nog steeds binnen de loopafstand uit de CROW-publicatie, die de raad aanvaardbaar acht.

22.4.  De Afdeling stelt vast dat op grond van het geldende planologische regime de bestemming "Verkeer" is toegekend aan het Sint Agathaplein, op grond waarvan voorzieningen voor verkeer en verblijf zijn toegestaan. De Afdeling heeft onder 20.2 al overwogen dat daar ook parkeervoorzieningen onder vallen. Gelet hierop is gebruik voor parkeren ter plaatse toegestaan. Datzelfde geldt voor de Regenbooglocatie. Voor die gronden geldt de bestemming "Maatschappelijk" waar op grond van artikel 13.1, onder l, voorzieningen voor verkeer en verblijf toegestaan. Ter zake van het Nia Domo-terrein stelt de Afdeling vast dat ter plaatse de bestemming "Groen" geldt waarvoor op grond van artikel 10.1, onder e, van de planregels ook voor voorzieningen voor verkeer en verblijf zijn toegestaan. Dat niet beoogd zou zijn om het hele Nia Domo-terrein en het hele Sint Agathaplein voor parkeerplaatsen te gebruiken, doet er niet aan af dat het planologische regime wel die mogelijkheid biedt.

Gelet op de toelichting van de raad kunnen binnen de door de raad gewenste maximale loopafstand 85 parkeerplaatsen op de Regenbooglocatie worden gerealiseerd. Verder staat het planologische regime er niet aan in de weg dat het Nia Domo-terrein desnoods geheel wordt gebruikt voor parkeren. Datzelfde geldt voor het Sint Agathaplein. Gelet hierop zijn in elk geval meer parkeerplaatsen mogelijk dan het door Loendersloot geconstateerde tekort van 79 parkeerplaatsen binnen de door de raad aanvaardbaar geacht loopafstand, naast de parkeerplaatsen die in elk geval op het Sint Agathaplein worden gerealiseerd.

22.5.  Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien overeenkomstig artikel 8.1.1 en dat het plan daarom niet uitvoerbaar is. In zoverre bestaat evenmin grond voor het oordeel dat het plan leidt tot onaanvaardbare parkeeroverlast.

De betogen slagen niet.

23.     Waar [appellant sub 2], [appellant sub 5] en [appellant sub 1] stellen dat parkeeroverlast zal ontstaan op piekmomenten tijdens de weekmarkt en andere evenementen op het Sint Agathaplein omdat een deel van de parkeerplaatsen daar voor zal worden gebruikt, overweegt de Afdeling dat zij, gelet op de restcapaciteit, de aan te leggen parkeerplaatsen en gezien het feit dat het hele Nia Domo-terrein gebruik voor parkeren toestaat daarin geen grond ziet te oordelen dat hierdoor onaanvaardbare parkeeroverlast zal ontstaan.

Het betoog slaagt niet.

24.     Volgens [appellant sub 1] blijkt uit de situatietekening die bij de Memo parkeerbehoefte 2020 hoort niet duidelijk welke omvang de parkeervakken hebben.

24.1.  Waar het gaat om de situatietekening die hoort bij de Memo parkeerbehoefte 2020 overweegt de Afdeling dat in deze memo is beschreven dat de situatietekening geen kwalitatief ontwerp is van de herinrichting en eindsituatie van het Sint Agathaplein. Daaraan kan dus niet de conclusie worden ontleend dat de te realiseren parkeervakken op het Sint Agathaplein onvoldoende omvang zullen hebben en het plan in zoverre niet uitvoerbaar zou zijn. Overigens heeft de raad toegelicht dat in de situatietekening is uitgegaan van parkeervakken met een omvang van 2,5 m bij 5,15 m, in aansluiting op de CROW-publicatie uit 2012 "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom".

Het betoog slaagt niet.

Conclusie parkeren

25.     Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat parkeren aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Gevolgen voor [appellant sub 2]

Verkeersveiligheid, bereikbaarheid en parkeren

26.     [appellant sub 2] betoogt dat het plan leidt tot onveilige verkeerssituaties in de Kerkstraat. Volgens hem zal de bereikbaarheid van zijn bedrijf verslechteren. Er staan parkeerplaatsen haaks op de Kerkstraat ingetekend en naast of op de plek van de inrit voor laden en lossen. Dit terwijl de Kerkstraat een 50 km/u weg is. Verder leidt het plan ook tot parkeeroverlast rond zijn gronden vanwege de toegenomen parkeerdruk.

26.1.  In paragraaf 2.2.5 staat dat het plangebied op dorpsniveau ontsloten blijft door de Buskensstraat en het Sint Agathaplein die richting het westen overgaat in de Kennedystraat en ten oosten via een rotonde overgaat in de Kerkstraat of de Rutger van Herpenstraat. De toename van verkeersbewegingen die de ontwikkeling met zich mee zal brengen, kan goed afgewikkeld worden via de bestaande wegen. Ook wordt een nieuwe randweg aangelegd, waardoor de verkeersdruk in de toekomst zal afnemen. Verder heeft de raad ter nadere onderbouwing schetsen overgelegd waaruit blijkt dat er op de Kerkstraat voldoende ruimte is voor laden en lossen.

[appellant sub 2] heeft niet gemotiveerd waarom desondanks een verkeersonveilige situatie zal ontstaan of zijn bedrijf minder goed bereikbaar zal worden. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat geen verkeersveilige realisatie mogelijk is.

Wat betreft de gestelde parkeeroverlast rond zijn gronden als gevolg van het plan overweegt de Afdeling dat zij hiervoor onder 25 al heeft geoordeeld dat parkeren niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Er bestaat dan ook geen grond te oordelen dat als gevolg van het plan parkeeroverlast rond de gronden van [appellant sub 2], op enige afstand van het plangebied, zal ontstaan.

Het betoog slaagt niet.

Afstand tot bedrijfsperceel [appellant sub 2]

27.     [appellant sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in woningen binnen 100 m van zijn bedrijfsperceel aan de [locatie 2]. Volgens hem zou voor nieuwe woningen een afstand van 100 m tot zijn bedrijfsperceel moeten worden aangehouden. Het voorgaande bestemmingsplan "Kom Boekel 2007" bestemde alleen bestaande woningen binnen de 100 m, wat werd bevestigd door de Afdeling in de uitspraak van 25 november 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK4367).

27.1.  De raad heeft toegelicht dat het deel van het plangebied waar woningen zijn voorzien zich grotendeels buiten de 100 m bevindt. Volgens de raad wordt slechts in geringe mate afgeweken van de richtafstand van 100 m op grond van de VNG-brochure tot het bedrijfsperceel van [appellant sub 2]. Verder wordt [appellant sub 2] door de woningen ook niet belemmerd in zijn bedrijfsvoering, omdat er bestaande woningen liggen tussen het bedrijf en het plangebied. Ter plaatse van die woningen moet al worden voldaan aan een geluidsnorm van 50 dB (A), aldus de raad.

27.2.  De Afdeling overweegt dat zij in haar uitspraak van 22 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO8324) al heeft geoordeeld dat de raad in redelijkheid kon afwijken van de richtafstand van 100 m tot het bedrijfsperceel op grond van de VNG-brochure, door nieuwe woningen in geringe mate binnen 100 m van het bedrijfsperceel van [appellant sub 2] te voorzien. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om voor het voorliggende plan anders te oordelen. Ook in dit plan zijn de woningen grotendeels buiten 100 m van het bedrijfsperceel voorzien en de bestaande woningen bevinden zich tussen het bedrijfsperceel en het plangebied. De stelling van [appellant sub 2] ter zitting dat het plan voorziet in hogere bebouwing dan het voorgaande plan, is onvoldoende grond om te oordelen dat daarmee sprake is van een zodanig andere geluidbelasting dat het plan leidt tot extra belemmeringen voor zijn bedrijf, die de raad onvoldoende heeft onderzocht.

Het betoog slaagt niet.

Beroepsgronden [appellant sub 1]

28.     [appellant sub 1] woont elders in Boekel. Hij bezit een bedrijfspand binnen het plangebied, [locatie 3]. Dat pand is nodig voor de beoogde planuitvoering en kan daarom niet behouden blijven.

Laden en lossen

29.     [appellant sub 1] betoogt dat het plan leidt tot geluidoverlast vanwege het laden en lossen. Ten onrechte ontbreekt akoestisch onderzoek. Volgens hem had in het plan moeten worden vastgelegd dat laden en lossen alleen inpandig en tussen 07:00 en 19:00 uur mag plaatsvinden.

29.1.  De Afdeling heeft ter zitting vastgesteld dat [appellant sub 1] met dit betoog opkomt voor zijn belang bij een aanvaardbaar verblijfsklimaat ter plaatse van het bedrijfspand dat hij bezit binnen het plangebied.

De raad heeft toegelicht dat op basis van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" uit 2009 het gebied kan worden aangemerkt als "gemengd gebied". De richtafstand die dan geldt ten opzichte van bedrijven in milieucategorie 1, is 0 meter. Omdat het plan alleen bedrijven in milieucategorie 1 toestaat, kan een richtafstand van 0 meter worden gehanteerd. Verder gelden er voor de in het plan voorziene woningen geluidsnormen waaraan moet worden voldaan, wat betreft laden en lossen opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit. Volgens de raad geldt, gelet op het voorgaande, ook voor het pand van [appellant sub 1], dat zich tussen de voorziene woningen bevindt, dat sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat en dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare geluidsoverlast.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op de gegeven motivering in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat en dat het plan, mede wat betreft laden en lossen, niet leidt tot onaanvaardbare geluidoverlast.

Het betoog slaagt niet.

Eigendom van [appellant sub 1] en financiële uitvoerbaarheid

30.     Over het betoog van [appellant sub 1] dat hij een pand in eigendom heeft binnen het plangebied, overweegt de Afdeling dat de raad heeft verklaard dat wordt gepoogd om overeenstemming te bereiken over de minnelijke verwerving van dat pand. Als dat niet mogelijk is, zal het gemeentebestuur tot onteigening overgaan. De Afdeling ziet geen grond te oordelen dat het eigendom van [appellant sub 1] aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Dat, volgens [appellant sub 1], zijn perceel ten onrechte is aangewezen op grond van de Wet voorkeursrecht gemeenten kan in deze niet procedure aan de orde kan komen.

31.     [appellant sub 1] betoogt dat [partij] wordt bevoordeeld door het plan. Volgens hem is sprake van onrechtmatige staatssteun. Het plan is daarom in strijd met artikel 108, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). De huidige eigenaren van de gronden krijgen geen kans om deel uit te maken van de ontwikkeling van de voorziene winkels aan de Zuidwand. De bouwrijpe grond wordt verkocht aan [partij] zonder dat er een openbare aanbesteding of onafhankelijke marktconforme taxaties aan ten grondslag hebben gelegen.

[appellant sub 1] betoogt verder dat het plan financieel niet uitvoerbaar is omdat het is opgedeeld in 2 fasen. De ontwikkelaar is alleen gecontracteerd voor fase 1. Er bestaat geen verplichting fase 2 te realiseren. Als fase 2 niet wordt gerealiseerd, leidt dit tot een financiële strop voor het gemeentebestuur, aldus [appellant sub 1].

31.1.  Dat volgens [appellant sub 1] mogelijk sprake is van ongeoorloofde staatssteun, kan in deze procedure alleen maar indirect aan de orde komen. De vraag is dan of staatssteun mogelijk een beletsel is voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan. Staatssteun houdt immers geen verband met de ruimtelijke gevolgen van het plan.

Zo’n betoog kan daarom alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de financieel-economische aspecten van het plan aan de uitvoerbaarheid ervan in de weg staan. Hieraan is niet al voldaan als [appellant sub 1] aannemelijk maakt dat de staatssteun die wordt of is verleend, kan worden teruggevorderd. Daarnaast moet hij aannemelijk maken dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat als gevolg daarvan het plan niet kan worden uitgevoerd zonder dat ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. In dit kader is van belang dat in dit geval voor de financieel-economische uitvoerbaarheid van het plan de betrokkenheid van de projectontwikkelaar niet van doorslaggevende betekenis is. De enkele omstandigheid dat deze zich in verband met een eventuele terugvordering van staatssteun als ontwikkelaar daaruit geheel of gedeeltelijk mogelijk zou moeten terugtrekken, brengt nog niet mee dat het niet mogelijk zal zijn de in het plan voorziene ontwikkelingen te realiseren zonder ongeoorloofde staatssteun. Dat het plan niet zonder eventueel ongeoorloofde staatssteun zou kunnen worden uitgevoerd, heeft [appellant sub 1] verder niet onderbouwd. Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat eventueel ongeoorloofde staatssteun is verleend die zal worden teruggevorderd en dat het plan niet kan worden uitgevoerd zonder dat eventueel ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. Alleen al daarom slaagt dit betoog niet.

Omdat het betoog van [appellant sub 1] over staatssteun niet slaagt, ziet de Afdeling geen aanleiding om een oordeel te geven over het standpunt van de raad dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb aan een geslaagd beroep van [appellant sub 1] op artikel 108, derde lid, van het VWEU in de weg staat.

31.2.  Wat betreft de fasering overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat de ontwikkelaar die voor fase 1 is gecontracteerd, niet verplicht is fase 2 te realiseren. Maar ook voor fase 2 zal een ontwikkelaar worden gecontracteerd. Er zijn voldoende financiële reserves om een eventueel verlies op te vangen, ook als fase 2 onverhoopt niet of pas later zou worden ontwikkeld, aldus de raad. [appellant sub 1] heeft dit niet gemotiveerd betwist.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan in zoverre niet uitvoerbaar is. Dit betoog slaagt niet.

MER en Wet natuurbescherming (hierna: Wnb)

32.     [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte geen milieueffectrapport (MER) is opgesteld. Vanwege de gevolgen voor natuurwaarden en geluid, waaronder laden en lossen, is ten onrechte volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

32.1.  [appellant sub 1] heeft volstaan met de stelling dat een MER had moeten worden opgesteld. Hij heeft desgevraagd ter zitting niet kunnen toelichten om welke activiteit als genoemd in kolom 1 van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, onderdeel C dan wel D het zou kunnen gaan, waarbij de drempelwaarde van die activiteit ook wordt gehaald (kolom 2) en het bestemmingsplan genoemd staat in kolom 3 of 4. Het betoog kan reeds daarom niet slagen.

32.2.  Over het betoog van [appellant sub 1] dat vanwege mogelijke gevolgen voor omliggende Natura 2000-gebieden een passende beoordeling had moeten worden opgesteld en, naar de Afdeling begrijpt, gezien artikel 7.2a Wet milieubeheer (hierna: Wm) ook een verplichting bestaat voor een plan-MER, overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals ter zitting aan [appellant sub 1] is voorgehouden, beroept hij zich op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied en dus op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Dat is anders als, kort gezegd, sprake is van verwevenheid van dat algemeen belang met zijn individuele belangen (vergelijk de uitspraak van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706), onder 10.66-10.68). De Afdeling stelt vast dat de gronden van [appellant sub 1] zich op een afstand van ongeveer 16 km tot het meest nabije Natura 2000-gebied "Deurnsche Peel & Mariapeel" bevinden. Gelet op deze afstand neemt de Afdeling geen verwevenheid aan.

Dat betekent dat artikel 8:69a van de Awb aan het beroep van [appellant sub 1] op de Wnb voor wat betreft gebiedsbescherming in de weg staat. (vergelijk de uitspraak van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706), onder 10.87).

33.     Waar [appellant sub 1] wijst op het soortenbeschermingsregime op grond van de Wnb overweegt de Afdeling als volgt.

De vraag of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komt in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen als hij op voorhand heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Belanghebbenden die zich niet kunnen beroepen op de bepalingen over soortenbescherming in de Wnb, omdat die normen kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen, kunnen zich evenmin op die normen beroepen in het kader van hun betoog dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is, omdat het plan leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb en de noodzakelijke ontheffing krachtens de Wnb niet kan worden verleend.

Ook voor het beroep van [appellant sub 1] op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van plant- en diersoorten geldt dat hij zich daarmee beroept op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Ook hier geldt dat dit anders is als, kort gezegd, sprake is van verwevenheid van het algemeen belang met zijn individuele belangen. (vergelijk de uitspraak van 11 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2706), onder 10.66-10.68). De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 1] en het plangebied ongeveer 380 m bedraagt. Gelet op deze afstand is geen sprake van dergelijke verwevenheid. Voor zover [appellant sub 1] in dit verband verwijst naar het bedrijfsgebouw binnen het plangebied dat hij in eigendom heeft, overweegt de Afdeling als volgt. Zijn belang is gelegen in bedrijfseconomische belangen, namelijk het concurrentiebelang en het belang bij ongehinderde voorzetting van de bedrijfsactiviteiten. Gelet hierop en omdat niet gebleken is dat de door [appellant sub 1] ontplooide bedrijfsactiviteiten worden beïnvloed door de instandhouding van een populatie binnen het plangebied is hier evenmin sprake van verwevenheid.

Het voorgaande betekent dat [appellant sub 1] zich ook niet kan beroepen op het soortenbeschermingsregime uit de Wnb.

Overige beroepsgronden

34.     [appellant sub 1] heeft aangevoerd dat de sloopwerkzaamheden die plaatsvinden als gevolg van de realisering van fase 1 van het plan - voor zover zijn eigen pand dan niet ook wordt gesloopt - kunnen leiden tot schade aan zijn pand. Volgens hem ontbreekt onderzoek naar de risico's en ontbreken maatregelen. De Afdeling stelt vast dat dit niet gaat over het plan zelf maar over de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. De Afdeling bespreekt deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk.

35.     Het betoog dat het gemeentebestuur in het verleden potentiële huurders heeft geweerd, gaat niet over het hier voorliggende plan en kan daarom niet aan de orde komen in deze procedure.

Herhalen en inlassen zienswijze

36.     [appellant sub 1], Coop en [appellant sub 2] hebben zich in de beroepschriften voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van hun zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 1], Coop en [appellant sub 2] hebben in hun beroepschrift noch op de zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie herstelbesluit

37.     De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] gericht tegen het herstelbesluit zijn ongegrond.

38.     Gelet op overweging 16.3 zijn het bestreden besluit en het plan, in onderlinge samenhang bezien, voor zover het gaat om artikel 8.1 van de planregels in strijd met de rechtszekerheid.

Het beroep van Coop en Aldi Best is gegrond, zodat het besluit in zoverre moet worden vernietigd.

39.     Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden hierdoor in hun belangen zijn geschaad, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, door te bepalen dat deze uitspraak voor wat betreft artikel 8.1 van de planregels, zoals hierna wordt weergegeven, in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit wordt vernietigd.

Hierbij betrekt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat hij heeft beoogd de planregeling van artikel 8.1, zoals gepubliceerd op ruimtelijkeplannen.nl vast te stellen. Beide regelingen zijn vrijwel identiek en bevatten beide de verplichting dat ten tijde van de omgevingsvergunning voor bouwen moet worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen overeenkomstig de CROW-normen.

Besluit van 12 december 2019

40.     Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 5] gericht tegen het herstelbesluit van 25 juni 2020 ongegrond. De beroepen van Coop en Aldi Best gericht tegen het besluit van 25 juni 2020 zijn gegrond, maar alleen wat betreft de planregeling in artikel 8.1 van het herstelbesluit van 25 juni 2020. De Afdeling voorziet voor dit artikel echter zelf in de zaak door te bepalen dat de planregeling komt te luiden zoals de raad die met het herstelbesluit heeft beoogd. Onder deze omstandigheden en omdat niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van de beroepen tegen het besluit van 12 december 2019, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant sub 1], [appellant sub 2], Coop, Aldi Best en [appellant sub 5] in zoverre daarbij geen resterend procesbelang meer hebben. Hun beroepen gericht tegen het besluit van 12 december 2019 worden daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Opdracht

41.     Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskostenveroordeling

42.     De raad moet de proceskosten vergoeden van Coop, Aldi Best, [appellant sub 2] en [appellant sub 5] vergoeden. De raad hoeft geen proceskosten van [appellant sub 1] te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen van:

a. [appellant sub 1];

b. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1] en [vennoot 2];

c. [appellant sub 5];

tegen het besluit van 25 juni 2020 van de raad van de gemeente Boekel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zuidwand, Boekel" ongegrond;

II.       verklaart de beroepen van Coop supermarkten B.V. en anderen en Aldi Best B.V. tegen het besluit van 25 juni 2020 van de raad van de gemeente Boekel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zuidwand, Boekel" gegrond;

III.      vernietigt het besluit van 25 juni 2020 van de raad van de gemeente Boekel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zuidwand, Boekel" voor zover het ziet op artikel 8.1 van de planregels;

IV.      bepaalt dat artikel 8.1 van de planregels als volgt komt te luiden:

"8.1 Parkeren

8.1.1 Bouwregels

a. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet aan voldoende parkeergelegenheid voldaan moeten worden.

b. De gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarde dat voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, alsmede dat voor het laden en lossen van goederen in voldoende mate moet zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Voor het bouwen van woningen geldt de aanvullende voorwaarde dat voor bewoners van die woningen op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

c. Bij omgevingsvergunning om te bouwen wordt conform de publicatie van CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie‘ bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde publicatie wordt gewijzigd, aan de hand van die nieuwe publicatie wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.

8.1.2 Gebruiksregels

Als gebruik in strijd met het bestemmingsplan geldt het (veranderen van het) gebruik van gronden of bouwwerken, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, alsmede voor het laden en lossen van goederen niet voldoende voorzieningen worden getroffen, een en ander conform de publicatie van CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie‘. Indien op grond van artikel 8.1.1 onder b op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd en in stand worden gehouden, geldt als gebruik in strijd met het bestemmingsplan het (veranderen van het) gebruik van gronden of bouwwerken, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden.

8.1.3 Binnenplanse afwijkbevoegdheid

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 8.1.1 en 8.1.2 indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit en mits wordt voldaan aan de publicatie van CROW ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie‘, met dien verstande dat indien voornoemde publicatie worden gewijzigd, voldaan moet worden aan die nieuwe publicatie.";

V.       verklaart de beroepen van:

a. [appellant sub 1];

b. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1] en [vennoot 2];

c. Coop supermarkten B.V. en anderen;

d. Aldi Best B.V.;

e. [appellant sub 5];

tegen het besluit van 12 december 2019 van de raad van de gemeente Boekel tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zuidwand, Boekel" niet-ontvankelijk;

VI.      draagt de raad van de gemeente Boekel op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VII.     veroordeelt de raad van de gemeente Boekel tot vergoeding in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. bij [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1] en [vennoot 2], tot een bedrag van € 534,00 (zegge: vijfhonderdvierendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

b. bij Coop supermarkten B.V. en anderen tot een bedrag van € 1.335,00 (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. bij Aldi Best B.V. tot een bedrag van € 1.335,00 (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. bij [appellant sub 5] tot een bedrag van € 801,00 (zegge: achthonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Boekel aan:

a. [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) vergoedt;

b. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1 en [vennoot 2], het door hen voor de behandeling betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. Coop supermarkten B.V. en anderen het door hen voor de behandeling betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

d. Aldi Best B.V. het door haar voor de behandeling betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) vergoedt;

e. [appellant sub 5] het door hem voor de behandeling betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.F. van Toor, griffier.

w.g. Minderhoud

voorzitter      

w.g. Van Toor

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021

865.