Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
202006825/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2020 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet het projectplan "verwijderen Roggebotsluis" vastgesteld. Het Projectplan is onderdeel van het project "Ruimte voor de Rivier IJsseldelta" dat strekt ter uitvoering van de Planologische Kernbeslissing "Ruimte voor de Rivier". Het Projectplan voorziet in het verwijderen van de Roggebotsluis waarmee een vrije doorstroomopening ontstaat tussen het Vossemeer, Drontermeer, Reevediep en de IJssel. Ter vervanging zal een nieuwe, hogere brug over het Drontermeer worden aangelegd. De dijkvakken N11 en N11a moeten worden versterkt omdat de maatgevende waterstanden omhooggaan, nu de Roggebotsluis wegvalt. Bij recreatieterreinen van het Noordelijke Drontermeer worden hoog- en laagwatervoorzieningen getroffen. Verder zal een reconstructie van de N307 plaatsvinden, die zuidelijker gaat lopen en parallelwegen voor langzaam rijdend verkeer en bestemmingsverkeer zal krijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8525
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202006825/1/R1.

Datum uitspraak: 23 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend te Wapenveld, gemeente Heerde,

2.       Strandpaviljoen At Sea BV (hierna: Strandpaviljoen), gevestigd te Dronten,

appellanten,

en

1.       de minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de minister van I&W),

2.       de minister van Landbouw, Natuur, en Voedselkwaliteit (hierna: de minister van LNV),

3.       het college van gedeputeerde staten van Overijssel (hierna: het college van Overijssel),

4.       het college van gedeputeerde staten van Flevoland (hierna: het college van Flevoland),

5.       de raad van de gemeente Kampen (hierna: de raad van Kampen),

6.       de raad van de gemeente Dronten (hierna: de raad van Dronten),

7.       het algemeen bestuur van het Waterschap Drents Overijsselse Delta (hierna: het bestuur van het waterschap),

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2020 heeft de minister van I&W op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet het projectplan "verwijderen Roggebotsluis" (hierna: het Projectplan) vastgesteld.

Bij besluiten van 13 oktober 2020 en 28 oktober 2020 hebben respectievelijk de colleges van Overijssel en Flevoland op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet goedkeuring verleend aan het Projectplan (hierna: de goedkeuringsbesluiten).

Bij besluit van 8 september 2020 heeft het bestuur van het waterschap op grond van artikel 5.4, eerste lid, van de Waterwet het projectplan "Waterwet N307 Roggebot-Kampen; Dijkvakken N11/N11A en Uitwateringskanaal" vastgesteld.

Bij besluit van 13 oktober 2020 heeft het college van Overijssel op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet goedkeuring verleend aan het projectplan "Waterwet N307 Roggebot-Kampen; Dijkvakken N11/N11A en Uitwateringskanaal".

Bij besluit van 10 september 2020 heeft de raad van Kampen het bestemmingsplan "N307 Roggebot-Kampen" (hierna: plan Kampen) vastgesteld.

Bij besluit van 22 oktober 2020 heeft de raad van Dronten het bestemmingsplan "Dronten - N307 Roggebotcomplex (8091)" vastgesteld.

Bij besluit van 27 juli 2020 heeft de minister van LNW een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van werkzaamheden in en nabij de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Ketelmeer & Vossemeer.

Bij besluit van 27 juli 2020 heeft het college van Overijssel een vergunning verleend op grond van de Wet natuurbescherming voor het uitvoeren van werkzaamheden in en nabij de Natura 2000-gebieden Veluwerandmeren en Ketelmeer & Vossemeer.

[appellant sub 1] heeft tegen het plan Kampen beroep ingesteld. Strandpaviljoen heeft tegen alle besluiten beroep ingesteld.

Verweerders hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 mei 2021, waar [appellant sub 1], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. E.C.M. Schippers en mr. drs. J.S. Kramer, advocaten te Den Haag, A. van der Veen, ing. M.G. Stienstra, ing. R. Vroon, ir. A.B. Zwierstra, G. Koolhaas MSc en ing. Schultz, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       De bestreden besluiten zijn gecoördineerd voorbereid met toepassing van artikel 3.33, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro). De besluiten zijn vervolgens gelijktijdig bekendgemaakt.

2.       Ingevolge artikel 8:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, is de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd te oordelen over geschillen waarop artikel 3.33, eerste lid, onder a, van de Wro, van toepassing is.

3.       Het Projectplan is onderdeel van het project "Ruimte voor de Rivier IJsseldelta" dat strekt ter uitvoering van de Planologische Kernbeslissing "Ruimte voor de Rivier". Het Projectplan voorziet in het verwijderen van de Roggebotsluis waarmee een vrije doorstroomopening ontstaat tussen het Vossemeer, Drontermeer, Reevediep en de IJssel. Ter vervanging zal een nieuwe, hogere brug over het Drontermeer worden aangelegd. De dijkvakken N11 en N11a moeten worden versterkt omdat de maatgevende waterstanden omhooggaan, nu de Roggebotsluis wegvalt. Bij recreatieterreinen van het Noordelijke Drontermeer worden hoog- en laagwatervoorzieningen getroffen. Verder zal een reconstructie van de N307 plaatsvinden, die zuidelijker gaat lopen en parallelwegen voor langzaam rijdend verkeer en bestemmingsverkeer zal krijgen. Het Uitwateringskanaal bij Kampen zal deels worden verlegd vanwege de reconstructie van de N307, waarbij het hele kanaal een natuurvriendelijke oever zal krijgen.

4.       [appellant sub 1] kan zich niet verenigingen met het plan Kampen, onder meer omdat het aan het plan tegen grondslag liggende geluidonderzoek geen recht doet aan de situatie ter plaatse van [locatie].

Strandpaviljoen exploiteert een restaurant en huwelijkslocatie aan de Drontermeerdijk 13 op circa 4 km van het projectgebied. Zij vreest dat haar bedrijf minder goed bereikbaar zal zijn ten gevolge van de uitvoering van het Projectplan.

Het beroep van [appellant sub 1]

5.       De raad van Kampen heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is. Hij voert daartoe aan dat [appellant sub 1] sinds 3 mei 2021 geen eigenaar meer is van het perceel, zodat hij niet langer belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep.

5.1.    [appellant sub 1] heeft ter zitting betoogd dat hij, ondanks het feit dat hij geen eigenaar meer is van het perceel, een zogenoemde ‘natuurlijke verbintenis’ voelt ten opzichte van de nieuwe eigenaar om op het perceel een zo gunstig mogelijk akoestisch klimaat te bewerkstellingen en hij dit als zodanig ook tegen de nieuwe eigenaar heeft gezegd.

5.2.    Niet in geschil is dat het perceel aan een derde is verkocht en dat de levering op 3 mei 2021 heeft plaatsgevonden. Niet is gebleken dat de nieuwe eigenaar van het perceel het door [appellant sub 1] ingestelde beroep na de eigendomsoverdracht wenst voort te zetten, zodat de door [appellant sub 1] opgebouwde aanspraak op rechtsbescherming niet wordt geacht te zijn overgenomen. Nu [appellant sub 1] geen eigenaar meer is van het perceel, ziet de Afdeling zich gesteld voor de vraag of [appellant sub 1] nog belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2007, ECLI:NL:RVS:2007:AZ9541) kan er, in een geval als hier aan de orde, procesbelang bestaan indien een appellant stelt schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit. [appellant sub 1] heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat er geen financiële risico’s op basis van contractuele verplichtingen met de nieuwe eigenaar voor hem bestaan. Ook overigens is niet gebleken dat [appellant sub 1] schade heeft geleden ten gevolge van het vaststellen van het plan Kampen. [appellant sub 1] heeft ook erkend dat hij als gevolg van de levering van het perceel niets meer kan bereiken met zijn beroep. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 1] een morele inspanningsverplichting jegens de nieuwe eigenaar op zich heeft genomen, vormt niet een procesbelang op grond waarvan tot inhoudelijke beoordeling van het beroep van [appellant sub 1] kan worden overgegaan. Voor zover de reconstructie van de N307 als gevolg van het plan zou leiden tot een verslechtering van het akoestisch klimaat op het perceel voor de nieuwe eigenaar, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] niet voor dat belang kan opkomen.

5.3.    Uit het voorgaande volgt dat [appellant sub 1] geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit tot vaststelling van het plan Kampen niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de Afdeling het beroep niet inhoudelijk behandelt.

Beroep van Strandpaviljoen

6.       Strandpaviljoen betoogt dat onvoldoende verzekerd is dat haar bedrijf bereikbaar blijft tijdens de uitvoering van het Projectplan. Deze uitvoering wordt volgens haar ten onrechte volledig overgelaten aan de aannemerscombinatie. Verder zullen de voorgenomen tijdelijke verkeersmaatregelen tot onaanvaardbare verkeersopstoppingen en daarmee vertragingen leiden, zo stelt Strandpaviljoen.

6.1.    De minister van I&W stelt zich op het standpunt dat de bedrijfslocatie te allen tijde bereikbaar blijft gedurende de uitvoering van de werkzaamheden als gevolg van de uitvoering van het Projectplan en dat verkeershinder gedurende deze werkzaamheden zoveel mogelijk wordt beperkt.

6.2.    De Afdeling overweegt dat hinder ten gevolge van werkzaamheden in verband met de verwijdering van de Roggebotsluis en de bouw van de nieuwe oeververbinding een aspect van uitvoering van het werk is. De aannemer moet bij de uitvoering voldoen aan daarvoor geldende wet- en regelgeving. Uitvoeringsaspecten hoeven niet in een plan als het Projectplan te worden opgenomen, maar moeten wel in de belangenafweging worden betrokken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:513, onder 14.5).

De minister van I&W heeft toegelicht dat de aannemer het aantal weekendafsluitingen die zich gedurende de bouw van de nieuwe oeververbinding over het Drontermeer zullen voordoen, heeft kunnen verminderen van vier naar twee weekendafsluitingen. Daarnaast zullen deze afsluitingen in het weekend slechts hinder tot gevolg hebben voor eventuele bezoekers van het Strandpaviljoen die met de auto vanuit Kampen komen, omdat zij als gevolg hiervan moeten omrijden via Elburg. Verder heeft de minister van I&W onderkend dat er gedurende de bouw van de nieuwe oeververbinding in de nacht enige hinder ten gevolge van werkzaamheden kan optreden, maar dat deze werkzaamheden niet als zodanig zullen leiden tot wegafsluitingen. Verder heeft de minister van I&W erop gewezen dat het realiseren van de nieuwe aansluiting N307/N306 met hinder gepaard zal gaan, maar dat ook dit tot een minimum beperkt zal blijven. Tevens zal de aannemer volgens de minister van I&W regelmatig in overleg treden met Strandpaviljoen om af te stemmen hoe de werkzaamheden op of nabij haar bedrijf worden uitgevoerd met zo min mogelijk beperkingen voor de bereikbaarheid van haar bedrijf.

Onder deze omstandigheden geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze van uitvoering, met het oog op de belangen van Strandpaviljoen, onvoldoende in de afweging is betrokken. Gelet hierop hebben de colleges van Flevoland en Overijssel terecht geen aanleiding gezien om goedkeuring aan het Projectplan te onthouden.

Het betoog faalt.

7.       De Afdeling stelt vast dat Strandpaviljoen tegen de overige besluiten geen gronden heeft aangevoerd.

8.       Het beroep van Strandpaviljoen is ongegrond.

Proceskosten

9.       Verweerders hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II.       verklaart het beroep van Strandpaviljoen At Sea BV ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021

91-890.